KERKELIJKE RONDSCHOUW
Ter overname aangeboden.
In „Kerk en Volk", het Weekblad voor Vrijzinnige Hervormden, wordt — natuurlijk - met blijdschap meegedeeld, dat in B l a n k e n h a m (Overijssel) dat de laatste tientallen van jaren orthodox was, nu de meerderheid modern is, wat de stembusmeerderheid betreft.
Om te juichen. Maar dan wordt er bijgevoegd: „Doch de predikant is orthodox en daar zit de gemeente dus mee „.opgescheept". Dat is een beetje onvriendelijk tegenover den predikant natuurlijk. Bovendien is het nog de vraag of de g e m e e n t e er mee „opgescheept" zit. Wel de vrijzinnige stembusjagers, maar ook de g e m e e n t e?
Doch dan wordt het nog „onvriendelijker", haast „grof". Want dan gaat men den predikant „ter overname aanbieden".
Want men schrijft er dit nog bij:
„Welke vrijzinnige gemeente, die aan de orthodoxie een predikantsplaats afstaat, wil bij gelegenheid van een (orthod.) vacature eens denken aan Blankenham's orthodoxen predikant? Of aan de orthodoxe predikanten van vrijzinnige gemeenten als: Boyl (Fr.), Zuidwolde (Dr.), Neijhorne (Fr.) enz.? De beroeping van een dezer predikanten zou uwe „verdraagzaamheid" laten wat het is — maar zou tevens aan een vrijzinnige gemeente een vrijzinnige Evangelieverkondiging kunnen verschaffen!"
Er staan dus een paar orthodoxe predikanten „te koop"; ze zijn „ter overname aangeboden". Als men nu toch bezig is om over te nemen, zouden er dan niet een paar vrijzinnige gemeenten zoo vriendelijk willen zijn, om zich te ontfermen over den vrijzinnigen predikant van Sliedrecht, van Stolwijk en van Boskoop? Boskoop b.v. is nu 80 a 90 jaar modern geweest. Nu is het orthodox. Zou men nu niet eens mee willen werken dat er spoedig een rechtzinnig predikant kwam? Als men dus toch aan het versjacheren van dominé's beginnen wil van vrijzinnige zijde, laat men dan ook eens denken aan genoemde vrijzinnige predikanten. 't Gaat dan in één moeite door.
De Vroegdoop
Naar aanleiding van een gesprek over den Doop, willen we hier iets zeggen over den „vroegdoop". Zooals men weet, hebben onze Vaderen er nog al op aangedrongen dat het Sacrament van den Heiligen Doop niet onnoodig zou worden uitgesteld, als er een kind geboren was. Door reactie tegen de practijken van Rome was men er in het midden van de Gereformeerde Kerk toe gekomen om de spreuk in toepassing te brengen: haast u langzaam. Om het Roomsche bijgeloof te bestrijden kwam men er toe den Doop soms weken en weken uit te stellen. Waarbij aan den anderen kant de gevaarlijke practijken van de Wederdoopers waren, die leerden, dat de kinderen heelemaal niet moeten worden gedoopt, omdat men het verbond Gods losliet en alleen zag op het geloof van den doopeling; wat dus den Kinderdoop deed veroordeelen, om den Doop der volwassenenaan te prijzen.
Het gevaar was dus niet denkbeeldig, dat onze Gereformeerde gezinnen, uit vrees voor Roomsche practijken, afzakten naar de Doopersche practijken en den Doop al maar uitstelden.
Dat deed onze Vaderen besluiten op onderscheidene Synoden deze zaak aan de orde te stellen en b.v. op de Synode van Dordrecht 1574 werd (art. 57) bepaald: „het verbond Gods zal aan de kinderen zoo haast als men den Christelijken Doop bekomen kan, met den Doop verzegeld worden",
't Was dus, opdat het verbond Gods aan het kind zou worden verzegeld — en daar mocht men niet onnoodig mee talmen.
Ook de vraag: of men op de moeder wachten moest, werd toen behandeld en er werd besloten, dat het wachten op het herstel van de moeder geen oorzaak mocht wezen, om den Doop al maar uit te stellen. Wilde het dus met het herstel van de moeder niet vlotten, dan moest toch 't kind gedoopt worden, evenals wanneer b.v. de vader op zee was; ook dan mocht de Doop maar niet altijd weer uitgesteld worden.
Onze Gereformeerde Vaderen waren er dus n i e t voor, dat de Doop zoo haastig mogelijk geschieden zou. Wèl dat de Doop niet noodeloos zou worden uitgesteld. Rome leerde daarbij: dat de wedergeboorte door den Doop gewerkt wordt; onze Gereformeerde Vaderen geloofden daar niets van, hoewel onze Nederl. Geloofsbelijdenis hieromtrent nog altijd een wonderlijke formuleering bevat. Onze Gereformeerde Vaderen geloofden en beleden, dat de kinderen der geloovigen in het verbond der genade begrepen waren van de geboorte af, en daarom hadden ze dus ook aanstonds recht het teeken van dat verbond te ontvangen.
De Dordtsche Synode van 1618—'19 heeft dan ook — vooral omdat het lang uitstellen in de lijn van de Dooperschen lag — bepaald: dat de Doop zou plaats hebben z o o h a a s t m e n d e b e d i e n i n g d e s z e l v e n h e b b e n k a n.
Nu is het vooral de laatste jaren weer een twistvraag geweest (vooral in de Gereformeerde Kerken, die uit de Doleantie zijn voortgekomen) of de moeder er bij moet zijn, als het kind gedoopt wordt, of dat men het maar den eersten den besten Zondag doen moet, als de moeder dus onmogelijk mee ter kerke kan gaan. Vooral ,,de leer van Kuyper", zegt men, heeft dat laatste geforceerd; zoodat een kind, dat Vrijdag of Zaterdag geboren is, des Zondags gedoopt werd.
Mannen als dr. Kuyper en dr. Rutgers Hëbbert dien „vroegdoop" zeker bevorderd. Dr. Kuyper heeft in dit verband het wel voorgesteld, dat het laten optreden der moeder bij den Doop de Sacramentsverwoesting in de gemeente ingebracht heeft. (E Voto III, 63).
Gelukkig heeft dr. Kuyper later een anderen toon doen hooren en gezegd: „betreurd moet worden dat sommigen een actie tegen de moeder drijven als ware het opkomen van de moeder een soort Doopbederf". (Onze Eeredienst). En dr. Rutgers heeft in zijn „Adviezen" duidelijk uitgesproken, dat hij in een uitstel van twee a drie weken van den Doop geen geringschatting van den Doop kon zien, wanneer het hierbij om de tegenwoordigheid der moeder te doen was". (Adviezen, II, 22).
Jammer dat dr. Kuyper en dr. Rutgers niet d a d e 1 ij k en a l t ij d zoo gesproken hebben. Want nu „kankert" die zaak altijd nog, voort; en niet velen willen als een wet van Meden en Perzen, dat de Doop op den eersten Zondag na de geboorte zal geschieden, terwijl men op de Synode der Gereformeerde Kerken, in 1908 te Amsterdam gehouden, gevraagd heeft dat dan voor „heel de Gereformeerde Kerk van Nederland" vast te stellen. Gelukkig is de Synode op een dergelijk dwaas verzoek niet ingegaan.
Voor ons is die vroegdoop in geen enkel opzicht begeerlijk, hoewel wij zelf „op den eersten Zondag na de geboorte" gedoopt zijn. Hierom begeeren we den vroegdoop niet; omdat het bij den Doop niet alleen om den vader, maar ook om de moeder gaat, dat hun kind, als behoorend tot het verbond, het teeken van dat Godsverbond ontvangt. Zou de moeder daarvan geen getuige willen en mogen zijn? Natuurlijk wel.
Waarbij bovendien komt, dat het bij den Doop óók gaat om de opvoeding van het kind. En dan mag er bij den Doop geëischt worden een zoo groot mogelijke waarborg, dat de opvoeding zal geschieden naar den eisch van Gods Woord en Zijn verbond; waartoe óók de moeder natuurlijk getuigenis behoort af te leggen, het bevestigend met een heiligen eed, die uit haar mond uitgaat.
Vader en moeder en kind behooren bij den Doop tegenwoordig te zijn. Dat heilig snoer dient niet gebroken. Gelijk het in huis, gelijk het in de opvoeding behoort te wezen. En daarom moeten allerlei gekke, overdreven, onnatuurlijke dingen van de erve van 's Heeren Kerk verdreven worden en moeten we ons getrouwelijk voegen tot de gewone, natuurlijke dingen, waarbij het geestelijke, het goddelijke dan 't heerlijkst uitschittert.
Protesten-ziekte.
Wij kunnen het niet verhelpen, maar nu gaan we, nu we voor de zooveelste maal van een „protest" lezen, dat vanuit de Hervormde gemeente te Delft naar de hoogere Besturen is verzonden, denken aan een protesten-ziekte. En elke ziekte is een ongezonde afwijking. Daarom zouden we willen vragen, nu er door heel kerkelijk Nederland over die ziekte gesproken wordt, is er geen geneesmiddel? Zou men met al dat protesteeren niet kunnen eindigen? Het maakt zoo'n onaangenamen indruk; het doet onwillekeurig denken aan wraak en klein-gedoe. En voorts, laat men overal zorgen, dat het verkiezingswerk zoo goed mogelijk in orde is. Waarbij men, vooral in de stad, het mogelijke moet eischen, maar het onmogelijke niet. Het „plagen" in deze moeten we veroordeelen; onverschillig van welken kant het komt.
Ons laatste Nummer.
Onvergankelijke vergankelijkheid. Onveranderlijke veranderlijkheid. 't Blijft maar voortgaan: wat is een jaar? Niets! We vliegen daar heen. Alles is kort van duur. Vergankelijk. De boomen staan kaal; al de bladertooi is weg. „Hoe zinken ze, altemaal, die eer zoo groene waren, te grondewaard" — zong Guido Gezeile. En verder: „'t Ligt al omneêr, dat eertijds aan de hoven gaf dat heerlijk schoon, dat schaduwvol, dat frissche loof". „De wegen liggen vol, en in de velden gaan de treden nu, eilaas! op dorre, doode blaên; geen groeite meer, geen frissche, geen gezonde macht van leven, die in 't lenteloof u tegenlacht; maar arm en onbeholpen, vol ellenden groot, ligt alles, dat toen leefde, nu in stervensnood. Het weent, het zucht, ontzenuwd en ten val bereid, in d' oude en onvergankelijke alvergank'lijkheid".
Vergankelijk. Onvergankelijke alvergank'iijkheid.
Ook voor ons Bondsleven weer een jaar voorbij. Maar — als de bladeren vallen, zijn de vruchten geplukt. Als de boomen kaal staan, komt de winter; en als de winter komt gaat de profetie van de lente en de aankondiging van den zomer uit. En zoo is er voortgang. Zoo is er vrucht. Zoo is er blijvende arbeid.
Op het laatste Nummer volgt straks het eerste Nummer weer.
Opdat het eerste Nummer weer het laatste worde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's