De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

6 minuten leestijd

DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
2)
Als ik er aan denk, en ik kan het niet laten, het is steeds bij mij, dat Willem onbereid is gestorven en voor eeuwig verloren, hoeveel ik ook voor hem gebeden heb, dan ..... " en zij barstte in tranen uit.
„Maak je toch niet geheel van streek, vrouw, dat helpt niet. Anna kan toch nog wel beter worden, en ..... "
„Beter? Ziet gij dan niet dat zij wegteert, al geeft de dokter ook hoop op herstel? "
„Beter? Ja, zij krijgt het straks beter, dan Ik het haar ooit zou kunnen geven, en zij heeft het nu reeds beter dan ..... " Zij zweeg, alsof zij niet zeggen durfd : dan gij, of ik, of: dan wij. 
„Zij ziet naar boven en weet wat zij in haar Heiland heeft. Zij heeft zich aan Hem overgegeven en Hij houdt haar vast. Maar wat zal het voor ons worden, haar te moeten missen?"
„God slaat ons, Kobus, met slag op slag. IIk kon gisteren in de kerk het versje uit Psalm 77 niet meezingen, het greep mij al te veel aan:
'k Overleid' in diepe smart,
's Nachts met een mistroostig hart,
En mijn geest doorzocht de reden,
Waarom God die tegenheden
Mij in zulk een mate zond,
En wat mij te duchten stond.
,,Zóó gaat het mij precies. Ik weet niet wat het is, man, maar er is een gevaar in ons huis, een dreiging, het ziet mij van alle kanten aan, het drukt mij neer en benauwt mij dag en nacht. Het is bij ons niet meer als vroeger, gij zijt veranderd, het is alles anders geworden, donker en dreigend, en ik weet soms geen raad".
„Gij stelt het u veel te zwaar voor, Liesbeth; zenuwachtigheid, verbeelding is het, maar ik moet aan 't werk, 't is al verre over tijd", en hij ging de gang door naar de smederij.
Zijn vrouw bleef nog op de bank zitten; zij had de doode duif in haar hand genomen en streelde haar alsof zij het Willem deed, toen hij nog o zoo klein was.
Het was zoo schoon in dien morgen, maar zij zag het niet; bedroefd en terneergeslagen zat zij te peinzen, totdat zij de duif weer op de bank legde, hare handen vouwde en biddend naar boven zag. Dat scheen haar te bemoedigen, want weldra stond ze op en ging in huis, en op haar vriendelijk gelaat waren de tranen gedroogd.
De knechten waren al met het werk begonnen; ook was er reeds beweging op straat vóór de smederij, een jongen te paard had een boodschap gebracht en Albert, de oudste knecht, had hem geantwoord:
„Tegen één uur? Nu, dat zal wel gaan, denk ik; maar de baas is er nog niet, zal ik ..... "
„Niet noodig, Albert, de boer zegt om één uur moet hij klaar zijn, wij hebben hem van middag noodig", en hij reed weer weg.
„Waar blijft de baas toch van morgen? Hij heeft ons geroepen en zelf blijft hij nog liggen?"
„Neen, hij zal in den tuin wezen, en wel komen".
,,Als hij dan maar mooi weer mee brengt uit zijn tuin, dat zal er echter wel om spannen", zei Hendrik, de andere knecht. ,,De baas heeft tegenwoordig buien; 't is bij hem haast altijd donkere lucht. Ik begrijp het niet; het gaat hem zoo goed, hij is rijk, heeft volop werk, gezond en sterk, wat wil hij meer? Hij schijnt over iets te malen".
„Gij vergeet Willem en Anna".
„Nu ja, dat is zoo, maar in eens anders huishouding is ook wel ziekte en valt er ook wel eens een uit; hij houdt nog zooveel over. 'k Wou dat ik zooveel had, ik zou het anders aanleggen".
„Houd je mond, daar is hij". „Morgen, jongens".
„Morgen, baas. Gerrit van boer Brongers is hier zoo even geweest met de boodschap dat de hooiwagen om eén uur klaar moest zijn; zij moesten hem van middag gebruiken".
„Dat kan wel, maak met je beiden dien dan maar eerst klaar; er is niet veel meer aan te doen. Ik zal dan de groote ankers voor Meijer's schuur afwerken" zei de smid en ging dadelijk aan 't werk. Maar 't wilde niet vlotten, want hij was er met zijn gedachten niet recht bij. Hij zag terug en naar binnen, zooals hij tot zijn vrouw gezegd had; van naar boven te zien, zooals zij, daar kwam niet van.
Aangenaam waren zijn gedachten niet, de knechten merkten het wel, Hendrik fluisterde Albert in, toen zij samen buiten bezig waren: „'t is weer betrokken lucht bij den baas".
Alsof hij zijn sombere gedachten in het gloeiend gemaakte ijzer wilde slaan, zóó sloeg hij er met den hamer op, maar het gelukte niet. Zij bleven als vliegen om zijn hoofd zoemen, erger nog, zij staken hem van binnen.
Was het verleden jaar dan zoo treurig? Integendeel, naar menschelijk oordeel was het zoo goed als hij het maar begeeren kon, behalve dat sterven van Willem dan, zijn stiefzoon.
Want, de vrouw van Zeelman, Elisabeth Daalders, was eerder gehuwd geweest met Jan Faber, den vroegeren smid. En het was een gelukkig huwelijk geweest; dat kon Zeelman zelf getuigen, want hij was er vele jaren knecht geweest. Uit dat huwelijk waren twee kinderen geboren: Willem en Anna.
Er was voorspoed en welvaart in huis geweest. God zegende hen, Hij werd er gediend naar Zijn Woord. De kinderen groeiden voorspoedig op, waren vroolijk en gelukkig. Ofschoon, Willem was een driftig kereltje en eigenzinnig. Zijn moeder had menigmaal gezegd „dat zijn hart wat te hoog zat en het veranderd moest worden zou het goed met hem gaan".
Meester Wielenga moest hem op school ook telkens onder handen nemen en zei van hem: „Willem kan best leeren, maar dikwerf  w i l  hij niet en trekt ook anderen nog af". Alleen zijn vader, aan wien Willem zeer gehecht was, kon hem sturen en weder terecht brengen. Van hem nam Willem  de bestraffing aan, al was die soms ook hardhandig. Dan beloofde hij beterschap en ging het voor een poosje weer goed.
Maar toen Willem 12 jaar was, van school af en in de smederij zou komen, had hij zeer onverwachts zijn vader verloren. De smid had een wondje aan de hand gekregen, er ontstond bloedvergiftiging, hij was nog geopereerd, maar na kortstondig hevig lijden bezweken.
Dat was een zware slag geweest.
In groote verslagenheid en diepe droefheid zaten moeder en kinderen bijeen. Zij konden het zich niet indenken dat zij zoo ineens en voor altijd man en vader moesten missen; toch was het zoo. De weduwe weende bittere tranen.
Willem kon niet blijven zitten; als een radelooze liep hij door het huis, of ging naar de bedstede waarin zijn doode vader lag en schreeuwde zoo hard hij kon: "Vader, vader!" En de anders zoo vroolijke Anna lag nu met haar hoofd in moeders schoot, bleek en bevend of zij de koorts had.
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's