MEDITATIE
Tweeërlei weg — Tweeërlei lot
Heil den man die niet wandelt naar den raadslag der goddeloozen, die den weg der zondaren niet opgaat, die niet zit in het gezelschap der spotters, maar die in des HEEREN vreeze zijn behagen vindt en diens wet dag en nacht overdenkt. Want hij is als een boom, geplant aan waterbeken, die zijne vrucht geeft op zijnen tijd, en welks gebladert niet afvalt; zoo heeft hij, bij al wat hij doet, voorspoed. Niet alzoo de goddeloozen, niet alzoo! want zij zijn als het kaf dat de wind verstrooit. Dies bestaan goddeloozen niet in het gericht, noch zondaren waar de rechtvaardigen vergaderd worden. Want de HEERE beschermt den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen loopt uit op verderf. Psalm 1.
Zóó luidt het eerste lied uit Sions gezangboek; om te zingen van het w e l g e l u k z a l i g zijn der vromen, waartegenover staat het vreeselijk lot dergenen die God niet vreezen en niet leven naar Zijn Woord. Staat zóó in het liederenboek van Christus' Kerk niet op den voorgrond wat voor ieder mensch ihet voornaamste is? Wat is onze eenige troost beide in leven en sterven? Is het niet: wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde? Is het ook óns reislied in 1927?
Psalm 1 is de tekst waarover in alle psalmen gepredikt wordt: tegenover den lust in Gods waarheid, om daarbij te leven, staat de dienst der zonde, om daarin te sterven. Een tusschenplaats tusschen die twee is er niet. We zijn óf bij den een óf bij den ander. Geen neutraliteit.
Eerst geeft de dichter een teekening van den weg der goddeloozen, den breeden weg, die door velen wordt bewandeld, maar die naar een wis verderf leidt. Een weg, ook daarom zoo gevaarlijk, omdat deze weg van kwaad tot erger leidt en in drie trappen afdaalt naar beneden! Zoo komt de volkomen afscheiding tusschen vromen en goddeloozen, wier gezindheid en levenswijze, raad en weg, wordt aangeduid door den dichter; en het gaat stuk voor stuk bij den mensch van het eene kwaad tot het andere.
Eerst „een wandelen in den raad der goddeloozen". Zonder bepaald doel „wandelt" men; zonder dat het nog een bewuste, felle opstand tegen God en vijandschap tegen Zijn dienst en Woord is. Maar is men eenmaal te midden van de redeneeringen en beraadslagingen der goddeloozen, die alles zonder God willen verklaren, dan wordt het spoedig een „staan op den weg der zondaren". Men gaat meeloopen met degenen die meer nog zijn dan God-loozen; die zondaren zijn, lust hebbend in het kwade, in het slechte, in gruwel. Zoo gaat het van kwaad tot erger. Waar „de wandelaar" is gekomen „bij toeval", daar blijft hij spoedig, welbewust staan, en hij gaat mee op den weg der goddeloozen, om dan te komen spoedig op den laagsten trap van de ladder, die naar den afgrond voert; om dan te gaan zitten, rustig en welbehagelijk, in den kring van de spotters; waar men zich dan helaas! ten slotte geheel thuis voelt.
Wandelen — staan — zitten: Ziet hier de voortgang der zonde geteekend, jongen en ouden! Het begin is de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches en de grootschheid des levens. Zooals bij Eva, die den boom zag, die begeerlijk was tot spijze. Daarna haar „wandelen" in den raad der goddeloozen", om de dingen los van God te maken. Vervolgens een „staan op den weg der zondaren", luisterend naar de stem des boozen. Straks „spot" zij met Gods gebod en neemt en eet van de verbodene vrucht, wat tot haar dood is, meetrekkend in het pad van gruwel haar man en in hem gansch het menschengeslacht.
Zooals het was in het Paradijs, zoo teekent de Psalmist de dingen in zijn tijd; en zooals het toen was is het nóg; waarvan Sion zingt in des Heeren heiligdom en getuigt overal.
Beter is dan ook de andere weg, die hier nu tegenover staat, en waarvan gezongen wordt: heil den man, die dien weg kent! Dat is de weg, waarin de rechtvaardige de wet Gods zoekt, zooals het schaap de weide en het hert de waterstroomen.
Eerst een lust in 's Heeren wet. Dus aangetrokken worden door Gods Woord, door 's Heeren dienst. Een wandelen — neen! niet in de raadslagen van de goddeloozen, maar — een wandelen in den raad des Heeren, belijdend, dat dit het éénige licht is, de éénige waarheid ten leven.
Dat is het zielsbegeeren van Gods kinderen, wier harte besneden is door den H. Geest. Eertijds was 't anders, maar nu, tot God bekeerd, is des Heeren dienst een liefdedienst. En 't liefst verkeert de ziele in de dingen van Gods Koninkrijk; zooals Jezus vroeg: wist gij niet, dat Ik moest zijn in de dingen mijns Vaders?
Dat zielsbegeeren van Gods kinderen brengt tot een tweeden trap: het o v e r d e n k e n van die wet.
Want het harte, dat den smaak gekregen heeft van die zalige waarheid Gods, ziet er naar uit om er van te mogen genieten, om het te mogen ervaren met vrede en vreugd; en zoo wandelt de ziele in dien weg met lust, overdenkende en bepeinzende wat de Heere voor Zijn Sion openbaarde tot zaligheid en vree, door het geloof in Jezus Christus. Dan wordt het een „overdenken" van die wet en die waarheid, dag en nacht.
Want als dat Woord Gods ook óns wat te zeggen heeft, immers dan is er geen rust, dan wordt men dag en nacht bezig gehouden met de zonde, die ons aankleeft (is de wet en de waarheid Gods geen spiegel?); dan staat de gerechtigheid en de toorn Gods ons voor oogen, om bij dagen en naohten het uit te roepen; wees mij zondaar genadig! Waarbij door Gods kinderen wordt gekend een aanbidden van Gods gunst en genade in Christus, in Wien al Gods beloften ja en amen zijn (is het Woord Gods geen uitstalling van deze schatten van Gods liefde?).
Waar de genade is uitgestort, zal men er van vertellen in den kring dergenen die luisteren willen. De bruid spreekt van den bruidegom! Die uit de aarde is, spreekt uit de aarde aardsch — maar als ons harte brandende in ons is, dan is er lust in 's Heeren wet en onze mond spreekt van Hem, in Wien de volheid Gods is geopenbaard tot zaligheid, voor een iegelijk die gelooft. Dan volgen de vruchten der dankbaarheid.
Gelukzaligen en rampzaligen, vromen en goddeloozen zijn in deze wereld bij elkander! Maar de wegen zijn verschillend en de lust en de begeerte is bij den een gansch anders dan bij den ander.
Van nature is er maar één weg: van God af. Dat is in het Paradijs begonnen in en door den val van ons aller vader en verbondshoofd Adam. Maar waar de Heere met Zijn Geest en Woord komt, om woning te maken in de harten van zondaren, daar worden vijanden vrienden; en in plaats dat er lust is in goddeloosheid, mag er een begeerte en lust leven in het harte, naar hetgeen in Christus is geschonken tot zaligheid, om te overdenken Gods Woord, te bepeinzen Zijn waarheid. De boom is gansch vernieuwd door de wedergeboorte en de vruchten zijn vruchten der gerechtigheid.
De bodem waarin de ziele der geloovigen haar wortelen uitslaat, is dan Gods Waarheid; het zijn de beken van Christus' kracht waardoor de ziele wordt verkwikt en de krachten worden vernieuwd.
Niet meer in zichzelf vindt de mensch dan vrede en vreugd. De vruchten van eigen akker zijn bitterheid. Maar de ziele, in Christus ingeënt, leeft uit den waren Wijnstok en de ranken mogen vruchten der bekeering voortbrengen, met vrede en barmhartigheid, Gode tot eere en den naaste tot zegening.
Vooral als de heete Oosterzon brandt, komt het voor boomen en planten er op aan of de wortelen verfrischt en gesterkt en gevoed worden met de wateren van stroomende beken. Anders houden ze het niet uit. Ze zullen verwelken en vergaan!
Maar veel meer komt 't er voor de ziele in tijden van beproeving op aan, gedrenkt te worden uit de wateren van Gods genade, uit de beken van Gods gunst. Alleen als de ziele, ingeworteld in Christus, gevoed en gelaafd wordt met Zijn kruis-en zoenverdiensten, zal de ziele niet bezwijken, maar de kracht zal vernieuwd worden en telkens nieuwe vruchten van vrede en barmhartigheid mogen worden genoten met vreugd.
Zóó is er nu, maar ook straks, t w e e-e r l e i lot.
Een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op z'n tijd en wiens blad niet afvalt — zóó is de rechtvaardige, die in Christus heil, vreugd en vrede vindt. Maar zóó zijn de goddeloozen niet! Die zijn als 't kaf, dat de wind heendrijft. Al wat zij hebben is ijdelheid. Al hun gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, als de bladeren, die afvallen. En als straks de schifting plaats heeft en in den hemel vergaderd worden de rechtvaardigen, wier gerechtigheid in Christus is en wier lust het is dicht bij God te leven, dan zullen in de gemeente der rechtvaardigen hier boven de goddeloozen niet bestaan.
De HEERE kent den weg der rechtvaardigen — maar de weg der goddeloozen loopt uit op verderf.
R. M.V.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's