De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

7 minuten leestijd

Eendrachtig optrekken noodzakelijk.
Het algemeen politiek debat, dat jaarlijks aan de behandeling der Staatsbegrooting vooraf gaat, heeft ook ditmaal weer overduidelijk aangetoond hoe er ten opzichte der beginselen hoegenaamd geen verschil is tusschen de Antirevolutionaire Partij en de Staatkundig Gereformeerden, d.i. de organisatie van ds. Kersten.
Wanneer mr. Heemskerk sprak over het verbod van lijkverbranding, het bezwaar tegen het laten loopen van pleiziertreinen op Zondag, het vertoonen van de Potemkinfilm in den bioscoop, het verstoren van de Zondagsrust en over dergelijke beginselquaesties meer, dan viel de leider van de Staatkundig Gereformeerden hem onmiddellijk bij. En zoo stond het ook met ds. Zandt, die geheel onderschreef wat b.v. het Kamerlid Duymaer van Twist zeide over het vrouwenkiesrecht en den stemdwang.
Er was steeds roerende overeenkomst tusschen de Antirevolutionairen en de Staatkundig Gereformeerden.  Dit kwam nog bijzonder uit bij de stemming over de motie-Suring betreffende den invoer van den leerplicht voor het 7de leerjaar. 
De Christelijk Historischen mochten tegen deze motie stemmen uit hoofde van 't kostenbezwaar en daarbij in principe de lijn trekken van de Roomsch Katholieken; zoo was het niet bij de Antirevolutionairen, die met de beide afgevaardigden, behoorende tot de Staatkundig Gereformeerde Partij, stemden tegen het leerplichtvoorstel. Zeker, er is tusschen de beide politieke organisaties inzake de toepassing der beginselen verschil, maar om een onderscheid te vinden in de principes dezer partijen, daarvoor zou een loupe nog niet kunnen helpen.
De vraag blijft dan ook aan de orde, of niet gezocht moet worden naar een modus (manier) om tot vereeniging of samensmelting der groepen te geraken.
Het zou o.i. al een belangrijke stap naar den vrede zijn, als de redactie van „De Banier", het orgaan der Staatkundig Gereformeerden, haar lezers zoo af en toe eens liet hooren, wat ook de Antirevolutionaire voormannen in de Kamer zeggen over onderwerpen, die bijzonder ook de Staatkundig Gereformeerden lief zijn. Tot nog toe is dit voor de lezers van „De Banier" verborgen gebleven en lijkt het of het alleen ds. Kersten en ds. Zandt zijn, die voor de Calvinistische levensbeginselen in het parlement opkomen, terwijl alle anderen daarover zouden zwijgen.
Dat er op het oogenblik meer dan ooit te voren reden is, dat beide partijen op vriendschappelijken voet met elkander om gaan, vindt z'n grond hierin, dat ongeloof en revolutie steeds driester het hoofd opsteken. Wij hebben daarvoor slechts te verwijzen naar het communistisch gevaar, dat in Indië dreigt en te herinneren aan hetgeen hier te lande plaats vond bij de militaire ongeregeldheden tijdens de herhalingsoefeningen der dienstplichtigen. Wat zou er een kracht van uitgaan, zoo alle man van Calvinistische levensovertuiging in de gunste Gods eensgezind en ongedeeld optrok en aan de wereld kon toonen wat in het teeken van het Calvinistisch levensbeginsel eendracht vermag. Mocht het daartoe onder den zegen des Heeren nog eenmaal en, kan het zijn, zoo mogelijk spoedig komen. De ernst der tijden maakt dit noodzakelijk.

Een verderfelijke wedloop.
De vorige week deelden wij een en ander mede, van wat in het „Verslag" der Afdeelingen van de Tweede Kamer gezegd wordt over de verhouding tusschen Kerk en Staat. In dat staatsstuk komen vervolgens onder hetzelfde opschrift: K o s t e n  d e r  E e r e d i e n s t e n  ook nog enkele opmerkingen voor met betrekking tot de nieuwe predikantstractementen, welke door den Minister van Financiën op zijn begrooting voor het volgende jaar worden aangevraagd ten behoeve van de Nederduitsch Hervormde gemeenten te Erica, Maarn en Charlois.
Daarvan lezen wij:
„Opgemerkt werd, dat in principe de Ned. Hervormde Kerk zelve voor de zorgen van haar eeredienst heeft te staan. In den Raad van Beheer leeft het beginsel, dat uit de Centrale kas subsidie voor een predikantstractement kan worden gegeven, als de gemeente het zelf niet kan betalen. De vraag dient derhalve niet gesteld te worden — gelijk ten aanzien van de nieuwe predikantsplaats te Erica is geschied —, of de gemeente het tractement zelf niet kan betalen, doch, of de Ned. Hervormde Kerk niet bij machte is de onderhavige ƒ 1000.— bijeen te brengen. Volgens art. 6 van het Reglement op de predikantstractementen behoort de Raad van Beheer deze gemeente te helpen. Is het — vroeg men — de Regeering bekend, of in dezen de hulp van den Raad van Beheer is ingeroepen?
Ten aanzien van Charlois doet zich, naar men opmerkte, dezelfde vraag voor. De leden, hier aan het woord, konden in de voorgestelde Rijkssubsidiën, gezien de daarvan gegeven motiveering, niet anders zien dan een uiting van vrijgevigheid van het Rijk. Ten opzichte van Valthermond en Nieuw-Dordrecht, welke ook een aanvrage hadden ingediend, is een gelijke vrijgevigheid niet betracht. Er wordt, naar de hierbedoelde leden opmerkten, kennelijk niet volgens een vast stelsel te werk gegaan. Wordt het niet tijd — vroegen zij — dat deze zaak eens in haar geheelen omvang onder de oogen wordt gezien en dat een vast richtsnoer wordt aangenomen?!
Bij het lezen van deze opmerkingen in een officieel Kamerstuk, kunnen wij het onbehagelijk gevoel niet onderdrukken, dat wij krijgen als wij kennis nemen van het jaar aan jaar gebedel van de Ned. Herv. Kerk bij de regeering om de gelden voor een paar nieuwe predikantstractementen te mogen ontvangen. Wij vragen ons wel eens af, welken indruk zooiets moet maken op Kamerleden, die buiten de kringen van onze Kerk leven en die zoo aanstonds weer getuigen zullen zijn van een onverkwikkelijk debat, dat in de Kamer te dien aanzien staat te wachten. Bovendien heeft dat bedelen nog een zeer onaangenamen kant, waarop wij reeds meer malen de aandacht vestigden. Behalve, dat Minister de Geer op zijn begrooting voor 1927 gelden aanvraagt ten behoeve van nieuwe predikantsplaatsen voor de Ned. Hervormde gemeenten te Erica, Maarn en Charlois, worden door den Minister ook gelden uitgetrokken voor de tractementen van twee nieuwe Roomsch Katholieke geestelijken in de mijnstreek.
Het is hier de oude kwestie: de Nederl. Hervormde Kerk vraagt gelden aan de reeering ten behoeve van haren Eeredienst, waarvan het gevolg is, dat ook de R.K. Kerk daarvan voor hare priesters wil profiteeren. Dat de R.K. Kerk dit doet, kan men haar niet euvel duiden. Maar de Ned. Hervormden moesten wijzer zijn en het zoover niet laten komen, dat zij hun hand naar de regeering uitstrekken om een paar duizend gulden te ontvangen; daardoor zou de wedloop tusschen Protestanten en Katholieken worden voorkomen, een wedloop, welke dit jaar al een heel ernstig en ongezond karakter draagt. Men oordeele slechts uit hetgeen het Kamerverslag ook op dit punt verder mededeelt:
„Verscheidene leden, die er op wezen, dat op artikel 71 een bedrag van ƒ 1000 is uitgetrokken voor een nieuw te stichten predikantsplaats te Maarn, vestigden er de aandacht op, dat onder het naar Maarn overgeplaatste spoorwegpersoneel zich vele Katholieken bevinden. In verband daarmede spraken zij den wensch uit, dat ook een bedrag voor een R.-Katholiek geestelijke in die plaats zal worden uitgetrokken. Aangedrongen werd op het brengen op de begrooting van bedragen voor nieuwe pastoorsplaatsen te Barger Oosterveen en Munsterscheveld.
Voorts werd er de aandacht op gevestigd, dat de kapelaan te Barger Compascuum geheel ten laste van den pastoor komt. Men meende in verband daar mede te moeten verzoeken een bedrag van ƒ500.— op de begrooting te brengen, ten einde daarmede het tractement van den pastoor te verhoogen.
Ten slotte werd nog een bijdrage gevraagd voor een pastoor, die reeds eenige jaren te Almelo is gevestigd, doch nog nimmer eenig Rijkstractement heeft genoten, en voor den pastoor te Rothem (L.), waar een nieuwe parochie is gevestigd in verband met de aldaar steeds toenemende arbeidersbevolking.
Zie hier de wedloop tusschen Hervormden en Roomsch Katholieken op de Staatskas in zijn meest treurigen en verderfelijken vorm. Christelijk Historischen en Hervormd Gereformeerde Staatspartijers, onder aanvoering van ds. Lingbeek, loopen hier 't hardst om enkele guldens voor de Hervormde Kerk te bemachtigen. Echter die hier het hardst lachen zijn de Roomsch Katholieken, die zonder eenige moeite de vruchten in den schoot zien rollen.
Naast den dominee de pastoor, — dat is de kerkelijke politiek, welke van de regeering gevraagd wordt.
Wij hopen, dat, wanneer Minister de Geer op het verzoek van de Kamerleden ingaat, die zoo gaarne zouden zien dat de regeering eens de zaak der nieuwe predikantstractementen in haar geheelen omvang onder de aandacht nam, deze 't vaste richtsnoer zal volgen, dat onder geen enkele voorwaarde meer voor deze doeleinden nieuwe gelden zullen worden beschikbaar gesteld.
Een wedloop, als nu gezien wordt, is in strijd met de waardigheid der Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's