KERKELIJKE RONDSCHOUW
Het lezen der Wet.
Prof. Grosheide, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, schrijft een stukje over h e t l e z e n v a n d e W e t, waaraan we gaarne een en ander ontleenen voor een artikel onzerzijds.
Het is gelukkig nog veelal de gewoonte onder ons, dat in de godsdienstoefening de Wet des Heeren gelezen wordt, en dan bijna altijd des morgens. Wij, althans, hebben het nog nooit aangetroffen, dat de Wet des avonds werd gelezen. Toch wordt er wel eens verschil in opvatting in deze gevonden. Men voelt er dan voor om 's morgens de Apostolische geloofsbelijdenis te lezen — de 12 Artikelen — en 's avonds wil men dan de 10 geboden doen hooren. Waarom? Men oordeelt, dat zóó dan beter uitkomt, dat de wet der tien geboden — zie ook de behandeling in den Heidelb. Catechismus in het 3de deel, bij het stuk der d a n k b a a r h e i d — ons gegeven is als regel des nieuwen levens, om in dien weg den Heere uit dankbaarheid te dienen. Als 's morgens dan door de gemeente des Heeren haar geloof wordt uitgesproken in de Apostolische geloofsbelijdenis, hoort de Gemeente des avonds in de Wet wat haar te doen staat, om God te eeren in den weg des nieuwen levens.
Dit is waarlijk geen nieuwe kwestie en onder de Gereformeerden van ouds reeds behandeld. Het verschil is dan, als de Wet 's morgens gelezen wordt, dat zij meer wordt genomen als kenbron voor onze ellende; „door de Wet is de kennis der zonde"; terwijl de Wet, 's avonds gelezen, de regel der dankbaarheid is. Voor beide is zeker, op grond van Gods Woord en in aansluiting aan onze gereformeerde waarheid, iets te zeggen.
Een andere „kwestie" is, of na het lezen van de Wet der 10 geboden gelezen moet worden Matth. 22 vers 37 —40 — waar Jezus Zelf de hoofdsom van de Wet in het kort weergeeft — of dat zulks niet noodig is. Velen onder ons begeeren dat het gebeurt, vooral omdat op die manier uitkomt, dat de Wet zoowel regel der dankbaarheid is, als wel tuchtmeester tot Christus, ons brengend tot kennis van ellende.
Hoewel wij het zelf nooit gewoon zijn geweest, om Matth. 22 vers 37—40 te lezen of te laten lezen na de Wet, noch ook, om de Wet 's middags of 's avonds te laten lezen, maar altijd 's morgens — zoo willen we wel bekennen, dat het ons volstrekt niet ergert, als anderen het wél doen. Integendeel. Ten eerste voelen we veel voor gepaste vrijheid en variatie in de liturgie. Waarom starre eenvormigheid? (Hoewel geen grillige zucht om telkens weer iets anders te geven, waarbij de wispelturigheid een rol gaat spelen!) En dan: zit in de beschouwing, dat de Wet regel der dankbaarheid is, niet een oude, beproefde gereformeerde waarheid? Terwijl toch moeilijk bezwaar kan worden ingebracht tegen het lezen van de korte samenvatting der Wet ons door Jezus Zelf gegeven?
Dan doet zich ook de vraag voor: „Moet, wanneer de Wet gelezen wordt, ook Exodus 1 vers 1 worden gelezen?" Dus: moet óók worden gezegd door den voorlezer (of predikant): „toen sprak God alle deze woorden"?
De een zegt: die woorden behooren niet tot de Wet. En dat is waar. God komt in de Wet zelve tot de gemeente en daarom — zoo zegt men dan — kunnen alle woorden ter inleiding weggelaten worden. Het gaat om de geboden, niet om wat in vers één van Exodus 20 staat. Anderen zijn er weer vóór, dat deze woorden ter inleiding gelezen worden.
En we zouden willen vragen: waarom zou men ze niet lezen. Ze behooren wel niet direct tot de Wet; dat is waar. Maar het doet, met woorden die in de Schrift er onmiddellijk aan vooraf gaan, zoo duidelijk uitkomen, dat de mensch, die de Wet voorleest, dat doet, omdat God Zelf die Wet gegeven heeft. En dat mag nog wel eens herinnerd worden in het midden van de gemeente.
A l z o o z e g t d e H e e r e dat zeiden de profeten ook bij voorkeur er bij, als ze hun woorden deden hooren. Daarom is het zeker niet verkeerd, als de voorlezer óók Exodus 20 vers 1 leest: T o e n s p r a k G o d a l l e d e z e w o o r d e n, zeggende: Ik ben de Heere, uw God, enz.
Zingen na het lezen van de.Wet.
Wij zelf zijn het niet gewoon te doen. Maar hier en daar vindt men het toch wel onder ons, dat na het voorlezen van de Wet des Heeren, gezongen wordt door de gemeente: Och, of wij Uw geboon volbrachten! Gena! o hoogste Majesteit! Gun, door 't geloof in Christus, krachten, om die te doen uit dankbaarheid.
Nu vraagt men ons: is dat goed of niet goed?
Zooals we reeds opmerkten: wij zelf zijn het nooit gewoon geweest te laten zingen; dus ook dat laatste vers uit „De tien geboden" achter de Psalmen. Maar met Psalm 119 vers 15 en 16 voor ons — we doen maar een greep — waar we lezen: „Ik zal Uwe bevelen overdenken en op Uwe paden letten. Ik zal mijzelven vermaken in Uwe inzettingen, Uw Woord zal ik niet vergeten" — zouden we zeggen: zoo'n bede der gemeente na het lezen van de Wet kan geen kwaad!
Of we dan onze zaligheid moeten zoeken in het doen van de Wet?
Natuurlijk niet Christus moet onze zaligheid zijn; Hij alleen en Hij volkomen. Maar onze Catechismus spreekt zoo uitvoerig en zoo mooi en zoo Schriftuurlijk over „opdat we met ons gansche leven Gode dankbaarheid voor Zijne weldaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde: daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij; en dat door onzen godzaligen wandel onze naaste ook voor Christus gewonnen worde" enz. (Zondag 33).
Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden? Neen, geenszins! Ook de allerheiligsten, zoolang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid. En dus dan maar niet zingen: Och ! of wij Uw geboon volbrachten? Dan komt de Catechismus met het antwoord. Want daar staat: „doch alzóó hebben de geloovigen dat kleine beginsel van deze gehoorzaamheid, dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven".
Is dat Gereformeerd? Of is het een Remonstrantsche leer? De dichter van Psalm 25 geeft voor Gods kinderen antwoord:
Heer, ai ! maak mij Uwe wegen. Door Uw Woord en Geest bekend — leer ijv'rig mij Uw wet betrachten, Want Gij zijt mijn heil, o Heer! 'kBlijf U al den dag verwachten.
De volheid des tijds.
Het is voor ons een bekende waarheid, dat de eeuwige God alle dingen werkt naar den raad Zijns willens. (Ef. 1 : 11). Wat er gebeurt, gebeurt naar Gods eeuwig voornemen. En dat voornemen Gods is een weloverdacht en schoon-harmoniëerend geheel. Telkens als er, bij Geesteslicht, iets van gezien wordt, staart het oog der ziele in een diepte van wijsheid! De groote Bouwheer en Kunstenaar, God, werkt alles naar Zijn gemaakt bestek en Gods volk gelooft, dat Zijn raad zal bestaan, dat Hij al Zijn welbehagen doen zal, en dat in de eeuwigheid alles zal uitblinken door goddelijke wijsheid en volkomenheid.
Zoo wijst ook de uitdrukking ,,de volheid des tijds", in deze adventsweken zoo dikwijls gebruikt, er op, dat alles geschiedt op den tijd en op de manier, zooals de Heere dat te voren had bepaald.
„Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet", schrijft Paulus aan de Galatiërs. (4 vers 4). En hij wil er mee zeggen: de tijd om te komen was er; de termijn door den Vader gesteld, was aangebroken.
En dat wil weer zeggen, dat de ontwikkelingsgang der historie in Israël en onder de volkeren genaderd was tot het tijdstip, door God in Zijn eeuwigen raad bestemd, om Christus te doen geboren worden. Want God, de Vader, heeft alles voorbereid. Onder Israël in een heel bizonderen weg. Maar ook onder de volkeren in Zijn algemeene liefde. En als het dan genaderd is tot die ontwikkeling en tot dien voortgang, door den Heere te voren bepaald, dan zendt Hij, op het juiste tijdstip in Israels en in der volkeren historie, den Zaligmaker der wereld, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om verlossing en vrede te brengen, in de menschen een welbehagen.
Dan komt de Zoon des Vaders, staande in geheel eenige betrekking tot God. Niet een mensch uit mensch. Maar Gods eigen Zoon, van den Vader gegeven. Hij is niet uit den tijd, maar uit de eeuwigheid. Hij w a s er reeds. Hij bestond van eeuwigheid. God zijnde van gelijke eeuwigheid en van gelijke heerlijkheid als de Vader. Maar in de volheid des tijds zendt de Vader Hem uit, uit de eeuwigheid komend in den tijd. Zoo komt Christus als de Gezondene des Vaders uit de eeuwigheid.
En dan g e w o r d e n uit eene vrouw. Dat is 't zwakke van den Sterke! „G e w o r d e n", wat immers een scherpe tegenstelling is met Zijn eeuwig z ij n. Daartoe vernedert Hij Zich, de menschelijke natuur aannemend. En dan wordt Hij niet ontvangen uit den man, maar Hij is „de gewordene uit eene vrouw" door God toebereid. Niet het zaad des mans is Hij. Hij is het zaad der vrouw, ontvangen van den Heiligen Geest Dat is het heerlijke en tegelijk het nederige; dat is het goddelijke en het menschelijke; het verhevene en het geringe. God met ons. God in het vleesch, I m m a n u ë 1.
En dat juist op tijd voor Israël. God heeft daar Zijn werk volbracht.
Juist op tijd voor de volkeren. De weg is bereid en ligt gereed, waarlangs de Evangelieboden zullen uitgaan straks, verkondigend den eenigen Naam, die onder den hemel is gegeven tot zaligheid, opdat de zaligmakende genade Gods in Christus aan alle vleesch zal worden bekend gemaakt en van alle natie en geslacht straks zullen komen om Hem te aanbidden.
Israël kan dan weg vallen. Het heeft dienst gedaan waartoe de Heere het wilde gebruiken. Christus wordt uit Israël geboren. Als de parel te voorschijn is gehaald, kan de schelp verdwijnen. En de geschiedenis zal dan een keer nemen.
Dan gaat het om de volkeren. Dan gaat het om de landen en de natiën in het Noorden en in het Zuiden, in het Oosten en in het Westen.
En daar is het juist de tijd voor als in Bethlehems stal de Christus geboren wordt. Israël heeft z'n vollen tijd tot voorbereiding gehad. De wachtenstijd der volkeren is vol. Zoo zien we, dat Christus geen voldragen vrucht van den tijd is, maar gezonden door den Vader uit de eeuwigheid. Christus is geen cultuur-ontwikkeling van Israël, noch van de volkeren. Hij is geen natuurlijk gevolg van wat geleerd was in vroegere tijden bij de Joden en bij de heidenen. Neen, Hij is een gave uit den hemel. Hij is de gezondene des Vaders. Hij is een genade-geschenk. God uit God, zijnde van eeuwigheid. Onder Israël zijn de schaduwen van Hem vooruitgegaan aan Zijn komst Onder de volkeren is een ledigheid, om voor Hem plaats te bereiden. En dan is Hij niet een product van profeet, van priester, van wijsgeer, van leeraar — maar een gave Gods, op Gods tijd door God geschonken, als iets nieuws, dat uit den hemel nederdaalt, door de ontvangenis des Geestes gaande door eene vrouw.
Wat Goddelijk heerlijk werk! Wat volmaakt tot zaligheid en vrede! Het Godsgeschenk Christus tot vreugd voor een iegelijk, die in Hem gelooft! — terwijl op een iegelijk, die den Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blijft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's