Rondom Groen van Prinsterer.
Rondom Groen van Prinsterer
II.
Wonderlijke tijd was 't, toen Oranje moest vluchten en de Franschen hier den mooien mijnheer speelden. Nederlanders dankten God, dat het nu geukkig eindelijk zoover gekomen was! En wie nog sprak van de dagen van ouds, van Prins Willem en Maurits, van de Ruyter, Cats en Rembrandt, om te beweren dat het toen toch dagen van roem, rijkdom, voorspoed waren, die kreeg lieflijke woorlen naar z'n hoofd als „ontaard Bataaf", aristocratisch monsterdier", „verachtelijke --aal" enz.
't Was nu de tijd, dat het Volk eindelijk z'n rechten verkreeg waarop het als volk aanspraak mocht maken. Vroeger was het slavernij geweest. En toen men, de slaverlij moede, Filips van Spanje afzwoer, en den republikeinsche constitutie begeerde, had men 't volk grafelijke ketenen aangelegd, met een weinig verguldsel van vrijleid belegd, en listige stadhouders en eerzuchtige geslachten hadden de slavernij vernieuwd en vermeerderd. Maar nu, na verloop van twee eeuwen, was het rijk van Aristocratie en Despotisme ten einde, de banieren der Fransche vrijheid drongen door tot aan de uitgangen van den Rijn. De ketenen waren afgevallen van de handen en de voeten des volks; het land was vrij en Neêrlands natie, de dappere zonen der Bataven, ademden in de zalige lucht der vrijheid.
„Thans" — zoo klonk het van katheder en kansel — „thans, oppermachtige, vrije Bataven, treedt gij volkomen in de uitoefening uwer onvervreemdbare en onverdeelde rechten". Het was nu de roeping van de redenaars om het volk „op te voeren tot die hoogte van eigenwaarde, waarop een volk moet geplaatst zijn, wanneer het zijn oppermachtige rechten ten volle gaat uitoefenen".
Oppermachtige rechten. Niemand heeft toch het recht om een mensch tot iets te verplichten! Geen graaf, geen stadhouder, geen koning, geen rechter, ja, G o d niet Dat laatste zei men er wel niet altijd bij, want men wist wel, dat er onder het Nederlandsche volk altijd nog heel wat menschen waren, die bij het hooren van zulke godslasteriijke taal opschrikken.
Maar ......... graven, stadhouders, rechters hadden toch geen macht om het volk van zijn rechten te „berooven". De mensch is eigen rechter, eigen wetgever, eigen koning ..........!
Dat ging er in! En Oranje was weg nu. De Franschen waren hier om ons te helpen. Zou men niet juichen?
Nu bestaat echter 't gevaar, dat voelde men, dat de menschen, als ze allemaal wetgever en rechter en koning willen zijn, met elkaar in botsing komen en dat het een groote Jan-boel wordt.
Dus moest er dan toch een wetgever, een koning komen? Neen, dat niet.
Maar nu leerde men, dat de menschen, uit kracht van hun oppermachtige hoogheid, met elkaar moesten overleggen, om met elkaar regelen te stellen en met elkaar zich aan die vastgestelde wetten te onderwerpen.
De kwestie van het g e z a g dus — —
Het volk moest vrij zijn en oppermachtige rechten hebben. En dan moest men met elkaar een „maatschappelijk verdrag" sluiten. Die dat V e r d r a g met elkaar sloten, vormden een v o l k. Dat volk kiest dan mannen, die de aangenomen wetten moeten u i t v o e r e n. Deze uitvoerders vormen dan niet „de Overheid" — dat woord is uit de oude doos. Neen, die „uitvoerders" zijn eenvoudig de l a s t h e b b e r s van 't souvereine volk met z'n oppermachtige rechten. Die lasthebbers zijn dan aan hetvolk verantwoording schuldig enz.
V o l k s s o u v e r e i n i t e i t was het mode-woord. Het C o n t r a t s o c i a l of maatschappelijk verdrag, onderling gesloten, was de hoeksteen van het moderne leven. Juist het omgekeerde dus van wat de Bijbel leert. God zegt daar: „Door Mij regeeren de Koningen".
Maar in 1795 zei het volk: Dat moet een vergissing zijn; dat zou een aanranden wezen van onze oppermachtige, vrije rechten; koningen dulden we niet meer; regeeren doen ze niet meer; en zij, die ons besturen, staan o n d e r ons. W ij kiezen ze; w ij zetten ze af; door o n s zijn ze, om te zijn o n z e lasthebbers, mandatarissen van het volk!
God zegt: „Alle ziel zij den machten over haar gesteld onderdanig". Het volk antwoordde: Pardon, er z ij n geen machten over ons gesteld. Die over ons staan, hebben wij zelf aangesteld en zij moeten dus óns onderdanig zijn.
God zegt: Ik ben uw Wetgever, uw Rechter, uw Koning. Het volk antwoordde: „Toch niet — wij zijn onze e i g e n wetgevers. W ij maken onze eigen wetten. Wat wij met meerderheid van stemmen besluiten, dát zal wet zijn; en dan zoolang als w ij wenschen".
Zóó werd dus de orde, die God Zelf instelde, radicaal omgekeerd. D i e omkeering nu noemt men De Revolutie. De mensch z'n eigen wetgever, rechter, koning. Geen God, geen meester. Ni Dieu, ni maitre.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's