De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

DE SMID VAN GRIJSDORP

6 minuten leestijd

DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
3)
Hoe goed herinnerde Zeelman dit alles zich, hij was er getuige van geweest, en eveneens zeer geschokt door het zoo plot­seling sterven van zijn baas. Er was veel deelneming en belangstelling. Velen kwamen om hun medelijden te toonen en trachtten te helpen en te troosten. Zij bedoelden het goed en deden hun best, maar in zulke omstandigheden zijn de meesten moeilijke vertroosters. Eén kan slechts waarlijk troost brengen, verzachting en kracht. Van Hem sprak dominé Stevens, die meer dan eens in het sterfhuis kwam om moeder en kinderen tot Hem te leiden, die wondt maar ook weer geneest, en om met hen te bidden tot den God aller vertroostingen. '
„'t Is alles donker geworden, dominé, en ik zie geen licht."
„Blijf maar bidden, zuster, en de Heere zal u licht geven. Wij begrijpen Zijne daden niet, maar wat Hij doet is wijs en goed; Hij kastijdt Zijne kinderen, maar doet het uit liefde en beschikt het ten beste. Geloof dat en gij zult het ondervinden. Hij is vooral nu dicht bij u, en bij Hem kunt gij alles vinden, wat gij in uw smart en verlegenheid noodig hebt."
De begrafenis was afgeloopen; treffende woorden waren er gesproken in het sterfhuis en op het kerkhof. Het sterven van den smid had diepen indruk gemaakt, maar zoo als het gewoonlijk gaat, die indruk was niet blijvend.
Eerst wel in de smederij. Een groote leegte was er in huis, vader werd zeer gemist. Hoe stil was het er, ofschoon de dagelijksche bezigheid weer haar gewonen gang ging.
Zeelman zorgde voor de smederij, en oom Henk, de broeder der weduwe, die in Groenhuizen woonde, zou, zoo oordeelde de familie, vooreerst toezicht houden. Hij was koopman in manufacturen en daar hij met zijn stalen en lappen toch steeds op stap was, kon hij ook wel zoo nu en dan te Grijsdorp komen zien, of er ook hulp noodig was. De weduwe werd door God gesterkt, zoodat zij niet moedeloos neerzat, maar biddend trachtte het hoofd omhoog te houden en haar werk te doen.
Anna ging weer naar school, en al klonk geruimen tijd niet meer haar heldere stem door 't huis zooals vroeger, wanneer zij de schoone versjes zong op de Christelijke school geleerd, zij kon toch weldra ook weer lachen en meespelen als zij bij hare vriendinnetjes was. De droefheid der kinderen duurt gewoonlijk niet lang. Zij had goed geluisterd als er in die droeve dagen die achter haar lagen, uit Gods Woord gesproken werd en daar zij naar troost en bemoediging dorstte, was er ook wel iets van in haar gedaald.
Met Willem was het anders, stil en ontevreden ging hij zijn gang, knutselde wat in de smederij of in den tuin, liep de knechten in den weg en wilde zoo 't scheen, nu zijn vader er niet meer was, naar niemand hooren. Ofschoon zijn moeder hem ernstig vermaande zijn best te doen om een goed opvolger van zijn vader te worden, hem er op wees, dat de Heere hem helpen zou en hij veel bidden moest om een nieuw hart, hem omringde met hare moederlijke liefde, en 's avonds met hem naar boven ging, om op zijn slaapkamertje met hem te bidden, het scheen niet te helpen.
„Willem, moeder heeft al zooveel zorgen en moeite, doe mij toch geen verdriet meer aan, word een flinke jongen en help je moeder; het valt ons allen zwaar vader te missen, maar God nam hem weg en bracht hem in den hemel. Daar wilt gij toch ook gaarne heen en hoe zult gij er komen als je niet hoort naar je moeder?"
Willem scheen dan wel voor een oogenblik bevlogen, maar eens liet hij merken wat er in zijn hart was toen hij zeide: „God mocht dat niet doen."
„Kind, kind, hoe kom je er bij zoo iets ook maar te denken! Dat is groote zonde; Willem, bid den Heere om vergeving; moe der zal het voor je doen, zoo moogt ge niet gaan slapen." Bekommerd over haar zoon ging moeder naar bed en zij had vóór zij in slaap kon komen veel haren God te zeggen.
Twee jaren waren voorbijgegaan; er was in de smederij veel veranderd maar niet ten goede. Uiterlijk was het er nog wel hetzelfde, het bleef een drukke smederij, er werd genoeg verdiend, maar de vrede was er niet meer.
Dat was voornamelijk de schuld van oom Henk. Hij was de rechte broeder niet. Eerst kwam hij zoo nu en dan eens aanloopen, maar weldra bleef hij soms dagen lang bij zijn zuster en gedroeg zich alsof hij er heer en meester was. Daar hij ongehuwd was, en dus gemakkelijk van Groenhuizen, waar hij bij menschen inwoonde, naar Grijsdorp verhuizen kon, was het veel beter dat hij maar voor goed bij zijn. zuster kwam, hij kon dan zijn koopmanschap aanhouden en in alles haar helpen en bijstaan.
Zóó stelde hij het voor en dreef het door, want zij was te zwak om hem te wederstaan.
Hendrik Daalders was traag en wispelturig, een man, die het goed riemen snijden vond van eens andermans leer. Hij verwaarloosde zijn eigen zaken, hoe zou hij dan die zijner zuster goed beheeren! Hij leefde te haren koste, had telkens ruzie met de knechten, het dienstmeisje was om hem reeds heen gegaan en wat nog erger was, hij be­dierf Willem door hem in stilte te sterken in zijn ontevredenheid, en hem mee te nemen als hij naar zijn vrienden ging, of maar al te dikwerf in „De gouden Leeuw", zat te roemen over eigen voortreffelijkheid. In plaats van een steun voor zijn zuster te wezen, bracht hij haar nog meer in de moeite, leende van haar zoo nu en dan geld en maakte zoo schandelijk misbruik van de goedheid zijner zachte en vriendelijke zuster.
Ofschoon dan de duiven, de zinnebeelden van vrede, nog altijd bij de smederij haar til in en uit vlogen, in huis werd de toestand in vele opzichten schier dagelijks minder. 
Onverwachts echter kwam er een einde aan. Zeelman namelijk vroeg de weduwe te huwelijk.  Daar schrok zij van toen hij zeer onverwachts zijn aanzoek deed.
„Maar Kobus, hoe kom je er bij?"
„Ik meen het van harte, vrouw Faber. denk er eens een week goed over na, maar spreek er niet met anderen over. 't Is tusschen ons beiden. Ik houd zeer veel van u, wil gaarne uw steun zijn en u helpen ook om de kinderen goed op te voeden en de vrede in huis te herstellen. Want zooals het nu gaat kan het niet langer, er moet een eind aan komen; één van beiden uw broer of ik moet er uit."
(Wordt vervolg)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's