De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rondom Groen van Prinsterer.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom Groen van Prinsterer.

4 minuten leestijd

Rondom Groen van Prinsterer (VI)
De beeltenis van Willem Bilderdijk hangt bij ons vóóraan in de rij van onze beroemde mannen!  Of Bilderdijk bij ons volk gehoor vond? Het tegendeel is waar. Zelden is er in een land een genie opgestaan, die zóó alom en overal, iedereen tegen hem partij deed trekken. De hand van allen was tegen hem, gelijk zijn hand tegen allen was.
Iemand „Bilderdijkiaansch" noemen, stond gelijk met hem „dood verklaren". Al wat meetelde in ons vaderland was anti-Bilderdijk. Dat was een vanzelfsheid. Dat was de "goede toon"!
De mannen van de Revolutie haatten hem, omdat hij durfde zeggen, dat deze uit den duivel was. En Bilderdijk was ook sterk in z'n veroordeeling van alles wat nieuw was. Voor 't goede, dat denieuwe tijd ons bracht, had hij geen oog. Ons tegenwoordig, eenvoudig maten en gewichten stelsel, — om maar iets te noemen — kon bij Bilderdijk geen genade vinden. 't Was voor hem een vrucht van de Revolutie en hij toornde er tegen, als tegen een uitvinding van den duivel!
Ook veroordeelde Bilderdijk zoo ongeveer ieders opstand. Dien der Grieken tegen de -----en verfoeide hij; eveneens dien der Noord-Amerikanen tegen de Engelschen.
Voor de rechten en vrijheden des volks had hij weinig oog. Van den Koning zegt hij: heerscher onder God, verbonden door zijn geweten, om te "handlen vrij als God, van niemand onderdaan". Een Koning dus als Sultan en Czaar: een grondwet was hem een verfoeilijke vinding.
Dat alles was de eenzijdigheid en de fout van Bilderdijk; maar de hoofdgedachte der anti-revolutionaire leer had hij in hoofd en hart en die verdedigde hij met weergaloos talent. Daarom is en blijft hij „onze" man  en daarom vloog heel de toonaangevende wereld hem in t haar om hem met kracht te wederstaan en hem, waar mogelijk buiten alles te houden.
De mannen van de verlichte politieke beginselen, geboren uit de Revolutie, haatten hem. De godgeleerden floten hem uit, omdat hij vasthield aan ouderwetsche begrippen en nog geloofde aan zoo iets als erfzonde en uitverkiezing. De verzenmakersbent krijschte hem tegen, omdat hij hun producten gewoonweg prullen noemde en ze in zijn eigen verzen zóó geeselde, dat er geen regel van heel bleef. Ieder had wat tegen hem; heel Nederland noemde hem een „onmogelijk mensch".
Maar de hoofdoorzaak van al dien haat, van al de tergingen, waarmee men hem 't leven verbitterd heeft, was en bleef deze: Bilderdijk had het gewaagd, met niets ontzienden moed en nimmer verflauwde volharding, het volk van Nederland terug te roepen tot de oude paden, de krijgsbanler te planten van den levenden God, Jezus Christus te verkondigen als den eenigen, waren  S o u v e r e i n.
Dat was zijn misdaad! Dat kónden de kinderen der Revolutie niet vergeten en vergeven! Daarom mocht hij ook geen hoogleeraar worden! Met zijn ouderwetsche ideeën zou de man onze jongelingschap 't hoofd maar op hol brengen. Toen er, na de verlossing van 1813 sprake van was, dat hij te Amsterdam tot professor benoemd zou worden, spande schier al wat hoog en voornaam was saam, om hem te weren. Een zijner vrienden schreef, dat zijn vijanden door „schreeuwende ongerechtigheid en schandelijke intriges" de overwinning hadden behaald. Zelf schreef hij: „Ik ben al den ministers een doorn in 't oog en de gevloekte schurken (we laten deze uitdrukking voor rekening van Bilderdijk) weten wel waarom".
Een zucht van verlichting slaakte menigeen, toen Bilderdijk tenslotte dood was. Nu zou die „krekel" de liefelijke stilte op 't vaderlandsch erf niet langer verstoren. Nu lag de „spelbreker" in 't graf. Nu kon heel Nederland vergaderd worden onder de vleugelen van„'t Nut van 't Algemeen".
'tWas toen de tijd van de „middenmannen''. Men schuwde de „uitersten". Over de dolle koppen van 1795 en later schudde men 't wijze hoofd. Hun ideeën waren wel mooi, maar ze gingen „te ver". Foei, neen! de dwaasheden van toen, zou men nu niet meer begaan! De weg van toen was goed, maar welk fatsoenlijk mensch vliegt nu zoo onbesuisd als die mannen van '95.
Fatsoenlijk, net en deugdzaam — dat waren de mode-woorden. De „Brave Hendrik" was het ideaal van jong en oud. 't Was de tijd van de lange pijpen en de kopjes slemp. De godsdienstigheid was in eere. Wie niet godsdienstig was heette „onnet". 's Zondagsmorgens kerkgaan en 's avonds een kaartje leggen, dat was het juiste midden. Zóó vermeed men de uitersten!
En met diepe minachting zag men neer op dat „fijne volk", die „femelaars" van „de nachtschool", op die menschen die „gezelschap" hielden en afkeerig waren van een spelletje — ze werden geduld — in de hoop, dat ze spoedig verdwijnen zouden.
En Bilderdijk was gelukkig niet meer. Hij stierf in 1831, op den hoogen leeftijd van 75 jaar. (Geboren 7 Sept. 1756).
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Rondom Groen van Prinsterer.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's