De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

5 minuten leestijd

Inlichtingen gevraagd.
Van onderscheidene kanten ontvingen wij het verzoek om nadere inlichtingen te willen verstrekken met betrekking tot de uitvoering en de toepassing van de Zondagswet en meer bepaaldelijk, wat de inhoud betreft van artikel 4 van deze wet. Zooals bekend is, schrijft dit artikel voor: „dat geen openbare vermakelijkheden, zooals schouwburgen, publieke danspartijen, concerten en harddraverijen op Zondag en algemeen erkende christelijke feestdagen zullen gedoogd worden; zullende het aan de plaatselijke besturen worden vrijgelaten hier omtrent een uitzondering toe te staan, mits niet dan na het volkomen beëindigen van alle godsdienstoefeningen".
De vragen, die ons nu ten opzichte van dit artikel werden gedaan, loopen hoofdzakelijk over twee dingen; in de eerste plaats over de vraag: wat onder  p 1 a a t s e 1 ij k e  besturen is te verstaan, en in de tweede plaats of het begrip openbare vermakelijkheden uitsluitend ziet op de met name in het artikel genoemde amusementen, dan wel of aan 't begrip een wijdere strekking kan worden toegekend.
Wat de eerste vraag betreft: de beteekenis van plaatselijke besturen in artikel 4 van de Zondagswet, meenen wij „dat de bevoegdheid om uitzonderingen toe te staan uitsluitend toekomt aan den Raad". Deze meening is gegrond op een arrest van den Hoogen Raad van 20 Januari 1854. Sedert dien is het ons niet bekend, dat een nieuw arrest is verschenen.
Volgens het arrest nu van 20 Januari 1854 moet onder de plaatselijke besturen verstaan worden: de g e m e e n t e r a d en en wel op grond van artikel 1 der Gemeentewet. Dat met deze beschouwing ook door de regeering werd ingestemd, blijkt uit de missive van 8 Februari 1854 van den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken, waarin de Minister de gemeentebesturen gelastte, om zich naar de beslissing van den Hoogen Raad te gedragen, zonder in eene beoordeeling er van te treden.
Mocht intusschen omtrent de bevoegdheid van den Raad om ontheffing van de bepaling van artikel 4 van de Zondagswet te verleenen, twijfel bestaan, dan staat dit echter vast, dat deze bevoegdheid in geen geval bij den burgemeester berust, doch dat zij zou kunnen worden gerekend bij het College van Burgemeester en Wethouders thuis te behooren.
De beteekenis van artikel 4 van de Zondagswet is dus deze, dat, wanneer een burgemeester in eenige gemeente niet tot het verbieden van vermakelijkheden op Zondag wil medewerken, de Raad c.q. het College van B. en W., al die maatregelen kan treffen, welke voor een rustige en stille viering van den Zondag noodig zijn.
Daarnaast staat, dat, zoo de burgemeester de Zondagsrust in zijn gemeente wèl wil bevorderen, doch daarbij den Raad of het College van Burgemeester en Wethouders niet aan zijn zijde heeft, hij, evenals thans de burgemeester te Amsterdam doet, zich streng aan den inhoud van artikel 4 van de Zondagswet kan vasthouden, eerstens door toe te zien, dat de  u i t z o n d e r i n g, waarvan in 't artikel sprake is, geen regel worde en tweedens, dat van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt, dan na het volkomen beëindigen van alle godsdienstoefeningen. En waar nu in de groote steden overal avondgodsdienstoefeningen plaats hebben, zal de vergunning in vele gevallen weinig of geen effect opleveren en daarom achterwege blijven.
Bovendien bezit de burgemeester nog de bevoegdheid, hem bij artikel 188 der Gemeentewet verleend, om ter handhaving van de orde en de rust in de gemeente beperkende bepalingen te treffen.
De tegenwoordige Zondagswet geeft dus aan den burgemeester, die haar in alle gestrengheid wil uitvoeren, het middel in de hand om alles wat de Zondagsrust kan belemmeren te weren.
Over de tweede vraag, betreffende de begrenzing, welke aan het begrip  o p e n b a r e   v e r m a k e l ij k he d e n van artikel 4 der Zondagswet te geven is, kunnen wij kort zijn, omdat daaromtrent arresten van den Hoogen Raad zijn van recenten datum.
Volgens den Hoogen Raad vallen, blijkens de arresten van 3 October 1921, 15 October 1923 en 2 Juni 1924, onder de bepalingen van het artikel van de Zondagswet, voetbalwedstrijden, waarbij het publiek tegen betaling toegang heeft en uit belangstelling tegenwoordig is. Zij die zulk een wedstrijd bijwonen, en zij die zulk een vermakelijkheid organiseeren, maken zich schuldig aan overtreding van artikel 4 van de Zondagswet.
Daaruit blijkt, dat aan het begrip p u b l i e k e  v e r m a k e l i j k h e d e n  een wijdere strekking is toe te kennen dan wat in artikel 4 der Zondagswet met name wordt genoemd.
Komen wij nu tot onze conclusie, dan zouden wij dit willen opmerken, dat de Zondagswet, die in den laatsten tijd weer meer op den voorgrond treedt, onzen Gemeenteraden 't middel verschaft om krachtig mede te werken om de Zondagsrust in de gemeente te verzekeren en er voor zorg te dragen, dat de heiliging van den Zondag mogelijk zij, in dier voege, dat verstoring van den godsdienst worde voorkomen of weggenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's