De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

De financieele band tusschen Staat en Kerk (2)
Alleen uit de geschiedenis is de tegenwoordige financieele verhouding tusschen Kerk en Staaf te begrijpen. Wat nu is, is geworden uit hetgeen vroeger was. En hoe was het vroeger? We zagen al, dat er vroeger allerlei schenkingen gedaan zijn voor bepaalde kerkelijke doeleinden. Zoo was er een complex van bezittingen van de  p a s t o r i e  (pastorie-goederen), die dienden tot onderhoud van den pastoor. Een complex van bezittingen van de k o s t e r i e, waaruit de koster zijne inkomsten trok. Een complex van bezittingen, bestemd voor het onderhoud van het kerkgebouw en andere kerkelijke doeleinden; ook wel voor onderwijs en armenzorg. Gewoonlijk ook één of meer v i c a r i ë n, die dikwijls bestemd waren voor den priester die belast was met het lezen van zielmissen voor de afgestorvenen van bepaalde families; ook wel dienend tot onderhoud van den hulppastoor.
Verschillende bezittingen dus, op verschillende wijze ontstaan en voor verschillen­ de doeleinden bestemd; waarbij het beheer zeer verschillend was. Want het beheer van de pastorieën enz. berustte bij de pastoor; en vielen onder z.g.n. geestelijk recht. Andere bezittingen, b.v. de goederen bestemd voor het onderhoud van het kerkgebouw enz., stonden onder beheer van kerkvoogden, wier ambt niet van geestelijken, maar van wereldlijken aard was. Soms was het toezicht gemengd en wel van de geestelijke èn van de wereldlijke Overheid; soms had alleen de wereldlijke Overheid zeggenschap; nooit alleen de geestelijke Overheid (de Kerk zelve).
Waren de inkomsten voor Kerk of pastorie niet voldoende, dan rustte op de parochianen de verplichting daarin uit eigen middelen te voorzien. (In Friesland geschiedde dit b.v. door een omslag over de in de parochie gelegen pondematen.
Vóór de Reformatie was er alleen de Roomsche Kerk en de wereldlijke Overheid trad op als handhaafster van die leer, als uitvoerster van den wil der Kerk. Zij achtervolgde met hare straffen ieder, die van deze leer afweek en dwong hare onderdanen tot de uitoefening van den Roomschen eeredienst.
Met de Reformatie kwam daarin groote verandering. De Overheid werd Gereformeerde Overheid, de Roomsche Kerk werd de Gereformeerde Kerk. En de Overheid bemoeide zich nu veel méér nog dan vroeger met de Kerk en de kerkelijke goederen. De Gereformeerde Overheid beschouwde alleen de Gereformeerde religie als de ware. En daar zij het als hare taak beschouwde (art. 36) de ware religie te handhaven en te beschermen, verbood zij de uitoefening van den Roomschen of anti-christelijken eeredienst. De Overheid besliste wat al en wat niet in overeenstemming was met de Heilige Schrift. In plaats van de Roomsche hiërarchie kreeg men de wereldlijke Overheid die zich overal mee bemoeide.
Gevolg hiervan was ten aanzien van de kerkelijke goederen, dat deze niet meer dienstbaar konden worden gemaakt aan de uitoefening van de Roomsche religie; en de bestemming van Kerke-, pastorie-en kosteriegoederen ging eenvoudig nu over op de Gereformeerde Kerk, den Gereformeerden pastor, den Gereformeerden koster, enz. Ze bleven dus onder vigueur van de Overheid, voor den eeredienst, voor de pastoors, voor de kosters bestemd — maar nu allen  g e r e f o r m e e r d, terwijl ze vroeger  r o o m s c h waren.
De kloosters daarentegen pasten niet in de Gereformeerde leer en verloren door de Reformatie hun bestaansreden. Er waren geen kloosters, geen monniken, geen nonnen meer en dus hadden de kloosterbezittingen geen bestemming meer, ze kwamen vacant, ze werden zinledig, ze waren zonder doel. De Overheid kon er dus een heel andere bestemming aan geven, naar de opvatting van die dagen.
Daar de verschillende gewesten van de Republiek der Vereenigde Nederlanden souvereine staatjes vormden, handelde de Overheid in de eene provincie weer anders dan in de andere. Er was geen algemeene, voor, alle gewesten geldende regel. De lotgevallen der kerkelijke goederen in de onderscheidene gewesten zijn dan ook zeer verschillend geweest; hoewel het onderzoek bewezen heeft, dat er door die Overheidsmaatregelen wel een zekere lijn loopt. De lijn, hier bedoeld, is deze:
De K e r k e-g o e d e r en eertijds voor de Roomsche Kerk bestemd, kwamen aan de Gereformeerde Kerk. In de kerkgebouwen mocht alleen de Gereformeerde religie worden uitgeoefend. De Staten achtten het van zelfsprekend, dat de Kerkegoederen voortaan alleen voor de Gereformeerde religie zouden mogen dienen; ze vonden het zelfs niet noodig dat uitdrukkelijk in hunne besluiten of resolutiën te vermelden. Het sprak van zelf!
Waren de inkomsten uit de Kerkegoederen voor het onderhoud van de gebouwen en voor de verdere kosten van den eeredienst niet toereikend (— men mocht vroeger geen Kerk stichten of men moest ook voor Kerke-goed tot onderhoud zorgen, zoo dat er geen Kerken waren zonder kerkelijke bezittingen —) dan moesten de parochianen daarin uit eigen middelen voorzien. De Overheid hielp daarbij. Dan had een omslag plaats over de parochianen of er werden belastingen geheven (b.v. op schoorsteenen, op wijn en bier, enz.) zulks met autorisatie van de Overheid! In deze belastingen moesten allen, Gereformeerden zoowel als niet-Gereformeerden, mede betalen — een gevolg van het publieke karakter der Gereformeerde religie —; en ook gaf de Overheid wel bijdragen uit de publieke kas. Ook werden wel bijdragen aan de Kerk gegeven uit de kloostergoederen, die vacant of zonder bestemming waren en voor allerlei door de Overheid werden gebruikt.
De Overheid als Voedsterheer der Kerk zorgde er dus voor, dat de Kerken over de noodige inkomsten konden beschikken; en als de inkomsten uit de Kerke-goederen ontoereikend waren, dwong de Overheid alle ingezetenen, zonder onderscheid van religie, in de kosten van den Gereformeerde eeredienst bij te dragen.
De pastoriegoederen werden van Roomsch nu Gereformeerd. Maar de „gereformeerde pastoor" had minder inkomen dan „roomsche pastoor" vroeger, omdat die allerlei buitengewone giften bij doop, trouwen, begraven, enz., ontving. De „gereformeerde pastoor" was dus alleen aangewezen op de inkomsten der pastoriegoederen en deze waren onvoldoende. Op de Staten als Voedsterheeren der Kerk, rustte de verplichting, om, naast de hulp aan  d e K e r k  geboden, ook aan de predikanten de helpende hand te bieden, wat hun tractement aangaat.|
Hoe ze dat deden ?
Ook hier is de wijze van doen in de verschillende gewesten in veel onderscheiden. Soms  c o m b i n e e r d e  men verschillende parochies. Twee of meer parochies beslisten tezamen één predikant beroepen. Waren de inkomsten dan nog niet voldoende, dan gaven de Staten last aan den grietman om een belasting te heffen (in Friesland). Nog bij een resolutie van 20 April 1905 spraken de Staten van Friesland het uit, ,,dat de ingezetenen der parochie verplicht waren een predikant te beroepen en, voor zijn onderhoud te zorgen".
Over het algemeen hebben de predikankanten zich met de inkomsten hunner pastorieën langen tijd kunnen redden. Maar dit veranderde in het laatste kwartaal der 17de eeuw, toen door dijkbreuken en oorlogslasten voor Friesland donkere tijden aanbraken. De huren der landerijen daalden ontzaglijk, zoodat vele predikanten weinig of niets beurden uit hunne pastoriegoederen. De Staten besloten toen (24 Febr. 1682), waar noodig, uit 's Lands kas aan te vullen. De„suppletietractementen" werden telkens op verzoek van de Deputaten der Synode uit 's Lands kas verhoogd. Maar de Staten eischten daarbij, dat de pastorielanden p u b I i e k zouden worden verhuurd, want hoe hooger de inkomsten voor de pastorie of den predikant waren, hoe minder uit 's Lands kas behoefde te worden gesuppleerd bij de tractementen. Ze hadden het beheer over de pastoriegoederen, waar uit de publieke kas gesuppleerd werd, geheel naar zich kunnen trekken, maar dat deden de Staten niet; zij lieten in het algemeen aan de predikanten het beheer en vergenoegden zich ermede  t o e z i c h t  te houden op het beheer en publieke verpachtingen te verrichten.
Van  e n k e l e  pastorieën hebben echter de Staten tijdelijk het beheer aan zich gerokken. Door veepest in de jaren 1744 en 1745 daalden de inkomsten hier en daar geweldlig, de landerijen brachten bijna niets op en hulp was noodig. Toen besloten de Staten van Friesland 18 Maart 1746 dat er geholpen zou worden, ook daar waar tot toe nog niet was gesuppleerd. Maar de predikanten moesten trachten te bewerken dat de ingezetenen hunner parochie het beeer en de inkomsten der pastoriegoederen van den predikant overnamen en daarvoor in de plaats gaven een vaste jaarlijksche bijdrage voor het predikantstractement; en dat voor een tijd van 10 jaren.
Weigerden de ingezetenen dit, dan moesten het beheer en de inkomsten dier pastorieën worden opgedragen aan de Provincie, die zich in dat geval bereid verklaarde gedurende 10 jaren aan de betrokken predikanten een jaarlijksch inkomen te betalen. Van 19 standplaatsen zijn toen voor jaren de pastoriegoederen aan de Provincie opgedragen,
(Wordt voortgezet).

Nieuwjaar 1927.
Nieuwjaar 1927. Gisteren hebben we al de dagen en weken en maanden van het oude jaar nog eenmaal doorleefd, 't Ging nog eens aan onze gedachten voorbij. We hebben het nog eens in ons harte overlegd, alles wat er geschied is.
En nooit kan die gedachte aan het oude jaar, met die maanden en weken en dagen, overweldigend vroolijk en blij zijn. N o o i t! Want wat is er op het eind van het jaar veel weg, wat er aan het begin nog was en dat we toch zoo héél graag hadden willen houden. Hoeveel ledige plaatsen zijn er niet? Ook van 1926 geldt immers: de dood wenkt ieder uur?
En dan: „weinig en kwaad zijn de jaren onzes levens". Daarop maakte 1926 immers geen uitzondering?
En dan: „dagelijks onze schuld meerder maken". Dat is immers in 1926 ook weer zoo geweest?
Wat was ons werk onvolkomen, gebrekkig, slecht Ja, ook in 1926.
Sombere gedachten .......... waarbij alleen 't geloof in Jezus Christus, Wiens bloed reinigt van alle zonden, troost kan schenken. Met Christus het Oude jaar uitgaande ..........
En dan het Nieuwe jaar!
Nu is het de toekomst die ons bekoort. Onze gedachten vliegen vooruit. We blikken in de komende dagen, weken, maanden. Een breed veld ligt voor ons. Voorwaarts! hooren we van alle kanten. En we willen voorwaarts; we zijn al bezig met allerlei.
Maar  h o e  zullen we voorwaarts? De dagen en de weken en de maanden zijn des Heeren. Ze zijn in Zijn hand. Zullen we dan onzen weg niet op Hem wentelen? Van den Heere is alle zegening en aan Zijn zegen is alles gelegen. Zullen we dan onze hope en ons vertrouwen niet op den Heere stellen? Jeremia zegt: .„Gezegend is de man, die op den Heere vertrouwt, en wiens vertrouwen de Heere is. Want hij zal zijn als een boom, die in het water geplant is, en zijne wortelen schieten uit in een rivier en hij gevoelt het niet, als er hitte komt, en zijn loof blijft groen en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en hij houdt niet op van vrucht te dragen". (Jer. 17 vers 5—8).
Gezegend dan is de mensch, die in 1927 den Heere tot zijn steun, tot zijn hulp en sterkte mag hebben door het geloof in Jezus Christus. Want het boek der Toekomst ligt voor ons gesloten hoe we ook turen, we kunnen er niet in lezen nog. Straks, als de toekomst verleden zal zijn, dan zullen we het weten; eerder niet. Maar gelukkig als we toch mogen weten door genade, dat er voor de toekomst in het Boek des Heeren ook voor ons geschreven staat: „De Heere zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid". (Psalm 121 vers 8). Dan zijn we veilig. Dan zegt de Heere: vreest niet. Ik ben met u; u zal niets ontbreken! Heerlijker levensverzekering, hooger levensvreugd is er niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's