UIT DE PERS
Bij de overdracht van het Lectoraat aan de Theol. School der Christel. Geref. Kerk, gevestigd te Apeldoorn, heeft de aftredende rector Docent P. J. M. de Bruin gesproken over
De verhouding der autonomie en subordinatie der plaatselijke Kerken.
Een onderwerp belangende de zelfstandigheid en de onderworpenheid der plaatselijke kerken, dat nu aan de orde is, door de gebeurtenissen b.v. in het midden van de Geref. Kerken te Amsterdam-Zuid, Zandvoort enz. 't Gaat dus over de verhouding der plaatselijke Kerken tot het Kerkverband, ook onder ons in 't geding! Wij laten het verslag, zooals we het in de couranten vonden, hier volgen, zonder op-of aanmerkingen. Wellicht dat de rede in druk verschijnt en ons toegezonden wordt; dan vinden we wel gelegenheid om er eens over te praten. Het verslag luidt als volgt:
Autonomie afgeleid van autos en nomos (wet) duidt letterlijk aan, dat iemand zelf wetgever en volstrekt onafhankelijk is; en zou dus aanwijzen, dat de plaatselijke kerk geheel los staat van de andere kerken en volstrekt onafhankelijk is. Dan zou alle kerkverband ophouden, in Amerika kwam in de Chr. Geref. Kerk de vraag ter sprake of een classis een ongehoorzamen kerkeraad mag afzetten. De eene classis deed dit, een andere zette alleen zoo'n kerkeraad buiten het kerkverband. De Synode van 1926 sprak toen uit, dat zij de afzetting van den kerkeraad door de classis Grand Rapids West ondersteunt. Geheel los van Amerika kwam ook hier de kwestie ter sprake toen de Synode van Assen de meerderheid van den Kerkeraad van Amsterdam-Zuid afzette.
Dit wijst er op, dat ook hier kentering kwam inzake de beschouwing hieromtrent die door prof Rutgers is geleerd inzonderheid in „De rechtszekerheid der plaatselijke kerken", van Rutgers en Lohman. Ook Dr. Bouwman handhaaft niet meer hetgeen hij in 1905 in een brief aan Ds. van Lonkhuizen schreef, waarin hij het onmogelijk noemde, dat een classis een kerkeraad afzet. De verhouding tussohen autonomie en subordinatie wordt thans weer anders voorgesteld dan in den tijd der Doleantie.
Vroeger zelfs, is zij geheel ontaard, zoo verklaart Spr. in het tweede deel zijner rede. Na den apostolischen tijd ontaardde zij in hierarchischen zin. De kerk werd wereldkerk met den Paus aan het hoofd. Sedert gold zelfs de wet: „De kerkelijke goederen zijn niet het eigendom der plaatselijke kerken, maar het eigendom van den Stedehouder van Christus te Rome, die de plenaria dispositio heeft over alle kerkelijke inkomsten. Op het Vaticaansch concilie in 1870 is deze ontaarding bekroond met de onfeilbaarheidsverklaring van den paus, waaraan zelfs voorname Roomsche theologen zich niet konden onderwerpen.
Met de reformatie werd in de Geref. Kerken van West-Europa het ontaarde systeem verworpen, doch in Engeland kwam een ontaarding op, welke de autonomie op de spits dreef, en alle kerkelijk gezag der meerdere vergaderingen verwierp. Dit was het independentisme. Meerdere vergaderingen mogen wel advies geven, maar de kerkeraad is zoo autonoom, dat zij geen enkel advies behoeft op te volgen. Dit is de antipode van de hiërarchie en leidt tot bandeloosheid. Ook in ons land zien wij het hier en daar uitwassen. Ook bij enkele mannen van 1834, later ook tijdens de Doleantie, wat met vele historische bijzonderheden wordt geïllustreerd. Thans zien wij het weer in Zandvoort met de invoering van het vrouwenkiesrecht independent van de andere kerken.
In „Woord en Geest" wordt de eenzijdige verheffing van de autonomie sterk op den voorgrond gesteld. Daarom moet het juiste licht hier over ontstoken. Spr. beziet dan de verhouding tusschen autonomie en subordinatie bij het licht dat de Heilige Schrift hierover ontsteekt.
De Schrift wijst op plaatselijke kerken, maar ook op het Koningschap van Christus. Hij is Koning van de Kerk in haar geheel en als zoodanig van iedere plaatselijke kerk, welke niet uit zich zelf opkomt, waardoor een andere kerk door prediking gesticht wordt. Zij staat dus geestelijk en historisch in verband met heel de kerk.
Ook bij het licht der Concessie, bepaaldelijk Art. 28 en 31 wordt die verhouding bezien. Vervolgens bij het licht der kerkenorde, die met de autonomie der plaatselijke kerken rekent en in Art. 84 alle heerschappij veroordeelt, maar ook in Art. 30, 31 en 36 de subordinatie voorschrijft.
Eindelijk wordt bij het licht der historie zoowel in den bloeitijd der kerken, tijdens de Synode van Dordrecht als in de Chr. Geref. Kerk vóór en na 1892 gewezen op afzetting van kerkeraden door classes.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's