KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Kerk.
Het woord Kerk komt van het Grieksche woord K u r i o s, dat Heer beteekent. Daarom verstaan wij onder de Kerk: het huis des Heeren; en wel het huis des Heeren Christus. De Heilige Schrift gebruikt het woord g e m e e n t e. Dat wil dan zeggen, dat de Kerk een s a a m g e r o e p e n menigte is. Het vreemde woord daarvoor is e c c l e s i a in het Latijn en e g 1 i s e in het Fransch.
In de belijdenisschriften wordt 't woord Kerk gebruikt. De wortel waaruit de Kerk voortkomt is: de verkiezing. De Kerk komt op uit den Raad des vredes, uit die eeuwige onder handeling tusschen Vader, Zoon en Heilige Geest. Er is maar één Kerk, als lichaam van Christus bestaande uit de ware christgeloovigen, die al hun zaligheid kennen in Jezus Christus. Dat is het huis des Heeren, gebouw van levende steenen, die naar het gemaakt bestak zijn ingevoegd in het gebouw, dat steunt op het fundament Christus, Die ook de hoek-en sluitsteen is. Zóó kan er maar één Kerk zijn; de echte, de ware Kerk; het lichaam Christus. Eén Kerk — één Heere — geloof — één doop.
Nu krijgen we echter bij die ééne, ideale, ware Kerk als het lichaam van Christus, welke door alle tijden heen en uit alle landen door Gods Geest, in den weg van Gods Woord vergaderd wordt — en met al hare levende leden aan den Heere bekend is —
allerlei onderscheidingen. Ten eerste is die ware Kerk een toevergadering van menschen die in verschillene eeuwen leven. Vandaar dat er al een geeelte van de Kerk in den hemel is (de t r i o m f e e r e n d e Kerk genoemd, omdat zij boven alle lijden verheven is en al hare vijanden overwonnen heeft); terwijl een ander deel van die ware Kerk nog hier op aarde is, midden in den strijd (strijdende Kerk). Ook moet nog een deel van de ware Kerk geboren worden; dat gedeelte is er nog niet en moet nog worden toegebracht (de komende Kerk). Straks zullen ze allen, in het rijk der heerlijkheid, bij elkander zijn en God zal alles in allen wezen!
Het is dus nog niet zoo gemakkelijk om ten opzichte van de ware Kerk te spreken van de éénheid, want een deel is in den hemel, een deel op aarde, een ander deel moet nog geboren worden. Maar in Christus is, door den Heiligen Geest, één leven het deel van allen, dat straks in ongebroken éénheid eeuwig, zal uitschitteren met heerlijkheid. Er zullen dan niet anders zijn dan echte, ware, levende leden van het lichaam van Christus, want de goddeloozen en de doode ranken zullen uitgeworpen worden. Dan is de ééne Kerk er alleen.
De Kerk des Heeren is dus in wezen één. In de Apostolische geloofsbelijdenis spreekt de gemeente zich dan ook telkens weer aldus uit: ik geloof één, heilige, algemeene, christelijke Kerk.
De Heidelb. Catechismus omschrijft dat dan op de volgende wijze: „Dat de Zone Gods uit het gansche menschelijk geslacht zich eene gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in eenigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; — en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven"; (Zondag XXI).
Hier heeft de geloovige dus niet het oog op een zekere Kerkformatie op aarde, zooals de Hervormde Kerk, of de Geref. Kerken, of de Luthersche Kerk — want van d i e Kerk kan niet gezegd worden dat dat „de gemeente uit het gansche menschelijk geslacht tot het eeuwige leven uitverkoren" is, waarvan „ik een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven".
De Ned. Hervormde Kerk heeft geen eeuwig bestaan; dat heeft alleen Gods Kerk van alle tijden en alle landen; de ware, ideale Kerk, welke is het lichaam van Christus, met alle levende leden, uit Hem gevoed en door Hem geregeerd.
Bestond nu alleen maar die ware, ideale, levende Kerk hier en elders — dan zouden we verder over heel veel dingen kunnen zwijgen. Maar dat heeft de Heere anders gewild; ook opdat wij des te voorzichtiger zouden worden en het ware van het andere des te ernstiger zouden leeren onderscheiden.
Het lichaam van Christus, de Kerk des Heeren, de vergadering der geloovigen, die al hun zaligheid in Christus mogen weten en die saam één zijn — openbaart zich nauurlijk ook onder de menschen, in het midden van de wereld.
En dan ontmoeten natuur en genade elkaar, het echte Godsleven en het aanhangsel der natuur en des vleesches en zóó wordt de Kerk in haar openbaring in het midden der wereld altijd gemengd met geveinsden en ongeloovigen, door geboorte en anderszins, wat het vraagstuk van de Kerk juist altijd zoo moeilijk maakt.
De Kerk is het terrein van Gods bizondere genade, maar het is alles niet volmaakt daar bij de vromen en het is alles geenszins echt wat zich Kerk noemt. Dat heeft men willen aanduiden met de onderscheiding: de onzichtbare en de zichtbare Kerk. De eerste is dan de echte, de levende Kerk, Gods ware volk, dat het geklank kent — de zichtbare Kerk is dan Gods volk met veel gemengd volk, goud, maar met veel onedele en onechte bestanddeelen.
Dien gang door het leven heeft de Heere voor Zijn Kerk gewild, vol onvolmaaktheden, met veel dat onecht is, met veel dat schijn en geen wezen is, met veel dat natuur is en geen genade, met veel dat onwaar en onwaarachtig is en niet bestaan zal in den grooten dag, wanneer Christus al de Zijnen zal vergaderen in Zijn heerlijkheid. Veel dat als kaf zal worden weggeworpen, terwijl het graan zal worden verzameld in de hemelsche schuren. Dat gaat niet buiten Gods raad om. En het is mee hierom, dat wij maar niet zouden roepen: des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel!
We zijn er zoo toe geneigd, omdat we dan graag ,,onze" Kerk in de hoogte steken. Maar „onze" Kerk is Gods Kerk nog niet. En Gods Kerk kan zich in „onze" Kerk wel eens zóó in de moeite bevinden, dat juichen niet past en hervorming of bevrijding moet worden begeerd en van den hemel afgebeden.
De financieele band tusschen Staat en Kerk.
Wie over den financieelen band tusschen Staat en Kerk gaat spreken en wil oordeelen moet terug gaan in 't verleden. Het heden is alleen te verstaan als men de geschiedenis kent; want de dingen die nu z ij n vinden hun oorsprong in hetgeen achter ons ligt en vroeger i s g e s c h i e d.
Als we in de historie teruggaan, dan vinden we in den reformatietijd de kwestie van de Kerke-goederen. Dat waren bezittingen van verschillenden aard, die de Kerk — en dus de Roomsche Kerk — op verschillende manieren gekregen had. Die hier aan 't uitzoeken gaat komt voor zoo onderscheiden kwesties te staan, dat het schier een wanhopig werk is om daar nu eens precies van te zeggen, hoe dat alles in elkaar zat; vooral ook zoo moeilijk, omdat het in de eene „provincie" weer heel anders was dan in een andere streek van ons Vaderland.
Daar waren in de eerste plaats de geestelijke goederen als k l o o s t e r s. Verder was daar de K e r k met haar bezit van geld en land. Dan de pastorie met de pastoriegoederen, die dienden om den pastor te onderhouden in zijn ambt en werk en die door hem werden beheerd. Dan de kosteriegoederen, die gegeven waren om het werk van den koster mogelijk te maken en dus ook voor den dienst in de Kerk bestemd waren, evenals de pastoriegoederen daarin de bestemming vonden. Alles dus voor de K e r k, maar onderscheiden in verschillende fondsen en kapitalen en bezittingen.
Dan de v i c a r i ë n, die ook voor den dienst der Kerk waren. Wie hier aan 't onderzoeken gaat, toegerust met een neus die zich gaarne overal tusschen steekt, vndt hier van allerlei, en de vraag doet zich dan telkens voor: zijn het afzonderlijke stichtingen, bezittingen van de Kerk, goederen van kloosters enz. enz.?!
In de dagen vande Hervorming, toen hier alles op kerkelijk gebied omkeerde en in Nederland de Roomsche Kerk de Gereformeerde of Hervormde Kerk (Kerken) werd, heeft de Overheid, — de Gewestelijke Staten en plaatselijke Overheden, — ingegrepen; en omdat de Overheid meende de roeping te hebben, om orde op de zaken te moeten stellen, heeft zij eenvoudig gezegd: de bezittingen van kloosters, en Kerken, enz. behooren voortaan niet meer aan de Roomsche (kloosters) Kerk, maar aan de Gereformeerde. Dat dit alles niet zoo eenvoudig is gegaan en ook niet uniform, overal op dezelfde wijze, is bekend.
Maar dat laten nu eens even rusten. De vraag is __ welken rechtsgrond steunt hier dat ingrijpen der Staten en Overheden?
En dan zou men kunnen zeggen: De oorspronkelijke Christelijke Kerk was verbasterd door den Rooomschen afgodendienst; Luther, Calvijn e.a. hebben die ontaarde Kerk van die smetten gezuiverd en derhalve is de Gereformeede of Hervormde Kerk geen nieuw gestichte Kerk, maar de verbeterde editie en gezuiverde v o o r t z e t t i n g van de oude, helaas! verbasterde Kerk. En derhalve behooren de goederen aan de Kerk, aan welke ze altijd hebben toebehoord, de ware Kerk van Christus in dezen lande. De Staten hadden in deze dus niet veel meer te doen dan in dezen hun f i a t te geven op wat alreede vaststond: de Kerkegoederen blijven Kerkegoederen, maar nu van de hervormde Kerk, van de gezuiverde of gereformeerde Kerk.
Mannen als Loman en Rutgers, kenners op dit terrein, hebben dan ook nooit anders gezegd dan: „In elke stad, in elk dorp, waar de hervorming doordrong, verwierp de oude staande gemeente datgene wat zij voor dwaling hield; beschouwde zichzelf als de v o o r t b e s t a a n d e doch nu gereformeerde Kerk en bleef in het bezit van de hen toekomende (of voor haar bestemde) goederen"; terwijl ze als haren vertegenwoordiger eenig en alleen haar eigen leeraar, leeraar met opzieners, beschouwde. d.i. haren kerkeraad.
Van oudsher heeft men zoo geredeneerd: Deze goederen zijnvoor de Christelijke Kerk gegeven. Heeft de Roomsche Kerk lang in dwaling geleefd, zoo is er nu zuivering gekomen. Dat brengt mee, dat de goederen voor de Kerk gegeven, eenvoudig aan de gezuiverde Kerk, aan de gereformeerde Kerk, overgaan.
De Reformatie ----- buiten werking stellen van de paapse misbruiken, waardoor de oorspronkelijke Kerk weer zuiver te voorschijn komt; welke gezuiverde Kerk de Kerk is, aan welke de goederen behooren.
Natuurlijk zat men daarbij met veel dingen in moeilijkheden. Geld, voor het lezen van zielmissen gegeven, wat moest de gezuiverde Kerk daar mee doen? Dat geld had toch een bepaalde bestemming?
En de kloosters met de goederen en beittingen? Waar moest men die gelden en goederen, voor een bepaald doel gegeven, nu voor aanwenden? Mocht men dat alles zich zóó maar toeeigenen? En dan — is overal zoo maar de Roomsche Kerk overgegaan in een gereformeerde Kerk? Ging dat zoo gemakkelijk? Ging dat vrijwillig? Ging dat eerlijk en oprecht? Wat heeft de Overheid in deze gedaan? Misschien geweld gebruikt, of misschien alles geregeld buiten de Kerk om? Waren er niet dorpen met predikanten, door de Overheid er heen gezonden, terwijl er geen gemeente was? Hebben de Staten van Gelderland niet eenvoudig de pastoors, die niet Hervormd wilden preeken, afgezet en predikanten aangesteld? En spreekt de Staats-Kerkorde van Utrecht in 1590 b.v. ook niet van een optreden van de Overheid in kerkelijke zaken, wat ons een eigenaardig licht doet vallen op die voorstelling „dat hier de Roomsche Kerk met haar goederen eenvoudig overging in de gezuiverde Kerk met haar goederen".
Toch zijn er ook weer dingen die er op wijzen, dat hier de overgang veelal inderdaad geschiedde; want in art. 9 van de Acta der Synode van Dordt 1574 staat: Ende aangezien als nog weinig plaatsen met dienaren voorzien zijn, zullen hen sommige classen twee ende twee t' samen voegen — wat er wel op kan wijzen, dat toen veel plaatsen reeds Gereformeerd waren. En dit wordt bevestigd door een schrijven van den Prins in 1574 aan zijn broer Jan van Nassau, waarin hij zegt, dat de zaak van de religie zulk een voortgang maakt, dat er maar weinig Kerken overblijven, van een tegenovergesteld gevoelen. Daarmee stemt ook overeen, wat een volgend jaar de Prins aan den commissaris van den Koning te Breda geschreven heeft: dat men in Holland en Zeeland, degenen, die de Roomsche religie toegedaan mogen zijn, geen of seer weinig soude befinden.
De Overheid bepaalde hier welke godsdienst de ware was en welke vrije uitoefening toekwam. Zoo werd de Roomsche godsdienst verboden en de Gereformeerde Kerk werd de Staatskerk, de heerschende Kerk, de Volkskerk. Geen doop mocht geschieden dan in de Gereformeerde Kerk. Geen huwelijk mocht worden ingezegend dan in de Gereformeerde Kerk. De Gereformeerde Kerk was de publieke Kerk en alleen wat in die publieke Kerk geschiedde telde mee in het openbaar. Die ergens anders gedoopt was, werd gerekend niet gedoopt te zijn. Wie ergens anders getrouwd, kerkelijk getrouwd, was, werd beschouwd als niet gehuwd te zijn.
En zoo besliste ook de Overheid, dat de goederen en bezittingen van de Roomsche Kerk behoorden aan de Gereformeerde Kerk. En de goederen die „vacant" kwamen, doordat ze geen bezitter en geen bestemming meer hadden, die annexeerde de Overheid en deed er mee wat zij wilde, ze veelal bestemmend voor wereldsche — niet-kerkelijke — doeleinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's