FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
Hoofdstuk 1.
WILLEM's DOFFER.
Wij moeten te Grijsdorp in de smederij van baas Zeelman zijn. Zij stond in de kom van het dorp, dicht bij de oude Hervormde Kerk; tegenover haar was het Gemeentehuis, en ook een herberg (want deze twee behoorden vroeger in de dorpen altijd bij elkander). Iets verder stond de school en meesters woning, links van de smederij de bakkerij van Smals, eenige winkels, en enkele huizen, en rechts grensde Zeelman's tuin aan dien van de pastorie. De straat was daar zeer breed, haast een plein; enkele malen in het jaar werd er dan ook markt gehouden.
Vóór de smederij stonden twee oude lindeboomen, die hoefstal, karren, ploegen en alles wat er meer onder stond, overschaduwden. Ook de menschen, klein en groot, die er dikwerf vertoefden.
Aleer dan eens heb ik opgemerkt dat een smederij, ten minste een dorpssmederij, voor velen eene bijzondere aantrekkingskracht schijnt te hebben. Waarom dat zoo is, kan ik niet verklaren. Wat trekt aan: het slaan op het aanbeeld, het spatten der vonken, het beslaan der paarden en vooral der zenuwachtige en ietwat ondeugende paarden, die vruchtelooze pogingen doen om den hoefstal uit te komen als de smid nieuwe ijzers onder de hoeven slaat, of het leggen van een ijzeren hoepel om een nieuw wagenrad, het in elkander zetten van een ijzeren stoephek, het repareeren van landbouw werktuigen of van oude kachels, het slijpen van gereedschappen op den grooten slijpsteen? — Ik weet het niet, maar het is een feit, ten minste vroeger was het zoo in menig dorp.
Ook te Grijsdorp.
In en bij den hoefstal, onder de lindeboomen was bijna altijd volk; oude mannen die niet meer werken konden, leegloopers die niet werken wilden en arbeiders, die geen werk hadden, bespraken daar het dagelijksch nieuws; de schooljeugd speelde ook graag in den hoefstal, en 's avonds verzamelde zich daar ook de rijpere jeugd. Er werd van alles verhandeld, maar in den regel niet veel goeds.
Zoo had dan de smid gewoonlijk veel bezoek, al was 't dan niet altijd van klanten, of liever zijn werk had veel bekijks. Als zij hem en zijn twee knechten maar niet hinderden in het werk, liet hij dat natuurlijk toe. Trouwens zulk een oude gewoonte kon hij ook niet veranderen: de straat is immers publiek eigendom?
Er waren meer plaatsen te Grijsdorp, waar het volk zich verzamelde, maar de straat vóór de smederij was de meest gewilde en daarom de drukst bezochte.
Evenwel in den zomermorgen, waarin dit verhaal begint, was het er stil, geen mensch was er te zien en de smederij was nog gesloten.
Het is nog zeer vroeg in den morgen en als gij den smid wilt zien, moet gij niet voor zijn huis, maar er achter zijn, in den tuin. De zon deed daar al haar best alles met licht en warmte te vullen. De musschen en spreeuwen die onder de pannen nestelden, waren reeds druk bezig hun jongen voedsel te brengen, de kippen liepen ongeduldig de ren op en neer en de duiven waren ook reeds lang wakker, vlogen haar til uit en in en trippelden tot aan de achterdeur, wachtende op den smid, die ze elken morgen kwam voeden.
Dat was een liefhebberij van den baas. Hij hield veel van zijn duiven en kippen en het was zijn vaste gewoonte 's morgens vóór hij aan 't werk ging een poos in den tuin te zijn om voor hen te zorgen.
Duiven waren er altijd bij de smederij geweest; niet als de menschen vóór de smederij, want zij hielden niet van 't spatten der vonken en de mokerslagen op het aanbeeld, maar achter in den tuin, in de oude duiventil waarin zij nestelden. Zij vlogen op het kerkdak, op dat der pastorie of van het gemeentehuis om zich te koesteren in de zon, maar 's morgens was hun eerste bezoek bij de achterdeur. Zeelman kwam er reeds uit met het bekende voederbakje in zijn hand, gaf eerst den kippen haar deel en strooide dan voor de duiven uit onder den lindeboom. Want ook hier stond een dergelijke boom met een bank er onder.
De duiven kenden hem, zij vlogen tot op zijn schouders en armen, konden haast niet wachten tot hij het voor haar op den grond wierp, en als hij op de bank ging zitten, kwamen zij zelfs bij hem om het voedsel uit zijn hand te pikken. De baas floot, want hij miste er nog en vooral één, de oudste en makste van allen, die ook bevoorrecht werd boven de anderen. Maar deze kwam niet.
Toen de vogels hun voedsel op hadden en al weer wegvlogen, ging de smid den tuin in en vond niet ver van de til een doode duif in het rozenperkje liggen. Het was Willem's doffer, wit met licht blauwe vleugels, een meeuwtje.
Met een doode duif in zijn hand stond hij daar in den zonneschijn alsof hij een slag had gekregen; zuchtend ging hij terug, zette zich op de bank en legde de duif naast zich.
Het scheen wel dat droeve gedachten in hem opkwamen, want de sterke man, die nog in de kracht van zijn leven was, zag er werkelijk bedrukt en somber uit. Hij was in de laatste jaren vooral sinds de oudste zoon Willem gestorven was, nooit opgewekt en vroolijk, altijd wat triestig en stil, maar nu wel in 't bizonder.
Hij vergat het werk, bleef maar zitten peinzen en op den grond staren, tot zijn vrouw door het open keukenraam riep:
„Scheelt er wat aan, Kobus?" Zij liep naar buiten en kwam bij hem. Toen kreeg zij antwoord, de baas nam de duif in zijn hand en zei: „Willem's doffer is dood".
„Och heden! Dat spijt mij; hoe is zoo gekomen?"
„Van ouderdom, denk ik, hij was oud. Hoe lang is het al geleden dat ik hem voor Willem meebracht?"
Vrouw Zeelman was intusschen naast haar man op de bank gaan zitten; ook zij werd stil en scheen droevig gestemd. Zij was ouder dan de smid en kleiner bij den grooten man vergeleken.
Zoo zaten zij daar samen alsof zij niets te doen hadden; zij hoorden de merel niet fluiten in dominé's tuin, zij zagen de bloeiende rozen niet, door de morgenzon bestraaald. Een paar duiven kwamen nog eens terug. Of de baas soms nog wat voor haar had, want zij waren niet gewoon dat hij zoo lang bleef. Maar het echtpaar onder denlindeboom merkte het niet. Zij zagen niets van wat rondom hen was, zij zagen terug naar hetgeen achter hen was, en men kon het aan hen zien, het was niet met blijmoedigheid.
Vrouw Zeelman legde haar hand op haar mans arm en zei zacht: „Wij moeten niet alleen terug, maar ook naar boven zien Kobus."
„Ik zie naar binnen, Lies, " antwoordde de smid.
,, Als ik niet naar boven zie, wordt het me te bang. Daar alleen is licht, en dat heb ik noodig, want het is donker geworden in ons leven, Kobus, veel anders dan vroeger. Willem is dood, en Anna zullen wij ook missen moeten.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's