MEDITATIE
Ouderjaarsavond-overdenking en Nieuwjaars-overdenking
Kinderkens! het is de laatste ure. 1 Joh. 2 vers 18a.Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de dooden, en Christus zal over u lichten. Efeze 5 vers 14
Oudejaarsavond-overdenking.
Oudejaarsavond! Hoe plechtig, aandoenlijk en gewichtig is die ure voor ons, die dood en eeuwigheid tegemoet gaan. 365 dagen zijn weder voorbij gegaan met al hun lief en leed, met al hun genot en smart, met al hun vreugde en verdriet. Wij staan bij het graf van dat jaar, dat evenals zoovele andere achter ons ligt, om nimmer terug te keeren. Nog weinige uren, en het heeft zijn loop vervuld, en is alles, wat het aanbracht, verzonken in een bodemlooze diepte, waar alles instroomt en niets uit te voorschijn komt. Nog korte oogenblikken, en afgeloopen is al het werk, dat ook dit jaar voor ons te verrichten viel; gestort zijn de tranen, die naar 's Heeren wijze beschikking geweend moesten worden, doorleefd is de smart, die er ondervonden moest worden, maar ook gesmaakt is het genot, dat de Heere gaf te genieten.
Plechtige gedachte! Een jaar wederom voorbij, een jaar dichter bij ons graf, een jaar dichter bij onze eeuwige bestemming, eeuwig w è l of eeuwig w e e. O, moet niet, als wij terugdenken aan den afgeloopen tijd, schaamte ons aangezicht bedekken, als wij beseffen, hoeveel meer er had kunnen gedaan zijn ter eere Gods. Indien de Heere eens op dezen laatsten dag des jaars in Zijn heerlijkheid op aarde nederdaalde en Hij ons kwam onderzoeken, hoe beschaamd zouden wij voor Hem staan, ja, diepe schaamte zou ons vervullen; ja hoe zouden wij geen enkele vraag, die Hij ons doen zou, behoorlijk kunnen beantwoorden. En ziet! de Heere spreekt immers ook tot ons. Hij wil nog een laatste woord tot ons richten, voordat ook dit jaar is heengegaan. Hij wil nog aan de zielen arbeiden.
Aan de hand van de woorden uit de H. Schrift in den aanvang genoemd, wenschen wij de volgende gedachten nader te ontvouwen:
1°. Het is de laatste ure, zoo sprak Johannes eenmaal tot de toen-levende christenen;
2°. Het is de laatste ure, zoo spreekt de leeraar tot zijne gemeente aan het einde des jaars;
3°. Het is de laatste ure, zoo spreken wij tot elkander in de ure des stervens;
4°. Het is de laatste ure, zoo wordt eenmaal tot ons allen gesproken in de ure des gerichts.
Kinderkens! het is de laatste ure.
Kinderkens! zoo spreekt de grijze apostel Johannes, het is de laatste ure, en gelijk gij gehoord hebt, dat de Antichrist komt, zoo zijn ook nu vele antichristen geworden, waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is. Deze woorden komen voort uit een teederüevend en vaderlijk hart. Zij, zijne mede-christenen, waren nog als jonge kinderen, en opdat zij nu niet gelijk de vloed bewogen en omgevoerd zouden worden door alle wind van leer, zoo wilde hij hen waarschuwen tegen het groote gevaar der verleiding. Hij houdt hun voor: het is de laatste ure. Niet dat de Heere nog oogenblikkelijk zou komen, want immers voor Hem zijn duizend jaren als één dag, en één dag als duizend jaren. De Heere Jezus heeft meermalen 't geheele tijdvak van Zijn komst in de wereld af tot den jongsten dag voorgesteld als ware het één enkele dag, één enkele ure. Nog vele eeuwen moesten verloopen, eer die zou gekomen zijn, en tevens met de komst des Heeren in de wereld begon die nieuwe dag, welks einde het einde aller dingen zal aanbrengen. Nog eerst moest de afval komen, de mensch der zonde nog eerst geopenbaard worden, en daarbij moesten Paulus' woorden ter harte genomen worden, waar hij schreef: dat gij niet haastiglijk bewogen wordt van verstand of verschrikt door den geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware — dat u niemand verleide in eenigerlei wijze, want die komt niet, tenzij eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs. En tevens met de komst van Christus in de wereld begon ook de ure, die als veroorzakende den laatsten trap van ontwikkeling in de geschiedenis der menschheid der aarde, van stonde aan, met recht de laatste ure mocht heeten. Elke dag, die aanbrak, elke omwenteling, die de aarde om hare as volbracht, alles kondigt aan: Maranatha! de Heere komt. Elke ure roept het als het ware uit: Het is de laatste ure.
Het is de laatste ure, zoo ook spreekt de leeraar tot zijne gemeente aan het einde des jaars. Nogmaals staan wij voor elkander en wel voor het laatst in dit bijna afgeloopen jaar. Keeren wij terug met onze gedachten naar het verledene, och, hoeveel kwaad en zondigs is er bedreven, hoeveel, dat niet kon bestaan voor den Heere. Hedenavond hebben wij inzonderheid na te gaan, wie wij waren, en wat wij moesten zijn, wat gebruik of misbruik wij gemaakt hebben van den tijd, ons door den Heere God gegeven, ter voorbereiding voor de eeuwigheid. Laten wij onze rekening eens opmaken in deze laatste ure, laten wij daar bij oprecht zijn, bedenkende dat wij met een Alwetend God te doen hebben, en indien wij onbekeerd zijn, laat ons beven en sidderen, als die laatste ure ons vindt, zooals de eerste begonnen is in zonde en ongerechtigheid; of als de Heere Zijn vrije genade aan het hart mocht verheerlijken, was er ook een opwassen in de kennisse en genade des Heeren?
Wat een weldadigheid en trouw ook dit jaar weer geschonken, terwijl men toch alles verzondigd, alles verbeurd had. Wat een groot, oneindig geduld heeft de Heere met ons gehad. Wat een zorg aan ons besteed, dag aan dag, uur aan uur. Hoevele tijdelijke zegeningen werden ons deel, daarenboven, v r e d e was in ons land ook dit jaar steeds de morgen-en avond groete. Deze laatste ure herinnert ons echter ook aan de geestelijke zorgen aan ons besteed. O, telt ze eens, zoo gij kunt, gij die geen vreemdelingen zijt in den weg der genade, de uren, dat de Heere met Zijn Woord tot u kwam, in welke het u goed mocht zijn onder het geklank des Woords. En ging helaas de vijand der ziel met zoovele korrelen weg, die bij het pad werden gezaaid, o, men zou zich bezondigen, wanneer men verklaarde, dat het Woord onvruchtbaar was geweest. Ook dit jaar was de Heere een waarmaker van Zijn Woord: Mijn Woord zal niet ledig tot Mij wederkeeren, maar het zal doen wat Mij welbehagelijk is; het zal voorspoedig zijn, waartoe Ik het zend. Eén van twee: het is tot voordeel of tot een oordeel geweest. Denkt gij er wel eens aan, medereizigers naar de groote eeuwigheid, aan die laatste, allerlaatste ure, die er ook voor u eenmaal zal aanbreken, dat gij eens met den Heere God „alléén" zult zijn. Mocht gij bedenken, dat de Heere u doorgrondt en kent, dat de zonden van dit jaar ook weer bij Hem geboekt staan, en dat Hij als de Heilige, den schuldige geenszins mag sparen. Och! dat gij dan nog in deze laatste ure den Heere moogt te voet vallen en uwen Rechter om genade moogt smeeken.
Het is de laatste ure, zoo spreken wij tot elkander in de ure des stervens. Het is den mensch gezet te sterven en daarna het oordeel. Dat woord treedt nog steeds in vervulling, want wat mensch leeft er, die den dood niet zal zien? Ook dit jaar trad dat woord weer in een ontzettende vervulling. Geen kracht zoo groot, geen macht zoo sterk, geen tranen zoo bitter, geen smeeking zoo ernstig, waarvoor die koning der verschrikking terugbeeft. Hij komt met onverbiddelijke strengheid 't leven afmaaien, wanneer zijn Zender hem zendt. Ontroerende gedachte! met honderd, wat zeggen wij, met tachtig, zeventig of zestig jaren behooren wij allen tot het rijk der dooden, ja, komt met vijftig jaren terug en hoe weinigen zullen er dan nog overig zijn, of komt met veertig, dertig, ja twintig jaren terug, en hoe zullen dan de gelederen zijn gedund. Ook dit jaar zijn wij er weer ernstig aan herinnerd, hoe de dood geen leeftijd spaart, en dat er maar één schrede is tusschen ons en den dood. O, wat is er in sommige huisgezinnen veel veranderd ten opzichte van het begin van dit heensnellend jaar. Met vreugde begonnen, eindigt men in diepe smart. Ja, wat kan de hand des Heeren zwaar rusten, wat kunnen er diepe wonden worden geslagen, en met diepen weemoed staart men op de ledige plaats, die nooit meer recht kan worden vergoed. Waar bracht u dat alles, beproefden? Heeft het sterven, dat gij aanschouwdet, u sterven geleerd? Bracht het u tot verootmoediging voor den Heere, Die toch niet slaat uit lust tot plagen, maar het doet ons tot nut? Bedenke men wel, als die laatste ure aanbreekt, is de genadetijd voorbij. Dan is het lot beslist. Eeuwig behouden — of, o! ontzettende gedachte! eeuwig verloren.
Het is de laatste ure, zoo wordt ons allen eens toegeroepen in de ure des gerichts. Kinderkens! het is de laatste ure. Na het sterven het oordeel. Wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus om weg te dragen wat wij op aarde gezaaid hebben. En ziet, de velden beginnen te rijpen voor den jongsten dag, voor den grooten oogstdag der eeuwigheid. Dan komt de Koning der eere, doch niet, om als een Kindeke te liggen in de kribbe, maar in glansrijke Koningsgestalte, omgeven door heirlegers Engelen op de wolken, om gericht te houden. Voor Hem zullen alle volkeren vergaderd worden, en Hij zal Zijne boeken des gerichts openen en zal de menschen scheiden, gelijk een herder de schapen van de bokken scheidt. Ter linkerzijde zal Hij plaatsen degenen, die het bloed des kruises onrein hebben geacht; niet alleen de openbare spotters, maar ook de werkheiligen, om ze te verwijzen naar de plaats der eeuwige smart; maar door degenen, die ter rechterhand staan, degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn, in eeuwige liefde gekend en gekocht door het bloed des kruises, zal het heerlijke woord vernomen worden: Komt! gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u is bereid van vóór de grondlegging der wereld. Ga in tot de vreugde uws Heeren.
Hoe zal die laatste ure ons vinden? O, iederen avond zijn wij verplicht ons nauw te onderzoeken, maar inzonderheid in de laatste ure des jaars, onder inroeping van 't ontdekkend licht des H. Geestes. Hebben wij genoeg voor de eeuwigheid? Zijn wij ons bewust dat wij zondaren zijn, dat wij zwaar en menigmaal hebben overtreden, dat ook dit jaar het zonde-register vermeerderd is? Zijn ons, door Gods genade, die zonden tot ernstige smart geworden. Ziet, als wij door het licht des Heiligen Geestes en ontdekkende genade tot zelfkennis gekomen zijn, dan gevoelen wij ons melaatsch van: het hoofd tot de voeten, en mogen wel, diep in het stof bukkende, uitroepen: Heere! treed niet met mij in het gerichte, want ik kan voor U niet bestaan. Of is het tevergeefs geweest, dat de Heere die u nog dit jaar spaarde, u met vele roepstemmen omringde, en hebben Zijne beproevingen, die gij moest ondergaan, u tot verharding geleid? Moet dan de kostbare tijd des levens, die u als voorbereiding is gegeven voor de eeuwigheid, ongebruikt voorbijgaan? en de laatste klokslag van uw leven u eerst doen ontwaken, als het te laat zal zijn? Nog, mijn medemensch! is het de tijd der genade. Nog is er mogelijkheid om vergeving te ontvangen voor uw groote schuld, opgelegd voor vele jaren. Och, zeg toch niet: Voor ditmaal ga heen, later bij gelegenertijd zal ik wel roepen. Gevaarlijk dat uitstel. Het is een influistering des satans. Zij, die alzoo hebben gesproken, voor; hen is het steeds een later geworden, en is het nu een eeuwig te laat.
Och! buigt u dan nog neder in het heden der genade voor Hem, die nog helpen kan, Wiens naam is Ontfermer, Die nooit zal zeggen: uwe zonden zijn te groot en te vele, Wiens bloed reinigt van alle zonden.
En moogt gij van vrije genade getuigen, hetzij als kindeke in de genade, hetzij gij in een meer bevestigden staat moogt staan, o, deze avond, de laatste avond des jaars, doe u met verootmoediging neerzinken voor het aangezicht des Heeren! Was het misschien uw geestelijk geboortejaar? Dan hebt gij groote reden om met den Psalmist uit te roepen: Prijs den Heere met blijde galmen, gij mijn ziel hebt rijke stof. Wat een wonderbare genade, dat de Heere naar u omzag, met voorbijgang van anderen, daar er toch in u niets was, ja niets anders was dan zonde en ongerechtigheid, dat de Heere kon aantrekken. Of mocht gij reeds meerdere schreden op dien smallen weg, waarop de Heere u bracht, afleggen, een avond als deze de laatste van een heensnellend jaar, brenge u tot ernstige zelfbeproeving. Ja deze laatste ure herinnert ons het voorbijgaan van alles, wat ons oog aanschouwt. Alles rondom ons verandert, maar, troostvolle gedachte te midden van het vergankelijke: De Heere blijft dezelfde. Hij is de Steenrots die niet bezwijkt. Gelukkig het volk, dat door den geloove zich aan Hem mag vastklemmen. Hij is een veilige toevlucht in den nood. Met Hem zijt gij beveiligd in het leven. Met Hem zijt gij geborgen in de ure des stervèns, met Hem zult gij niet beschaamd uitkomen in de ure des gerichts.
Wezep. N. WARMOLTS.
NIEUWJAARS-OVERDENkING
't Gelui der Kerstklokken is verstorven! als 't lied van Efratha's veld, dat een wijle nazong in het menschenhart. 't Verstierf voor het „Memento Mori" van Oudejaar, voor sombere klanken, die hunne grondtonen hadden in het: Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.... (Psalm 103 vers 8). En reeds stond uit het oude jaar 't nieuwe op. Naast het toegeschoven gordijn het openstaand venster uit den nagalm van het Oudejaarsavondlied het lied van geloofszekerheid:
Maar 's Heeren gunst zal over die Hem vreezen,
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen (Ps. 103:9).
Licht is er gekomen, heerlijk licht. Het L i c h t der wereld! Het venster staat open; 't oog ziet opgaande zon; het ruischt:
De dag is d' Uw'; ook vormdet Gij den nacht;
Gij schiept het licht, de zon met gloed en stralen (Ps. 74 : 16).
Ja, mijn lezer en lezeres, het is in deze dagen een wond're mengeling in de ziele, die van hoogere dingen weet. Kerstklanken — laatste zucht van stervenden tijdkring — een opgetrokken doek van nieuw bedrijf in spel der tijden. Maar die mengeling trekt tenslotte samen in één enkel stralend woord; al die klankbundels laten over één enkelen, wond'ren toon: Genade! Genade Gods, rijk en vrij, door alle tijdkringen en perken dringend en blijvend voor en over Gods Kerke.
Genade Gods, kloppend aan deuren van zondaarsharten!
Genade Gods in het voorbijgegane jaar, ook daar, waar op het in 1926 gedolven graf slechts een dorrend blad bleef van den bloemkrans der liefde!
Genade Gods in het nieuwe jaar, waar de Heere des Huizes roept en wenkt, dat in zullen gaan armen en kreupelen en verminkten!
Genade Gods altijd .....
Daar was brand uitgebroken in het middernachtelijk uur. De bewoners van de eenzame huizinge sliepen. Ziet, hoe de vlammen reeds lekken aan de dakspanten en rossige gloed aan de achterzijde van het dak omhoog werkt .......... Toen kwam een late voetganger voorbij en zag .......... Met zware slagen op de deur, met inslaan van vensterruiten, met sterke stem riep hij de slapers op ..........
Ontwaakt, gij, die slaapt! Dat is de stem van Hem, Die staat aan de deur en klopt! Dat is de stem van den Bruidegom, die in den nacht der zonde komt en roept: Doe mij open, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive (Hooglied 5 vers 2).
Dat roept Hij, ook in het nieuw begonnen jaar. Waarom?
Er is te Efeze door de prediking van het Evangelie der liefde Gods eene gemeente gekomen. Paulus, de heiden-apostel, schrijft een brief aan de heiligen, die te Efeze zijn en geloovigen in Christus Jezus. Van die heiligen kan en mag hij zeggen, dat zij, toen zij dood waren door de misdaden en de zonden, levend gemaakt zijn met Christus en uit genade zalig zijn geworden. Nochtans vermaant de Apostel dat ze zouden wandelen waardig der roeping, met welke zij geroepen zijn. Navolgers Gods moeten ze zijn en wandelen in de liefde, gelijkerwijs ook Christus hen liefgehad heeft en Zichzelven voor hen heeft overgegeven. Immers een hoereerder of onreine of gierigaard, die een afgodendienaar is, heeft geen erfenis in het Koninkrijk van Christus en van God. Zondedienaars komen er niet.
En deze vermaning is altijd noodig. De zonde is verleidelijk en bedriegelijk. Ze bedwelmt als opium, maakt gevoelloos als morphine en verdooft het klare weten van den wil des Heeren. Zoo vallen ze in den slaap neder. Ook, die uitwendig tot de gemeente behooren, kunnen bedwelmd worden en in dien slaap zinken, waarin ze den dood vinden.
Ontwaakt, gij, die slaapt en staat op uit de dooden!
Och, we zijn van nature allen in dien doodsslaap verzonken. In het Paradijs had Satan gezegd: Gij zult den dood niet sterven, maar het is gebleken, dat hij een leugenaar is, want ziet, hoezeer we allen dood zijn. Aangrijpend is de teekening, die de profeet Ezechiël in het 37ste Hoofdstuk daarvan geeft.
Hoe zijn we dan dood? Vooreerst uit kracht van onze afstamming van Adam, en vervolgens door de kracht van onzen ellendigen en vijandigen staat tegen den Heiligen God. De bezoldiging der zonde is de dood. Geestelijk en lichamelijk onderworpen aan eene eeuwig afscheiding van Hem, Die het Leven is. Heengaande in de diepste duisternis.
Een bekend schrijver vergelijkt den geestelijken dood met den natuurlijken dood en komt dan tot de volgende opsomming, n.l. dat gelijk in den natuurlijken dood het lichaam is zonder ziel, zoo in den geestelijken dood de ziel is buiten God. De natuurlijke dood ontsiert het lichaam, de geestelijke dood ontsiert de ziel. In den natuurlijken dood verliest het lichaam alle warmte en gloed en ligt verkild neder; zoo mist in den geestelijken dood de mensch alle warmte der liefde tot den Vader in den hemel. Een dood mensch verliest alle recht op zijn aardsche goederen, een geestelijk doode verliest alle recht lop de hemelsche erfenis. Een dood lichaam is niet bekwaam tot natuurlijke daden, eene doode ziel niet tot geestelijke daden. Een dood lichaam heeft geen verstand van natuurlijke dingen, een geestelijk doode niet van geestelijke dingen (1 Cor. 2). Een dood lichaam kan zichzelve niet levend maken, evenmin kan zulks een geestelijk doode.
En deze opsomming kan nog wel verder voortgezet worden. Want het is niet licht uit te spreken, in welk een schrikkelijken staat een in doodsslaap gezonken schepsel zich bevindt. Maar ach, gelijk een doode niet zien kan, hoe hij tot verderf overgaat, zoo ook de geestelijk doode niet. Hij weet niet, dat hij zoo ellendig en vloekwaardig is. We hebben eens vernomen, hoe bij sommige volkeren de gewoonte bestaat om de gestorvenen, voor ze grafwaarts gedragen worden, met hunne schoonste kleederen te versieren. De maagd ligt in haar jonkvrouwelijk kleed, de bruid in haar bruidsgewaad, de man in zijn beste costuum, ja, soms worden zelfs nieuwe kleedingstukken en schoenen gekocht. Ook de kamer, waar de doode in ligt, wordt versierd en met bloemen en specerijen als opgevuld. En dit alles om de narigheid en somberheid van den dood uit te bannen.
Welnu, zulk spel wordt ook met en door geestelijk dooden gedreven. Er is een morgengewaad van deugd, een middagkleedje van hoogmoed, een avondtoilet van dans en lied, van begeerlijkheid der oogen en wellust des vleesches. Alle gewaden zijn niet van denzelfden snit, maar hun dienst is immer tot opsiering van het doode schepsel. Ach, we zijn soms bij lieden gekomen, die niet het minste besef hadden van hun diep zondig bestaan voor den heiligen God; ze bekommerden zich niet in 't minst om den Heere en Zijnen goddelijken wil. En hoe zou het anders kunnen? Eerst moet er een wonder geschieden.
Daar klinkt een stem: Ontwaakt gij, die slaapt! Het is een stem, zoo teeder, zoo ernstig, zoo doordringend. Van wien is die stem? Hoort, ze is van Hem, Die geboren werd in Bethlehem, Die kwam om te dragen de zondekrankheid Zijns volks. Die zoekt en zalig maakt, wat verloren is. Een kribbe was Zijn wieg, een leeraarsmantel Zijn gewaad. Vóór Hem de schaduw van een kruis; de voeten toonen wonden van nagelen. Maar rondom Hem valt een heerlijk licht; in dat licht zien we een troon en Hij zit daarop en Zijn aanzien is den steen Jaspis en Sardius gelijk (Openb. 4 vers 3).
Hij is het, Die roept, Die roept tot u en tot u ..........
Maar kunnen dooden dan een stem hooren?
Er stond een op 't kerkhof. Smart boog hem neder. Hij riep zijn doode, die lag onder die marmeren zerk. De wind nam zijne stem mede en deed die ruischen door het verkleurend blad. En het werd avond en die een stond nog altijd op het kerkhof en riep. Maar geen antwoord kwam en de zerk week niet van hare plaats. Dooden kunnen niet meer hooren. En toch, Z ij n stem kunnen doode zondaars wél hooren Hij heeft het zelf gezegd: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: de ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven" (Joh. 5 vers 25).
En ook het licht dringt niet door tot in de oogen van die slapen in het graf. Het felste licht zal die oogen niet kunnen ontsluiten. Geen licht van wereldglans en kennis en majesteit.
En toch, Z ij n licht kunnen doode zondaars zien. Hij heeft het zelf gezegd: „Ik ben het licht der wereld; die mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben" (Joh. 8 vers 12). Daarom zegt David: „In Uw licht zien wij het licht" (Psalm 36).
Wat is u dan, gij hardsiapende? Ontwaakt, ontwaakt! spreekt Gods Zoon. Klokgelui der genade klinkt! Nieuwjaar is gekomen, de dagen gaan lengen. Nog ligt een levenstijd voor u, misschien van eenige dagen, misschien iets langer. Ontwaakt!
Helaas allen, die de stem van het dierbaar Woord Gods hooren, worden niet wakker. Die stem is voor hen geen levendmakende stem. Maar toch is er een volk, dat ontwaakt. Want ook nu heeft de Heere Zijn overblijfsel naar de verkiezing der genade. Zijn Paulussen, die op weg zijn naar hun Damascus, die behooren tot het volk, dat, in schaduwen des doods liggend. Zijn groot licht ziet. Eerst dat licht rondom de schaduw van het kruis, daarna dat licht rondom den Koning op Zijn troon.
Kinderen des lichts! Soms is het voor hen: Ik zie de poort reeds open staan, ik zie van ver de stralen, van 't licht, dat nooit zal ondergaan.
Klokgelui der genade! Zingt toch, gij klokken des Evangelies! Zingt toch in dit jaar! Roept het toe, dat er uit 's werelds donk're wolken een Licht der Lichten is opgegaan. Dat gekomen is de Koning uit het huis van David, Die alle dingen nieuw maakt, jaren en menschen en verwachtingen. Och, mochten wij het hooren en opwaken uit onzen zondeslaap. Wilt toch niet zijn als een, die slaapt in het opperste van een mast. Laat u redden door Zions Vorst, Wiens stem is met macht en Wiens licht het licht van eeuwig leven is. Een lichtende Christus over u en over mij. En wandelend in Zijn licht, hoorend Zijne stem, gaan de Zijnen
van kracht tot kracht steeds voort,
Elk hunner zal, in 't zalig oord
Van Zion, haast voor God verschijnen.
L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's