Mr.G. GROEN VAN PRINSTERER
Mr. G. Groen van Prinsterer
12)
Ook vrienden, tot heden trouw, ontweken nu Da Costa; maar anderen bleven hem aanhangen. Op het einde van 1830 nam een zeer menigvuldig aantal der aanzienlijke en meest begaafde ingezetenen van Asterdam aan Da Costa's voorlezingen deel en door deze reeksen van vaderlandsch historische, letterkundige, later meestal de bijbelboeken betreffende, voorlezingen, die Da Costa te Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Leiden en Utrecht hield, werd het reveil uitgebreid ook in de aristocratische kringen.
Door tal van prozaschriften en gedichten; door prediking ook, waar hem een deur werd geopend en eindelijk door zijn arbeid als bestuurder en voorganger aan het Seminarie der Vrije Schotsche Zendingskerk, van welke instelling Da Costa de ziel was en de eer, was hij voor volk en Kerk ten zegen.
Den 28sten April 1860 is Da Costa de eeuwige ruste ingegaan. Hij, de vrome strijder, de rijk begaafde bidder werd afgelost uit de strijdende Kerk, om over te gaan in de triumfeerende Kerk. .
Zoals we reeds opmerkten, is ook bij Da Costa wel wijziging gekomen in z'n denkbeelden, echter meer wat den vorm, dan wat de inhoud aangaat. Twintig jaar na het publiceeren van zijn B e z w a r e n nam hij in zijn „R e k e n s c h a p v a n g e v o e l e n s" een eenigszins ander standpunt in. Dan toch schrijft hij: „In jonger tijd meende ik de genezing van het bestaande ernstige en wezenlijke en hoogst beklagenswaardige kwaad in Kerk en Godgeleerdheid en maatschappij grootendeels te mogen zoeken in het terugkeeren tot een v r o e g e r e n toestand; thans zie ik die genezing alleen denkbaar in den weg van voortgang naar een n i e u w e (van God gewilde, bereide, beloofde) uitkomst. Eertijds stelde ik in de verdediging der heilige en dierbare waarheid het oude tegen het nieuwe, thans levert mij juist het nieuwe de middelen op en geeft mij de wapenen in de hand tegen het nieuwe; dat is: in hetgeen de geest des tijds voortbrengt of voort te brengen schijnt tegen de waarheid, die uit God is, meen ik juist den weg te hebben leeren onderscheiden, door welken in de gevolgen die Waarheid heerlijker en voller en onvermengder eenmaal uitkomen moet". En die zelfde gedachte van „nieuwe vormen bij nieuwe tijden, zonder het oude los te laten" vertolkte hij dichterlijk, toen hij in 1844 voor ons volk inriep een leven:
„Ontwikkeld uit den wortel van Geschied'nis en Geloof,
in zijn wezen, vrucht der tijden — in zijn vorm, van dezen tijd !"
Hierin bleef hij een beslist getuige tegen den tijdgeest. Want dat was een geest, n i e t ontwikkeld uit geschiedenis en geloof; dat was een revolutionaire en ongodistische geest !
En daarom, al had Da Costa wel een anderen kijk gekregen op de ontwikkeling der tijden, hij verwachtte , niet anders heil voor land en volk, dan door weder te keeren tot des Heeren Woord en door te bestrijden den geest der eeuw. Wat hij in 1844 aldus dichterlijk vertolkte:
Zij zullen het niet hebben.
Ons oude Nederland!
Het bleef bij alle ellenden
Gods en der Vaad'ren pand!
Zij zullen het niet hebben,
de goden van den tijd!
Niet om hun erf te wezen,
heeft God het ons bevrijd!
Met al hun schoone woorden,
met al hun stout geschreeuw —
Zij zullen ons niet hebben, de goden dezer Eeuw!
Tenzij het woord des Zwijgers
moedwillig werd verzaakt:
'k H e b m e t d e n H e e r d e r H e e r e n
E e n v a s t v e r b o n d g e m a a k t.
Van het begin tot het eind is heel het streven van Da Costa een strijden tegen den eeuwgeest; waarbij hij vele vijanden, vele tegenstanders ontmoette, maar in zijn tweede geschrift — na zijn B e z w a r e n — hetwelk tot titel had De S a d d u c e ë n, en waarin hij de Neologie of de ontkenning van het Arminianisme bestreed, vraagt hij: „Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende? " (Gal. 4 v, ers 16); en verder: „Indien ik nog menschen behaagde, zoo ware ik geen dienstknecht van Christus". (Gal. 1 vers 10). Den geest, die hem bezielde, proeft men uit de opdracht aan zijn vriend dr. A. Capadose, welke aan het geschrift D e S a d d u c e ë n (1824) vooraf ging en aldus luidde:
Dat de waarheid zegevier!
Ondergang aan 't rijk der logen!
Onder Jezus' krijgsbanier
Riep ons de Almacht uit den hoogen!
Met Zijn vlekloos bloed besproeid
Zijn wij Ridders Gods geslagen.
Om voor d' eernaam, dien wij dragen,
D' allerlaatsten drop te wagen.
Die onze aderen doorgloeit!
Wel dan! waar Zijn wil ons zendt,
Spreken, onverschrokken spreken;
Waar de Wereld Hem ontkent.
Hem belijden, onbezweken;
En als alles (moet het) zwicht,
Onverwonnen, schuldloos lijden,
In dat lijden ons verblijden
En het Hem ter glorie wijden;
Dit is Christen Ridderplicht!
Da Costa, waar hij ook optrad, voor eenvoudigen of voor geleerden, in een kerkgebouw of in de Rederijkerskamer, onder vrienden of bij tegenstanders, steeds trad hij op als getuige voor zijn Heiland. De leuze: „de kunst alleen om de kunst" gold voor hem dan ook niet. Hij nam de bijen ten voorbeeld, die den zeshoek van was niet bouwen om de schoone regelmatige figuur zelve, maar om den eetbaren honig, die het hare bestemming is daarin neder te leggen.
Op elk terrein ging het hem om het ééne noodige en om de eere zijns Konings.
Breng aan dien Koning op uw knieën
O Koningen! uw heeriijkheid!
Zij voor Zijn voetbank, o Genieën!
Uw schatting need'rig neergeleid !
Gij Wetenschappen en gij Kunsten!
Gij krachten, machten, gaven, gunsten.
Door d' Adem Gods in ons verwekt!
Weg met den dienst der heiligschennis;
Gij hoort den Goël toe, wiens kennis
Eerlang het aardrijk overdekt!
Uit al Da Costa's spreken en doen — zoo vertelt Allard Pierson — kwam u tegemoet die ernstige vraag: heb ik u nog niet gewonnen voor mijn Bijbel, voor mijn Heiland, voor mijn God? Dat was mee de oorzaak, dat er voor ieder plaats was in de katheders aan de Rijks-Universiteiten, maar voor den meester in de rechten en den doctor in de letteren en de wijsbegeerte, mr. Isaac Da Costa, niet! Potgieter zegt daarvan In zijn Rouwzang:
Een leerstoel voor U? U, den leidsman der dwaling?
Onz' jeugd, met vernuften tot meesters, uw buit?
Voor wien niet al plaatse? Slechts u sloot men uit!
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's