FEULLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
5)
„Hij kan daarom wel iets hebben, dat hem ongelukkig maakt", antwoordde bakker Smals, „al weten wij dat niet".
„Hoeveel is er voor een jaar of wat over gepraat, dat de smid ineens rijk scheen geworden! De een zei, dat hij in de loterij had gespeeld, een ander dat hij een erfenis had gekregen; een derde, dat hij met het een of ander werk heel wat had verdiend; hoe kon hij anders land koopen en hier en daar geld op hypotheek zetten? Zooveel wordt er toch in een smederij niet verdiend, dat men in weinige jaren rijk wordt?"
„'t Gaat mij niet aan, bakker, maar ik vind het jammer van den man. Vroeger was hij opgewekt en een flink prater als hij bij ons kwam, nu zien wij hem bijna nooit meer en als hij nog eens bij moeder komt, is hij altijd even stil en bedrukt. Maar de tijd zal wel leeren wat er achter zit".
„Als ouderling heb je hem er toch wel eens over aangesproken, denk ik, en dan kun je er meer van weten dan ik?"
„Dat is het nu juist; als ge over zijn innerlijk leven, zijn geestelijken toestand met hem begint, zwijgt hij. De laatste maal was ik er met onzen dominé, maar wat deze ook deed, hij kon er niets uitkrijgen, ofschoon hij hem ronduit zeide dat de smid niet meer was als vroeger en er in het huiselijk leven een stoornis was, zooals immers zijn vrouw schreiend had gezegd, en ieder in huis ook wel merkte. De smid ontkende het en meende dat zijn vrouw zich het sterven van Willem, al te zeer aantrok en het daarom in huis niet was als vroeger".
„Nu, dan zullen wij maar voor hem hopen: „na regen komt zonneschijn". Er is in elk huis wel wat, waar anderen niet mee hebben te maken, ofschoon zij er zich wel mee bemoeien. „Ieder huis heeft zijn kruis" en daar blijft het bij. Gelukkig als God kracht geeft het geduldig te dragen".
„Dat zeg je goed, van Leeuwen; maar ik moet verder, goejen dag!"
„Dag Smals, tot ziens, de groete thuis".
„'k Zal 't waarnemen; voort bruine!"
Hoofdstuk II.
Op „De Beukenhof".
Bakker Smals reed op z'n broodkar weg. Hij had brood gebracht bij zijn klanten in den omtrek van Grijsdorp, ook bij den tuinman van den Beukenhof, en een praatje met hem gemaakt. Een twintig minuten westelijk van Grijsdorp lag de oude buitenplaats „de Beukenhof". Liep men van de smederij het noorden in, dan kwam men al spoedig bij de groote brug over het kanaal, dat het Noorden van het dorp doorsneed. Bij die brug was ook een verzamelplaats van menschen, die veel tijd over hebben om op straat te luieren.
Van de brug had men links en rechts een ver uitzicht over het kanaal, waarlangs een breede grintweg liep. Het was daar echter niet zoo goed als voor de smederij; 's zomers kon er de zon fel branden en in het voor-of najaar was er geen beschutting tegen den wind.
Links van de brug, langs 't kanaal waren vele huizen gebouwd; daar stond ook de „Afgescheiden Kerk", zooals het volk haar noemde, en de Christelijke school dicht bij elkander. Was men die huizenrij voorbij, dan zag men het bosch van den Beukenhof en kon men door het bosch het landgoed bereiken. Dat was de kortste weg naar 't dorp en daar stond ook het tuinmanshuis waar van Leeuwen woonde. Reeds de derde van Leeuwen woonde daar in het vriendelijke huisje aan het einde van de groote beukelaan, die naar het landhuis liep, en hij hoopte dat zijn jongste zoon, Gerrit, hem eens als tuinman zou opvolgen.
't Was wel zeer veranderd, sinds de oude baron was gestorven, en alles was verkocht; de freules waren vertrokken naar Velp, en een rijke fabrikant uit Amsterdam was eigenaar geworden. Toch was het nog goed op den Beukenhof waar zijn vader en grootvader hadden gediend en hij nu ook reeds meer dan dertig jaren in tuin en hof bezig was. Voor geen schatten zou hij het willen verlaten.
Van Leeuwen had drie kinderen; Hein, die koetsier was in Den Haag, Rika en Gerrit, die nog thuis waren. Hun moeder hadden de kleinsten nauwelijks gekend, des te beter omoe, die de huishouding van haar zoon waarnam. „Oude Geertje" werd zij genoemd, ook wel „vrome Geertje" en dan met eerbied, want zij was een godvreezende vrouw, tenger en klein van lichaam, maar sterk in het geloof, wijs en vol beleid, zooals de Geest Gods soms een menschenkind bizonder begiftigen kan. En iets bizonders had „Oude Geertje" over zich; dat wisten velen bij ervaring, die om raad en troost tot haar gegaan waren, want zij was als „een moeder in Israël".
Oude Geertje was een blijmoedige en ootmoedige Christin, die van der jeugd af den Heere vreesde en dat ook in heel haar leven toonde. Zij was reeds 76 jaar geworden, maar nog altijd goed in staat de huishouding van haar zoon waar te nemen.
Van dat zij als jeugdig dienstmeisje „de Beukenhof" kwam dienen, was ze altijd gebleven, later als kamenier van mevrouw, en daarna was zij gehuwd met van Leeuwen, den tuinman.
Wat een herinneringen als zij terugzag. Hoe goed wist zij het nog, wat zij er had beleefd; en zij kon er smakelijk van vertellen. Van het leven der adellijke familie, toen alles nog „in de fleur was", en op het landhuis groote partijen gegeven werden ----- zoo nu en dan feest gevierd.
„De Beukenhof" was vroeger veel grooter geweest, „het tiende part is er maar van overgebleven", werd gezegd, maar zoo groot had Geertje het toch niet gekend. Vroeger was er een kasteel geweest, waar omheen uitgestrekte bosschen en landerijen lagen, maar dat was in oorlogstijden woest, alleen de fundamenten en kelders waren er nog van, en op het puin van het oude kasteel was later een landhuis gebouwd.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's