STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Het Zondagsvraagstuk.
Sterker dan ooit te voren treedt in den laatsten tijd in Staten en Raden het vraagstuk van de Zondagsrust, de Zondagsheiliging en de daarmede samenhangende onderwerpen op den voorgrond. Ongetwijfeld heeft daartoe aanleiding gegeven het voortdurend pogen om de wijding aan den Zondag te ontnemen, den Zondag in werkdag om te zetten en den Dag des Heeren te verlagen tot een dag van uitspatting en ijdel vermaak.
Hoe ver het reeds te dien aanzien gekomen is, blijkt uit: de dichte drommen, die zich Zondag aan Zondag naar stadion of sportterrein begeven; de pleiziertreinen, die de uiterste deelen des lands met elkander verbinden; de optochten, welke door de straten der groote steden gaan; de duizenden, die zich begeven naar concerten, bioscopen, dansgelegenheden en wat al niet meer. Alles wijst op een ontaarding en verwording van ons volk, zooals in vroeger tijd niet werd gekend.
Onder de factoren, die er toe hebben medegewerkt dat zoo gaandeweg de sabbatsviering in het gedrang is gekomen, noemen wij er twee. Eerstens wat der Overheid is, daarin zich openbarende, dat óf in het geheel niet, óf niet tijdig genoeg werd ingegrepen, óf voor het geval zij zich wel aan de zaak liet gelegen liggen, dat op onvoldoende wijze deed. Welke is ten aanzien van het sabbatsvraagstuk nu de taak en roeping van de Overheid? De Overheid heeft er voor te zorgen dat met alle geoorloofde middelen de Zondagsrust wordt bevorderd en geweerd worde al wat de heiliging van den Zondag belemmert. In verband daarmede is de taak van de Overheid, dat zij binnen de grenzen van haar bevoegdheid, de Zondagsrust in het Rijk, de Provincie en de Gemeente verzekere, en eveneens zorg drage dat de heiliging van den Zondag mogelijk zij, in dier voege, dat verstoring van den godsdienst worde voorkomen of weggenomen. En dat te dien opzichte de Rijks-, Provinciale-en Gemeentelijke Overheid heel wat te kort schiet, zal wel geen nader bewijs behoeven.
In de tweede plaats wat ons Christenvolk zelve betreft, daaronder zijn er velen, die zich aan de heiliging van den Zondag maar weinig laten gelegen liggen, die van meening zijn, dat de zaak niet zoo ernstig behoeft genomen te worden en dat, als Zondagsmorgens maar ter kerke wordt gegaan, het verdere van den dag wel in gepaste vroolijkhëid kan worden doorgebracht.
Dezulken redeneeren zoo vaak, dat de Oud-Testamentische opvatting van den sabbath voorbij is, terwijl de Nieuw-Testamentische beschouwing van den Zondag de slaafsche onthouding heeft te niet gedaan. Zij zien echter voorbij, dat de scheppingsordinantie voor alle eeuwen dezelfde is. Den Zondag hebben wij te heiligen en op den Zondag hebben wij te rusten.
Dat èn Overheid èn volk er daarom maar meer en meer van doordrongen mogen worden, dat, wanneer de rustdag verloren gaat, wij ook den sabbath als Dag des Heeren kwijt zijn en daarmede de gemeenschap verliezen met God en Zijn dienst. Leere Overheid en volk in deze dagen van afval en loslating der beginselen, zich maar te houden aan wat God in Zijn Woord als Zijne ordinantiën ons geeft te verstaan.
Een belangrijke motie.
De Haagsche Gemeenteraad heeft deze week een belangrijke uitspraak gedaan ter zake van de openbare dansgelegenheden.
Daartoe gaf voornamelijk aanleiding het gebeurde ten vorigen jare in den Kerstnacht in enkele der meest schitterende etablissementen in de Residentie. Toen werd in deze dansgelegenheden van het feest van Christus' geboorte een zoo weerzinwekkende, walgelijke en goddelooze parodie gemaakt, dat daarover destijds schande werd geroepen.
De aanstalten, welke in die etablissementen ditmaal ook weer voor 25 December werden gemaakt, deden een herhaling maar dan misschien nog op erger wijze vreezen. Vandaar dat de Gemeenteraad zich bij de begrooting met deze zaak bezig hield, met 't resultaat, dat een motie werd aangenomen, waarbij de Raad als zijn oordeel uitsprak: dat op Zon-en feestdagen geen vergunning voor dansgelegenheden behoort te worden verstrekt. Het ging daarbij op het kantje af, tegenover de 20 tegenstemmers der motie stonden maar 21 voorstemmers. Hier bleek weer eens, wat eensgezindheid kan tot stand brengen.
Tegenover de geheele linkerzijde stond de aaneengesloten rechterzijde, Antirevolutionairen, Christelijk Historischen, Herv. (Geref.) Staatspartijers en R.-Katholieken. Alle man van rechts was op het appèl. Zij wisten met één stem meerderheid de motie aangenomen te krijgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's