STAAT EN MAATSCHAPPIJ en RONDOM GROEN VAN PRINSTERER (4)
Zoo niet!
Het Belgisch Verdrag blijft nog altijd het onderwerp van den dag en de gemoederen zullen wel niet eerder tot rust komen, alvorens het pleit daarover in de Eerste Kamer is beslist. Toen wij nog niet lang geleden in ons blad eenige opmerkingen over het tractaat maakten, hebben wij ons geen oogenblik ingebeeld, dat ons schrijven aller instemming zou hebben. Dit zou trouwens voor een zaak, welke veler aandacht bezig houdt, dan ook te hoog gemikt zijn. Ons doel was geen ander, dan in de eerste plaats eigen gevoelen uit te spreken en verder te doen uitkomen, dat de groote beteekenis van het Verdrag hierin gelegen was, dat de bespreking over de nieuwe positie, welke België na den wereldoorlog had gekregen, die van Souvereine Mogendheid, met de gevolgen daaraan verbonden, uit de internationale sfeer, waarin de zaak zich bevond, werd uitgehaald en tot een onderwerp van onderhandeling en beslissing was gemaakt geworden tusschen de beide betrokken landen, Nederland en België.
Bovendien wilden wij vaststellen, dat, wanneer bij het Verdrag Nederlands souvereine rechten maar ongerept bleven, de geheele kwestie als niet anders kon beschouwd worden dan een e c o n o m i s c h vraagstuk, los van elk beginsel.
En tot die verhouding de zaak terugbrengend en haar zóó en niet anders stellend, laat het zich volkomen begrijpen dat ten opzichte van de oplossing van het probleem, zich verschil van gevoelen, ja, zelfs groot verschil van gevoelen in de verschillende geledingen van ons volk openbaart. Maar wanneer men dan van dat verschillend inzicht wil doen blijken, zal het in de allereerste plaats noodig zijn, dat men, om zich een nuchter oordeel te kunnen vormen en anderen voor zijn standpunt te winnen, de zaak rustig en kalm bekijkt. Dan moet men niet zoo spreken, als onlangs een Amsterdamsch hoogleeraar op een groote propaganda-vergadering deed, toen hij gewaagde van „verpolitiekte vertegenwoordigers, die tegen beter weten in blindelings hun partijleiders volgen", want dan verlaagt men het debat, maakt men discussie onmogelijk en schaadt men de zaak meer dan dat men haar dient.
Doch nog veel minder is het geoorloofd om door onjuiste en scheeve voorstellingen de publieke opinie te beïnvloeden en deze ten eigen profijte uit te buiten. Zoo lazen wij dezer dagen in een blad aan het adres van de Protestantsch Christelijke Kamerleden, die hun stem ten gunste van het Verdrag hadden uitgebracht, niet minder dan deze ergerlijke beschuldiging dat zij zich bij dit tractaat weer „krampachtig aan Rome hadden vastgeklampt".
Voor deze beschuldiging is geen enkel bewijs aan te voeren. Wel het tegendeel.
Immers heeft bij de eindstemming over het Verdrag juist een smaldeel uit de Roomsch Katholieke Kamerfractie zich t e g e n het tractaat verklaard, nadat tevoren een invloedrijk Kamerlid uit deze groep de bezwaren van deze niet meegaande Roomsch Katholieke leden had uiteengezet.
Dit Roomsch Katholieke Kamerlid zei woordelijk: ,,Uit volle overtuiging, zonder eenigen schroom of angst, zal ik mijn stem tegen dit tractaat uitbrengen, in de hoop dat de meerderheid der Kamer mij daarin zal volgen". Hoe kan men, met zulk een verklaring voor oogen en met het tegenstemmen een 5-tal Roomsch Katholieken tegen het Verdrag, volhouden dat van Protestantch- Christelijke zijde onder den druk van Rome werd gestemd?
Natuurlijk vertelt men van het advies van Roomsch Katholieke zijde gegeven, benevens van 't tegenstemmen van een groep Roomsch Katholieken, aan zijn lezers niets. Want deed men dit, dan was het profijtelijke van de zaak af.
Dat men bezwaren maakt tegen het Belgisch tractaat, is een ieders goed recht, daartegen kan niemand eenige bedenking inbrengen. Evenmin als dat men hoopt, dat de Eerste Kamer het Verdrag zal verwerpen.
Maar wat niet mag, is, dat men daarover het volk in opwinding brengt en nog veel minder, dat men de zaak verdedigt op grond van beweringen, die den toets van de waarheid niet kunnen doorstaan. Zoo mag men niet handelen.
Dansen op Zondag.
Bij de behandeling van de gemeentelijke egrooting in de hoofdstad des lands is een motie voorgesteld en aangenomen, waarin de Raad den burgemeester uitnoodigt, aan de houders van lokalen met vergunning tot dansen, anders dan op Zondag, een bijzonder verlof te geven tot het in het openbaar laten dansen op Zondag 2den Kerstdag. Naar de bladen berichten, is de burgemeester van Amsterdam niet van zins deze motie uitvoering te geven.
Intusschen is thans van socialistische zijde een voorstel ingediend om den Raad te doen beslissen over het al of niet openstellen van de openbare dansgelegenheden Zon-en feestdagen.
Naar luid van de berichten zal de burgemeester, zoo het voorstel in den Raad mocht worden aangenomen, het besluit ter vernietiging aan de Kroon voordragen en wel op grond, dat artikel 4 der Zondagwet danspartijen in het algemeen op Zondag verbiedt.
Wij juichen het kordate optreden Amsterdam's burgemeester van harte toe.
Hoe het met dit dansen in de openbare gelegenheden in een andere groote gemeente van ons land, n.l. in de Residentie, gesteld is; daarvoor moge herinnerd worden aan hetgeen in het vorig jaar in den Kerstnacht te 's-Gravenhage plaats greep.
De Haagsche medewerker van „De Telegraaf" gaf daar deze schets van:
"Ik ben eerst in Des Indes verzeild en vond er een internationale conglomeratie, onder invloed van 't Parijsche esprit van den heer R e y, diplomaten uit de meest exotische landen, tezamen met de Haagsche monde, dansend met een mutsje op .......... huppelend naar ballonnetjes in duivelsformaat, die boven de in gewone dagen zoo uiterst gereserveerd en deftig gezelschap een -----schen satansdans uitvoerden. Menschen die gewoonlijk slechts op stoelen zitten, lagen nu op de treden van de staatstrap champagne te drinken alsof zij zelf kinderen waren in Moeders huis. Men zat elkaar te bekogelen, alsof alle wijsheid nu in de ledige champagneflessen werd weggedragen door de kellners. Bij Royal vond ik het al idem. --- Kemper had voor een Kerstman gezorgd die eerst cadeaux uitdeelde en dan sierlijk mee ging dansen. Men zong de Kerstliederen op ragtime .......... huppelend, als veulens in de wei .......... Voelde zich ongegeneerd, soms weer in oerstaat, wierp alle vernisjes van conventie onder damast gedekte tafels en vergat van louter champagnestemming, dat het Kerstfeest was .......... het feest van den Christus. Zoo was het in alle restaurants en cafe's waar het groote feest gevierd werd".
Bij het lezen van dergelijke braspartijen vraagt men zich af of wel een weerzinwekkender, goddeloozer parodie op 't feest van Christus' geboorte denkbaar is? De heer Duymaer van Twist, die in den Raad deze schandelijke dingen uitvoerig besprak, stelde de motie voor, waarvan we in ons vorig nummer melding maakten, en die met 21 tegen 20 stemmen werd aangenomen.
Toch, niettegenstaande de Raad besloot dat geen dansvergurmingen op Zon-en feestdagen behooren verleend te worden, laat de burgemeester in de residentie toe, dat opnieuw met Kerstnacht de établissementen voor 't dansen zullen geopend zijn.
In de hoofdstad des lands ziet men dus juist het tegenovergestelde gebeuren van wat in de residentie plaats heeft. In de eerste gemeente een burgemeester tegen het dansen op Zondag en de Raad er voor, in de laatste gemeente een burgemeester voor het dansen op Zondag en de Raad er tegen.
Het zal tijd worden, dat zoolang Nederland een Zondagswet heeft, deze ook wordt gehandhaafd.
De rijksregeering zal hierin de gemeentelijke Overheid hebben te steunen. Wij zijn belangstellend naar hetgeen binnenkort zal worden beslist.
Rondom Groen van Prinsterer.
IV.
Was er dan in heel Nederland niet één, die het luide uitriep, dat de vruchten van den Vrijheidsboom wrang waren? Niet één, die weigerde de echte, goud-glanzende, bijbelsche munt tegen de waardelooze wisseltjes der Revolutie in te ruilen?
Ja — er was er één! Om ons daarvan te overtuigen begeven we ons den 24sten Maart 1795, des namidddags te 4 ure, naar de vergaderzaal van „Provisioneele representanten" van het volk van Holland. Dat zijn de mannen, die op het oogenblik deze provincie regeeren — neen! dat woord is uit den slaventijd afkomstig; laten we zeggen: b e s t u r e n — onder verantwoordelijkheid aan het „souvereine volk". Na de gewone opening komen aan de orde de „ingekomen stukken". Daaronder is er één, een uitvoerig opstel, dat in zijn geheel wordt voorgelezen en een gloed van toorn verft op het gelaat der aanzittende „burgers". Reeds de naam van den schrijver had een slechten klank in hun ooren: mr. W i l l e m B i 1 d e r d ij k, advocaat te 's-Gravenhage.
Reeds in 1795 zei die naam iets. Ieder wist, dat Bilderdijk een onverbeterlijk Oranjeklant was. Daarbij een man met zeldzame gaven, wat hem dubbel gevaarlijk maakte. Men was 't niet vergeten, hij, acht jaar vroeger, in den p a t r io t t t e n t ij d, onvermoeid had gepleit voor de vrienden van Oranje, waar die in de klem raakten; o.a. te Rotterdam voor de bekende K a a t
M o s s e 1. Men was 't evenmin vergeten, hoe hij de Pruisen in 87 een gids was geweest, zoodat na de laatste worsteling om Amsterdam, hun aanvoerder openlijk aan B i 1 de rd ij k de eer van den goeden afloop gaf. Hij stond dus reeds geteekend als een «gevaarlijk sujet".
Maar nu het stuk, dat hij ingezonden had ter vergadering. Bilderdijk was advocaat. En het had den machthebbers, in de dagen der Revolutie, goed gedacht den advocaten, gelijk allen, die eenig ambt bekleedden, een nieuwen eed af te vorderen. Ze moesten zweren als volgt: „Ik verklare te erkennen en te eerbiedigen de onvervreemdbare rechten van den Mensch en van den Burger .......... Ook zweer ik, dat ik mede den Volke van Holland, in welks boezem ik erkenne de eigenlijke oppermacht te berusten .......... gehouw en getrouw zal zijn". D i e n eed kón Bilderdijk niet zweren! En in het nu voorgelezen stuk zette hij uiteen, waarom niet.
En als B i 1 d e r d ij k iets uiteenzette, dan stond het op pooten! Dan was daar weinig tegen in te brengen. Hij verklaarde ronduit, dat hij die „rechten van den Mensch en den Burger" niet als zoodanig kon erkennen.
En dat hij aan het o p p e r m a c h t i g e volk van Holland niet gelooft. De vergadering hoorde met „de uiterste verontwaardiging" de voorlezing van dit stuk aan. En haar antwoord? Bilderdijk werd aangezegd, dat hij binnen 24 uren Den Haag en binnen 8 dagen de provincie Holland verlaten moest. Tevens zou men ook de andere provinciën waarschuwen, opdat men ook daar tegen zulk een „gevaarlijk sujet" op z'n hoede zou kunnen zijn.
De waarschuwing hielp; want 'n maand later vinden we Bilderdijk als balling buitensland omzwervende. Eerst na vele jaren werd het hem vergund in zijn vaderland terug te keeren.
't Zou voor de rust van de Revolutiemannen beter geweest zijn, als ze hem hier stil hadden laten wonen. Hij had aangeboden, om in den tegenwoordigen staat van zaken te „b e r u s t e n". Ware hij in Den Haag gebleven, hij zou stil zijn ambt hebben uitgeoefend en gezwegen hebben.
Nu zweeg hij n i e t! Bilderdijk zag in, dat de R e v o l u t i e in den grond van de zaak was een strijd tegen den levenden God. Dat de strijd niet ging om personen, zelfs niet om het Oranjehuis, maar over de vraag wi e n s wil w e t zou zijn: die van den Heiligen God of die van de meerderheid van het Nederlandsche volk. Waar aldus de eere Gods op het spel stond, daar aarzelde Bilderdijk niet om zich met al den moed zijner onstuimige ziel, toegerust met de schitterende, met de éénige talenten, hem geschonken, in het dichtste strijdgewoel te werpen. Hij was krijgsman in zijn hart. Gaarne zou hij in zijn jeugd in den krijgsmansstand gegaan zijn. Een ongemak aan zijn voet en de tegenzin zijns vaders hadden er hem van terug gehouden. Maar het hart van den oorlogsheld klopte in hem!
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's