GEESTELIJKE OPBOUW
Het duizendjarig rijk (2)
Het duizendjarig Rijk. (2)
Het is den mensch — door schepping paradijskind zijnde, maar door de zonde een zwerver op een vervloekte aarde — eigen, om over de toekomst droomen te droomen, waarbij menigeen bewijst wel van de dingen te weten, maar helaas! de dingen toch niet op de rechte wijze te verstaan.
Het is vooral het oude volk van Israël, dat zich bezig hield met de toekomstgedachten. Dat volk, uit Abraham gesproten, dat de Heere de geschiedenis maken zou en het stond bij het Joodsche volk vast dat er zich een toekomst zou ontsluiten voor Gods volk, welke toekomst vol heerlijkheid zou wezen.
Voor die toekomstverwachtingen was goede grond, want de Heere had aan Zijn volk heerlijke dingen toegezegd. Maar — we weten óók, dat, hoe heerlijk die toekomst was voor Gods bondsvolk — gelijk de toekomst voor het ware, geestelijke Israël nóg heerlijk is! — de Joden die toekomstverwachtingen zoo dikwijls v l e e s c h e l ij k hebben gekoesterd en niet geestelijk hebben betracht.
En uit het vleeschelijk maken van de geestelijke dingen is ook bij de Joden de voorstelling van een duizendjarig vrederijk op aarde gegroeid. Laat ons die vleeschelijke ontwikkeling van de geestelijke dingen, in verband met toekomstverwachtingen van Oud-Israël even nagaan.
Israël wist, dat alles door de zonde was verwoest, dat het uitnemendste van het leven moeite en verdriet is en dat alles zal uitloopen op het groote oordeel Gods, gaande over alle menschen.
Daarbij was geen hoop voor eenig schepsel want geen mensch was rechtvaardig voor God. Maar nu was er het verbond Gods met Israël; welk verbond de Heere met Abraham gesloten had, om het aan zijn zaad te bevestigen van kind tot kind, van geslacht tot geslacht. In de lijn van dat verbond Gods ligt het uitzicht voor Israël op de toekomst. De Heere toch zal Zijn volk niet verlaten; Hij zal niet laten varen wat Zijn hand begon.
Ja, de Heere, Jehova, zal de zonden Zijns volks bezoeken. De geschiedenis is van Zijn oordeelen en straffen vol. Maar na een kleinen tijd van toorn wordt Zijn barmhartigheid telkens openbaar. De God des eeds en des verbonds laat Zijn volk niet los, ook zelfs niet als de ondergang nabij is en verdiend.
Aan Davids huis beloofde de Heere immers, dat het bestendig zal zijn en dat zijn stoel vast zal staan tot in eeuwigheid. En ja, de Heere kwam Zijn volk kastijden; Hij wam het geven in de handen der heidenen; Hij verstrooide Zijn erve onder vreemde volkeren; maar, als de Heere hen kastijdt, kastijdt Hij hen met mate en Zijn berouw zal in Hem weer worden ontstoken. Hij gedenkt Zijn verbond en Hij zal Zijn volk verlossen, niet om Israels wil, maar om Zijns Naams wil, om Zijn roem onder de Heidenen groot te maken.
De profeten spreken daarvan. Vooral in dagen van benauwdheid strooien zij hun vurige prediking uit onder het volk en in gloeiende beelden en vlammende woorden schilderen zij een toekomst van heerlijkheid en vree, waarbij de jood helaas! maar al te dikwijls slechts aan aardsche zegeningen dacht, geheel voorbij ziende, dat het aardsche en stoffelijke in deze geestelijke beteekenis had.
Iedere Bijbellezer weet wel, hoe de gangbare voorstelling der Profeten inzake Israëls toekomst was:
Israël zal onder den vredevorst uit Davids huis in veiligheid wonen (Hosea 3). Oorlog zal er niet meer zijn, boog en schild verbroken; paarden en wagenen weggedaan; vestingen vernield; zwaarden tot spaden en spiesen tot sikkelen geslagen en allen zullen neerzitten onder hun wijnstok en vijgeboom. Het land zal eene buitengewone vruchtbaarheid ontvangen, zoodat de bergen van zoeten wijn druipen en de heuvelen van melk vlieten; eene fontein, uitgaande uit het huis des Heeren zal het dorre land bevochtigen en de woestijn in een Eden herscheppen; het boos gedierte zal verdreven worden, vijanden zullen den oogst niet meer rooven en alle geboomte zal overvloedig vruchten dragen. Er zal zelfs een groote omkeer in heel de natuur plaats hebben; de dieren ontvangen een anderen aard: de wolf zal met het lam verkeeren en de luipaard bij den geitenbok neerliggen; de koe en de berin zullen tezamen weiden en een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder. De hemel en de aarde zullen vernieuwd worden en de vorige dingen niet meer gedacht. De zon en de maan worden veranderd; het licht der maan wordt als de zon en het licht der zon wordt zevenvoudig versterkt; ja, zon en maan houden op, het wordt een éénige dag, want de Heere zal zijn tot een eeuwig licht.
Palestina zal dan vol menschen zijn; het zaad der kinderen Israels zal zijn als het zand aan den oever der zee en vooral Davids huis en het geslacht der Levieten zal vermeerderd worden. Jeruzalem zal worden uitgebreid. De verstrooide Israëlieten zullen allen haastig wederkeeren; ja, Jesaja teekent ons, dat de Heidenen de in hun midden achtergebleven Joden in wagenen en draagstoelen, met paarden, muildieren en snelle loopers, naar Jeruzalem zullen brengen, zoodra de stem van de boodschappers zal worden gehoord. (Jes. 66: 19, 20). Ook zullen dan de verslagen Israëlieten uit den dood opstaan, om te deelen in de heerlijkheid des volks. (Jes. 26: 19; Dan. 12: 2).
De burgers van het rijk der heerlijkheid zullen dan een hoogen ouderdom bereiken. Wie sterft als knaap zal toch nog honderd jaar oud worden en die op honderdjarigen leeftijd sterft zal geacht worden om zijne zonde door een vloek te zijn getroffen en daarom zoo vroeg te zijn gestorven. (Jes. 65 : 20; Zach. 8 : 4, 5).
Ook zal er geen ziekte meer wezen en geen rouw noch gekrijt. Ja, de Heere zal den dood vernietigen en verslinden tot overwinning. De Heerscher Israels zal groot zijn tot aan de einden der aarde; Ethiopië zal den Heere geschenken brengen in Sion; Egyptenaren en Assyriërs zullen Hem dienen; en allen volken zal de Heere op Sion een vetten maaltijd bereiden, het huis des Heeren zal een bedehuis zijn voor alle volken; allen zullen daar offers brengen, den Heere aanbidden en naar Zijnen Naam zich noemen.
De Israëlieten zullen zich als priesters geven aan den dienst des Heeren en de Heidenen zullen Israels kudde weiden en zijne akkers bouwen.
De Heidenen zullen tot Jeruzalem gaan en zullen zeggen: laat ons heengaan, om te smeeken het aangezicht des Heeren; en tien mannen zullen de slip van een Joodschen man grijpen en met hem willen gaan, omdat God met hem is. — In deze en dergelijke taal spreken de profeten Jesaja, Hosea, Daniël, Ezechiël, Zacharia.
Doch — ieder goed onderlegd Bijbellezer weet aanstonds, dat dit niets zegt van een soort duizendjarig vrederijk op aarde, daar het alles in heerlijk perspectief voor het geestelijk Israël — niet voor het aardsche Israël — spreekt van den opbouw en uitbouw van den geestelijken tempel, die uit levende steenen zal worden opgetrokken door alle tijden heen tot een geestelijk huis, Gode tot eere! Nooit anders is er dan bedoeld, dan dat uit Israël een geestelijk Koninkrijk zal worden gebouwd in Christus, den grooten Zoon van David, tot welk geestelijk Sion uit alle natiën en landen zullen worden toevergaderd in den weg van Gods Geest en Woord.
Geest en Woord. In die richting wijzen der profeten woorden, met aardsche beelden geestelijke dingen predikend; met uitzicht voor Gods volk, het ware Israël, op een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; waarop ook doelt de dichter van Ps. 72, als hij zingt:
De bergen zullen vrede dragen,
De heuvels heilig recht;
Hij zal hun vroolijk op doen dagen
Het heil, hun toegezegd,
't Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door Zijnen arm gerukt;
Hij zal nooddruftigen bevrijden;
Verbrijz'len wie verdrukt.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's