De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een heerlijke en daarom begeerlijke rust*)

17 minuten leestijd

„Zijn rust zal heerlijk zijn".Jesaja 11 vers 10b. 

1.
Daar is een plaats hier op aarde, die den naam van rustplaats draagt. Die plaats is het kerkhof, in den regel de rustplaats onzer dooden genoemd. En inderdaad, de plaats waar wij onze dierbare afgestorvenen aan den schoot der aarde toevertrouwd hebben, kan ook terecht een plaats der ruste geheeten worden.
Job heeft er reeds van gezongen: daar houden de boozen op van beroering en daar rusten de vermoeiden van kracht; daar zijn de gebondenen tezamen in rust; zij hooren de stem des drijvers niet; de kleine en de groote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.
„Rust zacht", dat is dan ook het opschrift dat gij om menige grafzerk gebeiteld ziet staan, en wie zou 't zijn geliefden dooden niet gunnen dat hun stoffelijk omhulsel daar inderdaad rusten zal, dat zij daar ongestoord, in stilheid zullen nederliggen?
Toch is die rust van het kerkhof voor den mensch geen aantrekkelijke, geen begeerlijke rust. Niet waar, wij hebben allen wel eens — waarschijnlijk meermalen — aan een geopende groeve gestaan, wij hebben allen wel eens iemand in zijn laatste rustplaats zien nederdalen. Of we hebben allen wel eens op zulk een rustplaats der dooden gewandeld en dan hebben wij daar op min of meer sierlijk gebeitelde grafsteenen een „hier rust onze lieve vader" of „hier rust onze lieve moeder", of iets dergelijks geschreven zien staan. Maar als we dan onszelf eens afvroegen: is die rust nu voor mij een begeerlijke, een aantrekkelijke rust; zou ik nu ook al willen rusten onder die groene zoden, of in dat mulle zand; zou ik het nu ook al begeeren dat mijn naam daar op een van die grafzerken geschreven zou staan?
O, gij gevoelt wel, dat wij deze vragen alleen dan bevestigend zouden beantwoorden, als een zekere levensmoeheid zich van ons had meester gemaakt, als we discipelen van het pessimisme waren.
Wanneer dat echter niet het geval is, wanneer wij het leven zien mogen niet in de donkerheid van den avond, maar in 't licht van den middag of in den glans van den morgen en veel meer nog wanneer wij het leven zien bij het licht van Gods Woord en wanneer wij discipelen van Christus zijn, dan zeggen we: neen, die rust van het kerkhof, die rust van de rustplaats onzer dooden begeeren we niet. Dan veel liever dan de rust van den dood nog de onrust van het leven. Immers:
In 't stille graf zingt niemand 's Heeren lof,
Het zielloos lijf, gedompeld in het stof
Kan Hem geen glorie geven.
Is er dan nog een andere rust? Is er dan nog een rust die niet in niets doen, maar in werken, niet in zwijgen, maar in spreken, in loven, in roemen, in zingen bestaat? Op die vraag heeft ons tekstwoord ons een antwoord gegeven. Gij vindt het beschreven:
Jesaja 11 vers 10b:
„Zijn rust zal heerlijk zijn".
Wanneer, zooals nu weer, de adventsklokken luiden, dan geven die klokken een verschillend geluid. Als we ons oor aan dat gebeier te luisteren leggen, dan is een der klanken die ons oor met of zonder radio opvangt, het woord  l i c h t.
Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. En inderdaad straks, over enkele weken, zal de blijmare weer vernomen worden:
Daar is uit 's werelds duist're wolken,
Een licht der lichten opgegaan.
Komt tot Zijn schijnsel alle volken,
En gij, mijn ziele, bidt het aan.
Straks, over enkele weken, zal de gemeente des Heeren met Simeon weer zingen:
Een licht zoo groot, zoo schoon,
Gedaald van 's hemels troon.
Straalt volk bij volk in d' oogen.
Terwijl het 't blind gezicht
Van 't heidendom verlicht.
En Isrel zal verhoogen.
Maar als we ons oor te luisteren leggen, dan is een van de andere klanken die dat oor opvangt, het woord  v r e d e.
De bergen zullen vrede dragen. Het werk der gerechtigheid zal vrede zijn. En inderdaad, over enkele weken zullen we weer worden herinnerd aan het „Vrede op aarde" dat eenmaal uit den mond der engelen in Efratha's velden weerklonk, en 't Kerstevangelie zal ons weer spreken van de komst van Hem, van Wien Paulus later getuigd heeft: Hij is onze Vrede, die den middelmuur des afscheidsels gebroken heeft
Maar als we ons oor aan de adventsklokken te luisteren leggen dan is nog weer een andere klank die dat oor opvangt het woord  r u s t. En het is met name in ons tekstwoord dat dat woord bijzonder op den voorgrond treedt. In het hoofdstuk dat ons werd voorgelezen, is de profeet Jesaja begonnen te wijzen op het Rijsje dat voortkomen zou uit den afgehouwen tronk van Isaï.
Voor wie den diepen zin van de Oud-Testamentische profetie verstaat, is 't niet onduidelijk dat Jesaja hier het oog heeft op den grooten Zoon van David, die eenmaal uit het geslacht van Israels grooten koning zou voortkomen, wanneer dat geslacht met een afgehouwen boomstam vergeleken zou kunnen worden. Alles wat de profeet dan ook in het 11e hoofdstuk verder gezegd heeft, past volkomen op den Persoon en op het werk en op het rijk van Christus, Wiens komst in het vleesch weldra weer door ons herdacht zal worden.
En zoo is het niet het minst met het vers, waaraan onze tekst is ontleend. Immers het zal geschieden ten zelven dage, dat de Heidenen naar den Wortel Isaïs, die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen en „Zijn rust zal heerlijk zijn".
Christus wordt hier dus voorgesteld eenerzijds onder het beeld van een wortel, maar anderzijds onder het beeld van een banier. En de rust die dan onder die banier genoten zal worden, wordt heerlijk genoemd. Komt, laat ons achtereenvolgens hooren hoe zij dat is
1°. te midden van de onrust des levens;
2°. te midden van de onrust der zonde;
3°. te midden van de onrust der smart;
4°. te midden van de onrust des doods.
Het leven van den mensch is vol van onrust. Job had dat reeds verstaan: de mensch van een vrouw geboren, zegt hij, is kort van dagen en zat van onrust. Zat van onrust, ja zoo kan uw leven en zoo kan mijn leven worden genoemd. Zelden rust, nimmer rust, de rust elders, dat is het opschrift dat op het schip van ons aller leven geschreven kan worden.
Zat van onrust. Die onrust begint immers al in het kinderleven. Zie maar naar dat kind dat daar speelt aan den schoot zijner moeder of dat daar gaat aan de hand van zijn vader. We zouden kunnen vragen: waar kan dat kind geruster, waar kan het rustiger zijn? En toch, als ge dat kind nauwkeurig gadeslaat, wat blijkt dan ook dat kinderleven onrustig te wezen; nu wil het dit hebben en dan wil het weer dat hebben; nu wil het hiermee spelen en dan wil het weer daarmee bezig zijn.
En die onrust wordt er waarlijk niet beter op als het kind straks schoolkind is geworden. Wat is dat kind onrustig om 's mor­gens naar school en wat is het onrustig om 's middags weer thuis te komen. Wat is dat kind dan onrustig als het zijn lessen moet leeren en als straks de rapporten zullen worden uitgedeeld.
En die onrust van het kinderleven zet zich voort als het kind straks jongeling en jonge dochter werd; en die onrust vermenigvuldigt zich als die jongeling en die jongedochter straks man en vrouw zijn geworden en die onrust wordt er niet minder op, als eindelijk de ouderdom en de grijsheid daar is en men vroeger wel meende dat dan althans de tijd der ruste gekomen zou zijn.
Heel het leven van den mensch, van zijn wieg tot aan zijn graf, blijkt een maalstroom te wezen, waarin we zonder eenige verpoozing worden voortgesleept, waarin alles wentelt zonder ooit tot stilstand te komen. Ga uw leven maar eens na, en wat blijkt dan zelfs het leven van den meest rustigen mensch toch nog vol van onrust te zijn. Wat al onrust onder allerlei zorgen die kwellen; wat al onrust te midden van allerlei bange vragen die de ziel vaak beangstigen; wat al onrust bij het wisselen der tijden en bij het naderen van een onzekere toekomst, waarvan we niet weten wat zij in haar schoot verbergt en wat zij zelfs op den dag van morgen ons baren zal.
En is het leven van den mensch altoos reeds onrustig geweest, in onzen tijd niet 't minst schijnt de onrust van ons leven nog grooter en nog meerder te worden.
Ach, we weten allen hoe door middel van allerlei krachten, die God heeft gegeven, en door middel van allerlei uitvindingen die de mensch heeft gedaan, het menschelijk leven zich als 't ware heeft versneld. De mensch kan zich zooveel sneller verplaatsen dan vroeger en alles gaat zooveel sneller en onrustiger dan het voor enkele tientallen van jaren ging. Het schijnt soms zelfs alsof de stroom van den tijd en daardoor de stroom van ons leven sneller is gaan vloeien. Zeg zelf maar of niet, eer gij er aan denkt, weer een dag, weer een week, weer een maand, weer een jaar voorbij is gegaan. Die onrust van het zich steeds versnellende leven is voor het zenuwleven van zoovelen te overstelpend geweest. Vandaar mede dat zooveler zenuwen zijn geschokt, dat zooveler psychisch en physisch leven beide is verstoord en dat steeds meer zorg aan de verpleging, niet slechts van lichamelijke, maar ook van geesteskranken moet worden besteed.
Ons leven is zoo onrustig. Immers de verhoudingen van ons leven zijn zoo onbestendig; de goederen van ons leven zijn zoo onzeker; de menschen met wie we in ons leven in aanraking komen zijn vaak zoo onbetrouwbaar. En zoo zijn er nog zoovele andere redenen te noemen waarom het leven van den mensch zoo vol is, zoo zat is van onrust. En daarom zouden we u wel willen toeroepen; zoek toch uw rust niet in het leven, in de verhoudingen van het leven, in de goederen van het leven; zoek toch uw rust niet bij de menschen en ook niet bij uzelf, maar zoek toch uw rust onder de banier van den wortel Isaïs; zoek toch uw rust bij Christus, van Wien Jesaja in ons tekstwoord gezegd heeft: Zijn rust zal heerlijk zijn.
Zijn rust. O, we weten allen langs welken weg Christus die rust, die hier de Zijne genoemd wordt, verwierf. Die heeft Hij verworven in een weg van onrust. Of is het leven van Christus hier op aarde niet een onrustig leven geweest? Heeft Hij het zelf niet met zoovele woorden gezegd: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten, maar de Zoon des menschen heeft niets waar Hij het hoofd terneder (ter ruste) kan leggen? En als gij het leven van den Heiland nagaat, is dat woord dan van Zijn kribbe tot aan Zijn kruis niet droevig waar geweest?
Maar ziet, die onrust van 's Heilands leven is nu de oorzaak dat er van „Z ij n rust" gesproken kan worden. Die onrust van 's Heilands leven is nu de oorzaak dat Hij het zelf eenmaal heeft kunnen uitroepen: Komt tot Mij, allen gij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven. Ja, Hij alleen kan rust geven te midden van de onrust die het aardsche leven met al zijn zorgen, met al zijn moeiten, met al zijn nooden, met al zijn vragen, met al zijn bekommernissen met zich brengt.
En die rust die Hij geeft, zegt Jesaja, zal h e e r 1 ij k zijn.
Wilt , gij weten of het waar is, M.H.? Vraag het dan aan Maria, de zuster van Lazarus, die eenmaal aan de voeten van Jezus zat. O, we weten hoe die andere zuster Martha zich bekommerde en ontrustte over vele dingen. Die andere zuster had geen rust; zij was dus 't beeld ook van zoo velen van Gods kinderen, die altijd maar weer bezig zijn met veel dienens. Doch Maria bleek het goede deel gekozen te hebben. Het was Maria goed om aan de voeten van Jezus dicht bij haar God te wezen. En zoo is het met alle Maria's die onder de schaduw van Jezus' vleugelen, die onder de banier van ons tekstwoord hun toevlucht hebben gezocht. Het is hun goed, hun zaligst lot, Nabij te wezen bij hun God. Temidden van de onrust des levens genieten zij in de gemeenschap des Heeren een rust, die heerlijk is, een rust, die hun door niemand ontnomen zal worden, een rust, o zeker, die eenmaal pas volkomen zal wezen, maar die het hen toch ook hier soms reeds doet zingen:
Rust mijn ziel,
uw God is Koning,
Heel de wereld Zijn gebied.
Alles wisselt op Zijn wenken
Maar Hij Zelf verandert niet.
Zijn rust zal heerlijk zijn. Ja, het is heerlijk als we te midden van de onrust des levens mogen rusten onder de banier, waarin met vlammende letters de naam Jezus geschreven staat.
Maar de onrust des levens heeft een oorzaak; heeft velerlei oorzaak, o zeker, maar daar is één oorzaak die de oorzaak van alle oorzaken is. Die oorzaak is de zonde. Daarom zouden we in de tweede plaats ook spreken over de onrust der zonde. De zonde immers is de booze infectie die het bloed van ons menschenleven vergiftigd heeft. En gij weet het uit het natuurlijk leven, als ons bloed geïnfecteerd is, hoe onrustig het dan door onze aderen jaagt. Welnu, zoo is ons leven door de zonde vergiftigd en vandaar dat ons zielebloed zoo onrustig bruist door de aderen van het leven, dat God ons hier leven doet.
Nu zijn er vele menschen, die die diepste oorzaak van al hun onrust niet kennen en dus ook niet erkennen. Daar zijn menschen, in wier leven de zonde ook wel de geestelijke infectie is, maar die het niet weten, die het niet willen weten, en die daarom doen alsof dat jagen en dat bruisen van het bloed door hunne aderen de meest natuurlijke zaak ter wereld is. Zij leven met de zonde op goeden voet, zij doen de zonde als vanzelf en beseffen niet dat door het gif der zonde hun leven hoe langer hoe onrustiger wordt.
Maar daar zijn ook anderen, voor wie de gevolgen der zonde hier op aarde reeds zoo pijnlijk zijn, dat hun geweten er door is wakker geworden. En nu worden zij door de zonde, door hun eigen zonden verontrust. We denken aan Kaïn. Wat een onrust der zonde, als hij daar God en menschen meent te kunnen ontvluchten, als hij daar meent dat ieder die hem vindt hem zal dood slaan, en als hij het daar uitroept: mijn misdaad is grooter dan dat zij vergeven worde. We denken aan Judas. Wat een onrust der zonde als het geld, waarvoor hij zijn Meester heeft verraden, hem eerst brandt op de ziel en daarna door hem in den tempel wordt weggeworpen. Wat een onrust der zonde, als hij daar in het nachtelijk duister wordt voortgedreven en als hij er eindelijk maar een eind aan maakt, overtuigd, dat een herroepen van zijn daad toch onmogelijk is.
En zoo zijn er zoovelen, die evenals Kaïn en evenals Judas door de onrust hunner zonden rusteloos worden voortgejaagd, in wier leven gij het woord des Heeren zoo duidelijk ziet bevestigd worden: de goddeloozen zijn als een voortgedrevene zee, die kan niet rusten en hare wateren werpen slijk en modder op. O, als gij de wanhoopskreten eens kondt hooren die daar achter ijzeren kerkerdeuren worden geslaakt en meer nog als gij eens lezen kondt de onuitgesproken wroeging, die de harten van velen, zoowel buiten als binnen de gevangenissen, verteert, wat zou het één bange klacht zijn van „Mijn zonde, mijn zonde, wat heeft zij mij ongelukkig gemaakt, hoe heeft zij mijn levensgeluk verwoest, hoe heeft zij mijn levensvreugde vergald, hoe heeft zij mijn levenskrachten verteerd, hoe heeft zij mijn levensrust gebroken, ja, van al mijn onrust is de zonde de oorzaak geweest".
Maar daar zijn nog anderen, die niet door de gevolgen der zonde, maar die door ontdekkend licht van Gods genade aan hun zonden werden ontdekt. Daar zijn menschen die in het licht van Gods heilige wet gezien hebben wat zonde, wat hun zonde is. Daar zijn er, die de zonde gezien hebben in haar ware gedaante, die haar kennen als een schenden van Gods recht, als een aantasten van Gods Majesteit, als een verbreken van Gods Orde, als een onteeren van Gods Naam.
En dan eerst, als we de zonde kennen zooals ze is, dan is er alle reden om onrustig onder de zonde te worden. Gelukkig als die onrust onzer zonden ons dan uitdrijft tot die banier van ons tekstwoord, waarvan Jesaja gezegd heeft, dat Zijn ruste heerlijk is. O, daar zijn ook andere rustoorden die voor de ontruste, voor de verdrukte, voor de door onweder voortgedrevene, voor de ongetrooste zondaren openstaan. Daar zijn er zoovelen die het hun toeroepen: ik zal u ruste geven, ik, ik zal het doen. Maar daar is maar één plaats waarvan we vanavond hebben gezongen: Hier wordt  d e  rust geschonken. En die plaats is onder de banier van ons tekstwoord. Die plaats is onder de Middelaarsvleugelen van Christus. Die plaats is bij Hem, die eenmaal het handschrift der zonde aan het kruis genageld heeft. O, wat is ook Hij onrustig onder de zonde geweest. Ziet Hem daar worstelen in den Olijvenhof. Wat een onrust, dat Zijn zweet daar gelijk werd aan groote druppelen bloeds, die op de aarde afliepen. Wat een onrust, dat Hij daar zelfs bad om het voorbijgaan van den drinkbeker.
Maar juist in dien weg van onrust heeft Hij „Zijn rust" verdiend. En of Zijn rust nu heerlijk is, vraag dat aan Maria Magdalena, die straks met het „Rabbouni" op de lippen aan Zijn voeten zinkt. Vraag dat aan Thomas, die straks in verwondering uitroept: „Mijn Heere en mijn God". Vraag dat aan al Zijn discipelen die in Zijn bloed de vergeving van al hun zonden gevonden hebben. Vraag dat aan alle kinderen Gods, die aan den voet van Zijn kruis verloren hebben het pak hunner zonden en die het in het licht van dat kruis hebben verstaan: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. Vraag dat aan allen, die instemmen met het lied van den dichter: Niets, o Jezus, dan Uw bloed, Geeft voldoening aan 't gemoed.
En daarom, M.H., als ook gij door Gods genade ontdekt zijt aan de zonde waaraan gij u hebt schuldig gemaakt, als ook gij in het licht van Gods heilige rechtvaardigheid de zonde in haar ware gedaante hebt gezien, o zeker, dan is er oorzaak voor uw onrust, dan hebt gij alle reden om onrustig te zijn. Maar die oorzaak valt weg als gij met den last uwer zonden moogt vluchten tot die banier, waarin met bloedroode letters de naam Jezus geschreven staat. Rust dan niet voor gij weet dat door Zijn bloed uw schuld is gedelgd. Rust dan niet voor gij gelooft dat uw zonden, hoe groot ook, door Hem zijn verzoend. Rust dan niet voor het de geloofservaring van uw ziel mag wezen dat Christus alleen uw gerechtigheid is. Dan immers, als gij dat moogt weten, als gij dat moogt gelooven, als gij dat moogt ervaren, dan is de onrust der zonde geweken en dan is het zoo heerlijk rustig als gij onder de banier van ons tekstwoord gezeten, met den dichter moogt zingen:
Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij, genadig wil vergeven.
Uw krankheên kent en liefderijk geneest.
Die van 't verderf uw leven wil verschoonen
Met goedheid en barmhartigheên u kronen,
Die in den nood uw Redder is geweest.
(Slot volgt).
*) Deze meditatie is als preek uitgezonden vanwege de Nederl. Christelijke Radio-Vereeniging vanuit de Ned. Hervormde Kerk te Veenendaal, op Zondag 5 December I.l.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's