De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

DE SMID VAN GRIJSDORP

6 minuten leestijd

DE SMID MAN VAN GRIJSDORP
door JEKA
4)
„Zeker, zij zou er ernstig over denken, daar kon hij opaan. 'k Zal het je zeggen, als ik weet wat ik doen moet".
Het einde was, dat zij zijn aanzoek aannam. Zij was ook den flinken knecht die reeds 10 jaar in haar huis gediend had, genegen; zij moest hem zien heengaan en hare zaken aan haar broer overlaten, die veel verwarring in haar huis had gebracht, wat zou zij dan beginnen? Wellicht kon Zeelman ook Willem weer in 't rechte spoor brengen! Zou het, als zij het aannam, in vele opzichten geen uitkomst zijn? Hoe meer zij er over dacht, des te minder durfde zij het afslaan. Zij zag ook nu naar boven, tot Hem op. Wiens hand haar lot en leven bestuurde, van Wien zij in de eerste plaats hare hulp verwachtte, en gaf haar jawoord.
Het huwelijk, dat eerst heel wat tongen in beweging bracht, werd weldra gesloten. Het was vooral een streep door de rekening van Oom Henk, die er met kracht tegen opkwam, maar het toch niet kon keeren, en ten slotte besloot, met anderen die uit Grijsdorp naar Amerika gingen, mee te reizen. Dat zijn zuster hem daartoe goed reisgeld gaf, zeide hij niét, en dat hij met wrok en haat tegen Zeelman in het hart heenging, behoeven wij niet te zeggen.
Uiterlijk scheen door het huwelijk in de smederij niet veel veranderd, maar innerlijk was de verandering groot. En zij was een verbetering. De vrede keerde weder, er was zonneschijn in huis, orde en regel verdreven de wanorde, en met vaste hand bestuurde Zeelman het huisgezin.
Alleen met Willem werd het er niet beter op; 't was alsof Zeelman hem onrecht had aangedaan door zijn stiefvader te worden. Hij vond hem te streng en te ernstig, en bedankte er voor in de smederij het ambacht van zijn vader te leeren. Hij vroeg zijn moeder of hij voor onderwijzer mocht leeren. Dit ging aan; er was te Grijsdorp een Normaalschool. Maar van geregeld studeeren kwam ook niet veel terecht, liever liep Willem op straat met kameraden die voor hem niet deugden.
Ongeloof en wereldzin groeiden in zijn hart; gaarne hoorde hij wat er tegen Gods Woord en Kerk werd ingebracht en het kwaad dat van Gods volk werd verteld. In huis hield hij zich kalm, want zijn stiefvader wist, zoo 't noodig was, hem goed terecht te zetten, en inzonderheid ontzag hij nog zijn moeder, in wier oogen hij droefheid en een stille aanklacht las over zijn gedrag, maar buiten huis haalde hij de schade in, met zijn vriend Hein van „de Beukenhof".
De vermaningen en waarschuwingen zijner ouders, van Meester Wielenga en van ds. Stevens hadden zoo goed als geen uitwerking op hem. Van kerkgaan, catechisatie en het bezoeken van de vergaderingen der Jongelingsvereeniging, kwam niet veel terecht, telkens verwaarloosde hij die.
„Als het niet tot een grondige verandering bij Willem komt, kan hij geen Christelijk onderwijzer worden", zei de directeur, en ieder moest dat toestemmen. Hij verliet dan ook de Normaalschool en zou nu op een kantoor in de naburige stad werkzaam zijn. In de stad was meer te beleven, zoo dacht Willem, en hij zocht zijn vermaak niet op goede plaatsen.
Het eenige dat hem nog aan het ouderlijk huis bond, waren de duiven. Daar zorgde hij goed voor. En om hem genoegen te doen, kocht Zeelman voor hem zeldzame en prachtige exemplaren.
Zoo gingen er eenige jaren voorbij. Er waren nog twee kinderen geboren: Mina en Jacobus; er was vrede en voorspoed in huis, het ging alles zooals het maar gewenscht kon worden, behalve dan dat Willem's gedrag er ook een kruis bracht, dat vooral zijn moeder verdriet en zorg gaf, maar ook veel tot bidden drong.
Willem moest soldaat worden, en werd naar Den Haag gezonden. Een paar maal kwam hij met verlof thuis, en men merkte wel, dat hij nog dezelfde was, vooral niet beter was geworden. Hij was er een half jaar, toen er te Grjjsdorp een telegram kwam, dat hij ernstig ongesteld was en den ouders verzocht werd over te komen.
Zij hebben hem niet levend weer gezien, hij was reeds overleden, toen zij er aankwamen. „Een ongeluk", zoo werd gezegd, „gevallen en inwendig gekneusd, wondkoorts, niets meer aan te doen". Wat er eigenlijk gebeurd was, werden zij niet gewaar; Hein, die met hem onder dienst was, wist er wel meer van, maar zweeg.
Het lijk werd naar Grijsdorp vervoerd en Willem haast zijn vader begraven. Wat was er toen een droefheid in de smederij geweest! Het was voor de moeder haast niet om door te komen.
Als de smid, nu hij den moker op het groote muuranker slaat, daar aan terugdenkt, is hij er nog van ontroerd, hoewel het reeds vijf jaar is geleden. En hij moest er wel aan terugdenken. want Willem's doffer lag immers nog op de bank in den tuin?
Maar het sterven van Willem was de oorzaak niet, dat Zeelman zeer was veranderd, somber en in zichzelf gekeerd was geworden, dat hij zoo kon opvliegen als 't hem niet naar den zin ging, dat hij nors was en streng in zijn optreden tegenover zijn knechten en lang niet malsch, als een klant soms aanmerking maakte op zijn werk. Dat stond in verband met het sterven van een ander, namelijk van den ouden baron van Wijck Doornenberg, van « Beukenhof", ofschoon niemand dat wist dan de smid en God alleen.
Als hij naar binnen ziet, zooals hij tot zijn vrouw zeide, dan is het daar zeer donker. En in dat donker was iets verborgen dat zijn leven in de laatste jaren vergalde, dat hij zijn vrouw niet durfde laten zien ofschoon zij het terdege merkte. Er was iets dat hem kwelde, maar wat het was, wist zij niet en kon zij ook niet gewaar worden.
„Er is een donkere kant aan hem", zei de tuinman van Leeuwen; „dat is niet te ontkennen; ieder die met hem omgaat merkt het wel, en het vreemdste is, dat hij er geen reden voor heeft; het gaat hem immers voor den wind?"
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's