FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
6)
Maar zooals het meer gaat, er was jarenlang veel meer uitgegeven dan ontvangen, totdat, toen de oude baron stierf, alles was verkocht. Nu was het in handen van den fabrikant Schippers uit Amsterdam, die er met zijn gezin de zomermaanden doorbracht en in den herfst wel eens met vrienden kwam om te jagen, maar den meesten tijd van het jaar was het gesloten, en liet hij het bewaren door Jansen, den koetsier, die boven den stal achter het huis een woning had, terwijl van Leeuwen voor tuin, hof en bosch zorgde.
De familie was er thans weer en daarom had de tuinman het druk. Zelf was het hem een genot alles keurig in orde te hebben, en wie er ook in den tuin kwam, van Leeuwen was er om rond te leiden, naar de mooiste plekjes in het bosch, om de zorgvuldig gekweekte bloemperken te laten zien, of den boomgaard, die zooveel fruit opleverde, of de druivenkas en de oude rozenboomen, die een merkwaardigheid op het landgoed waren; want wie had ooit zulke dikke rozenstammen gezien en zulk een overvloed van rozen!
Vooral de jongelui waren gaarne bij den tuinman en zijn zoon Gerrit. Hij was niet karig met bloemen en vruchten en kon heel wat door de vingers zien als die „stadsjongens" het wel wat „te bont" maakten. Van Leeuwen was jong met hen mee, deed hun gaarne een genoegen en liet hen zooveel mogelijk genieten. Hij zag de grootheid Gods in de natuur en den zonnekant van het leven door Gods goedertierenheid. Hij hield veel van de zon in zijn tuin en ook in zijn hart. En daar houden kinderen in den regel ook van.
Nu, in 't hart van oude Geertje scheen ook de zon, zoodat het er niet donker was. Ook zij had bosch en tuin liet, maar als de familie er was, met gewoonlijk vele gasten, dan bleef zij in 't tuinhuis. „Een oud mensch kunnen ze niet meer gebruiken, die loopt maar in den weg", zei zij dan tegen Rika, haar kleindochter; „'t is hier rustiger en misschien komt mevrouw nog wel eens aan".
En dat deed mevrouw; meer dan eens bezocht zij „de oude tuinmansvrouw", die nog „zulke heldere oogen in 't hoofd had" en bij wie het „zoo netjes in huis was". Over weinig bezoek had Geertje trouwens niet te klagen. Velen wisten haar wel te vinden en den meesten deed het goed eens een poosje bij haar te zijn.
Vroeger kwam de vrouw van Zeelman zeer veel bij haar. Geertje was haar tante en de huisgezinnen van den smid en den tuinman, hadden druk met elkander verkeerd; vooral de kinderen waren veel bij elkander geweest. Ook toen de weduwe Faber met Zeelman was gehuwd, was dat zoo gebleven. Zeelman was zelfs zeer gaarne bij „tante Geertje". Zij kon 't dichtst bij zijn hart komen, ofschoon zij het toch niet open kon krijgen. Vooral in de laatste jaren niet. Zeelman kwam zeer zelden meer; er was een vervreemding tusschen de gezinnen ontstaan, sinds, zooals boer Brongers hun buurman gezegd had, „de smid door den duivel geplaagd werd".
,,Men kan zich zelf ook plagen, buurman, erger nog dan de duivel het doet", 'had oude Geertje geantwoord; „en ik denk dat onze neef daarmede bezig is".
Maar wanneer de familie Schippers nog niet op „den hof" was, en vooral in de maanden Mei en Juni, als het zoo wonderlijk schoon was in tuin en bosch, was Geertje er zeer gaarne, 's Morgens als Rika de eieren geraapt had en het pluimvee verzorgd, dan had „oude Geertje" steeds wel 'n uurtje over om door den tuin en 't bosch te wandelen. Hoe goed deed het haar, de schoone werken Gods in Zijn schepping te zien.
Wat een plechtige stilte, wat een verheffende pracht! Een overvloed van leven en arbeid overal en dat alles uit God en tot Zijn eer!
Zij hoorde de vogelen zingen, zij zag de vruchtboomen met een bloemenkleed overtogen; zelfs in de schaduw der dikke beuken groeiden de varens en bloeiden er bloemen.
„Oude Geertje" zong dan mee en er waren ook bloemen in haar hart.
Grootmoeder en kleindochter zaten thee te drinken; vader en Gerrit zouden zoo wel komen.
„Daar zijn ze al"; zij hooren tenminste gerucht aan de achterdeur. De kamerdeur vloog open en als een doodelijk gewonde kwam Gerrit binnen, schreeuwende: „Omoe! Omoe! Rika! Vader is verdronken. Vader is dood !" Hij viel grootmoeder snikkend om den hals met zooveel geweld dat zij haast van den stoel afviel.
Alsof haar 'n donderslag trof, zoo schrok „oude Geertje"; zij tastte naar haar buik en duwde Gerrit van zich af en zei: Jonge toch! Wat is er gebeurd?"
Alle drie vlogen overeind en snelden de kamer uit. Geertje 't laatst, omdat ze van schrik bijna niet loopen kon en zich aan de deur moest vasthouden om niet te vallen, terwijl zij bad: „Och Heere! help ons!
Iets vreeselijks wachtte haar. Boer Brongers en zijn zoon Albert, de koetsier Jannes en nog iemand, droegen van Leeuwen in huis en legden hem op den grond. Door en door nat, vol modder en vuil, lag de man als een doode in de keuken. Allen waren door schrik bevangen. Rika gilde het uit: „Vader! Vader!" En oude Geertje knielde bij haar zoon neer, hief zijn hoofd op en terwijl zij met haar schort zijn gezicht afdroogde, riep zij uit: ,, O, Jan! Jan moet je zoo sterven !"
„Hij leeft nog, vrouw van Leeuwen" zei boer Brongers; „hij zal nog wel weer bijkomen".
„Albert, jonge, vlieg naar den dokter, hij moet dadelijk komen".
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's