KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (3)
Wie over den financiëelen band tusschen Kerk en Staat gaat spreken — schreven we vroeger — moet terug gaan in 't verleden. Wat nu is, is geworden uit hetgeen vroeger was. De dingen die nu zijn vinden hun oorsprong in hetgeen achter ons ligt en vroeger is geschied.
We waren met ons historisch overzicht zóóver gevorderd, dat we de verschillende kerkelijke goederen in beheer en verzorging in den Reformatietijd voor ons zagen. Waar bij uitkwam, dat de Staten zich, als Voedsterheeren der Kerk, verplicht achtten aan de Kerk en aan de predikanten financiëelen steun te bieden uit 's Lands kas. De Staten eischten daarbij publieke verpachting van de pastorielanden. Ook hebben ze wel eens in het beheer ingegrepen, bijv. door aan een pastorie toebehoorend land te haren bate te verkoopen. Zij deden dit in kwaliteit van Overheid! En ze vonden de vrijheid en het recht tot zulke dingen hierin, dat zij, de Overheid, aan de predikantstractementen uit 's Lands kas suppletie gaven. (In Friesland 450 car. guldens per jaar). Zij beschouwden zich als rechtstreeks en als alleen geïnteresseerd bij die pastoriegoederen en meenden verplicht te zijn te koopen en te verkoopen tot meerder inkomen van die pastoriebezittingen. Op den duur werd de uitbetaling der suppletie-tractementen voor de Provincie zeer bezwarend. Omstreeks 't midden der 18de eeuw stond het er met hare financiën slecht voor. Een der m i d d e le n o m d a a r i n v e r b e t e r i n g a a n t e b r e n g e n w a s d e v e r k o o p v a n p a s t o r i e - g o e d e r e n. De Staten namen dan op zich aan de predikanten een jaarlijksch tractement van 450 car. guldens te betalen. Ingevolge der resolutie van 12 Maart 1762 (waaraan voorafgegaan was het Reglement reformatoir van 21 Dec. 1748, zie art. 41) zijn de goederen der suppletie trekkende pastorieën in de jaren 1762, 1763 en 1764 verkocht. De opbrengst is gestort in 's Lands kas, zonder dat de pastorieën daarvoor eenige vordering ten laste van de Provincie in de plaats kregen.
De jaarlijksche betaling der „suppletietractementen" was en bleef n i e t op grond van goederen die van de Kerk aan den Staat waren overgegaan, maar enkel en alleen op grond van het feit, dat de Overheid Voedsterheer over de Kerk was en zich verplicht rekende uit 's Lands kas aan de Kerk en aan de predikanten hulp te bieden. Om de continuatie dier betaling moest dan ook steeds worden gevraagd; later moest dat om de tien jaar geschieden — sinds 1768 —
Hier wordt het dus een echte warwinkel wat de financieeie verhouding van Kerk en Staat betreft. Want er waren pastoriegoederen die verkocht werden en in 's Lands schatkist kwamen — waartegenover de Staat aan de Kerk suppleerde bij het predikantstractement. Er waren pastoriegoederen die al verkocht waren, omdat men zelf de grondlasten niet kon betalen — en de Staat betaalde aan het predikantstractement. Er waren pastoriegoederen die aan de Kerk bleven — en de Staat vulde het predikantstractement aan.
Waarbij de Staat het deed niet op grond van financieele rechten of om oorzake van kerkelijke goederen enz., maar enkel en alleen „als Voedsterheer der Kerk zich verplicht achtend in het onderhoud der predikanten te voorzien". De kwestie van de kerkelijke goederen was daaraan ondergeschikt. (Zie voor een en ander: prof. L. J. van Apeldoorn. De Financieele verhouding tusschen Kerk en Staat. 's-Gravenhage. Js. Bootsma, 1919, blz. 13 enz.). De Staten van Friesland hadden sedert 1682 jaarlijks duizenden guldens besteed voor de bezoldiging der predikanten, terwijl de gemeenten zelve daarvoor niets hadden gedaan (prof. Van Apeldoorn, blz. 14).
In 1764 en 1794 hebben de Staten de uitkeeringen verhoogd, maar bij dit alles hebben de Staten zich nooit verbonden tot eenige betaling. Zij deden het als Voedsterheeren der Kerk, waarbij de Kerk zelve dikwijls slecht zorgde èn voor hare goederen èn voor hare predikanten (blz. 14).
De vicariën zijn in Friesland nagenoeg overal samengesmolten met de kerkegoederen, of aan bepaalde families uitgekeerd èf omgezet in studiebeurs. Ook in Groningen en Drenthe bleven de pastorieën na de Reformatie veelal als zelfstandige stichtingen bestaan, onder het beheer van de predikanten. De Staten gaven ook hier dikwijls uitkeeringen uit 's Lands kas, omdat de inkomsten ontoereikend waren. Verkoop van pastoriegoederen ten bate van de Provincie heeft in Groningen en Drenthe niet plaats gehad. De vicariën in deze gewesten schijnen, voorzoover zij niet verduisterd zijn, saamgesmolten te zijn met de pastorieën; ook wel gevoegd bij de Kerke-goederen. Voldoende zekerheid bestaat hieromtrent niet. In sommige provinciën besloten de Staten (b.v. in Zuid-Holland), om de pastorie-, vicarie-en kosteriegoederen in één buidel saam te brengen. In Drenthe besloot men er wel toe, maar uitgevoerd is het niet.
Evenals de Staten van Friesland, Groningen en Drenthe beschouwden ook die van Holland zich als „Voedsterheeren der Kerk" En als zoodanig meenden zij verplicht te zijn voor het onderhoud der predikanten zorg te dragen. Maar daarbij wilden zij waarborg, dat de speciaal voor het onderhoud der predikanten bestemde goederen goed werden beheerd en niet verduisterd. De Staten van de drie Noordelijke Gewesten zochten dien waarborg in toezicht op het beheer; maar Holland nam het beheer in handen. Wat Friesland tijdelijk op kleine schaal had gedaan (in 1746 ten opzichte van 19 pastorieën) deed Holland in 't groot! De Staten van Holland vereenigden de pastorieën, die zich zelf niet bedruipen konden, onder ééne administratie: het geestelijk kantoor van Delft. Nog andere inkomsten vloeiden in de kas van dat geestelijk kantoor — maar al deze inkomsten waren nog bij lange niet voldoende om in de behoeften der predikanten te voorzien. Een belasting, door de Staten geheven, werd de voornaamste bron van inkomst hierbij (Resolutie der Staten van Holland, 5 Maart 1586. 't Blijkt ook uit de rekening van het geestelijk kantoor van 1579. Bijna 4/5 gedeelte van alle ontvangsten vloeide uit de belastingen). Ook in Utrecht had men zoo'n g e e s t e l ij k k a n t o o r, waar de pastorieën door de Staten onder één administratie waren gebracht, en evenals de Staten van Holland, hebben die van Utrecht het tekortkomende gevonden uit de belastingen! In 1798 bedroegen de totale ontvangsten van het kantoor ƒ 19653.—, waarvan ƒ 10.000.— aan belastingen.
(Wordt voortgezet).
Overkomen tot de Herv. Kerk.
Het komt nog al eens voor, dat iemand den wensch kenbaar maakt, om „over te komen tot de Hervormde Kerk". Hoe moet een Kerkeraad daar dan mee aan? We willen een geval veronderstellen, dat iemand b e 1 ij d e n d lidmaat is b.v. bij de Gereform. Kerk of bij de Oud-Gereform. Gemeente. Wanneer zoo iemand nu wenscht „over te komen naar de Hervormde Kerk", hoe moet dan de Kerkeraad der Hervormde Kerk handelen? Want — de Kerkeraad moet hier handelend optreden, 't zij dat de aanvrager zich schriftelijk wendt tot den Kerkeraad of mondeling tot den predikant, die de aanvrage dan bij den Kerkeraad overbrengt. Laten we hier afschrijven wat we indertijd als scriba van den Kerkeraad bij het opmaken van een nieuw „Huishoudelijk Reglement van den Kerkeraad der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Delft" hebben voorgesteld en aangenomen hebben gezien.
Art. 53 van het Huishoudelijk Reglement zegt: „Wenscht iemand van eene andere erkende kerkelijke gezindte tot de Nederl. Hervormde Kerk over te komen, zoo maakt hij zijn verlangen schriftelijk bekend aan den Kerkeraad of mondeling aan een der predikanten. Is dit verzoek ingekomen, dan wordt het, zoo noodig, ter kennis gebracht van den wijk-predikant, die in den Kerkeraad zijn oordeel te kennen geeft. Wordt door den Kerkeraad, dit oordeel gehoord, besloten tot toelaten, dan zal de naam worden ingeschreven in de registers wanneer de persoon in kwestie vroeger tot de Hervormde Kerk behoord heeft, waarvan de ingeschrevene schriftelijk bericht krijgt. Heeft de betrokken persoon nooit tot de Hervormde Kerk behoord, dan zal vóór de inschrijving een beantwoorden van de drie belijdenisvragen noodig zijn, in tegenwoordigheid van den wijk-predikant en wijkouderling, of voor de commissie die des Vrijdagsavonds zitting houdt in de Nieuwe Kerk (Doop-, tevens Trouwcommissie)"
Een dergelijke regeling bestaat — in hoofdzaak — ook te Rotterdam. Waarschijnlijk overal, waar een regeling getroffen is. Het is dus geen gewoonte — nergens — om een belijdend lidmaat van een andere kerkelijke gemeenschap in het openbaar weer belijdenis des geloofs te laten afleggen. Na samenspreking gebeurt dat voor en door (namens) den Kerkeraad.
Nederlandsch-of Nederduitsch?
Men vraagt ons, wat het zijn moet: Neder l a n d s c h Hervormde Kerk of Neder d u i t s c h Hervormde Kerk? Wanneer we spreken over de Hervormde Kerk landelijk, zooals de Hervormde Kerk in Nederland reilt en zeilt, dan schrijven we: Nederlandsch Hervormde Kerk. We hebben de Synode der Nederlandsch Hervormde Kerk; het Algem. Synodaal Regl. der Neder 1 a n d s c h Hervormde Kerk; de fondsen der Neder-1 a n d s c h Hervormde Kerk, enz. Daar behooren dan bij: de Walen, de Engelsche-, de Schotsche Kerk, enz.
Maar nu kan 't ook heel goed gebeuren, dat we op 't oog hebben de (gewone of Hollandsch sprekende) Hervormde Kerk. Als we b.v. te Utrecht of te Amsterdam spreken van den Kerkeraad of van de Scholen of van de Wijken of van de Kerken der Hervormde Gemeente, dan omschrijven we: de Kerkeraad der Nederduitsch Hervormde Gemeente (de Walen, Engelschen, enz., staan hier buiten en vallen hier niet onder).
Wanneer dus de Synode haar Algem. Reglement geeft zou het foutief zijn te spreken van de Neder duitsch Hervormde Kerk; dan moet het zijn: van de Nederlandseh Hervormde Kerk (er behooren ook toe de Walen, Engelschen enz.)
Wanneer de Kerkeraad te Rotterdam of te Vianen een Reglement maakt zou het foutief zijn te zeggen: Huishoudelijk Reglement van den Kerkeraad der Neder 1 a n d s c h Hervormde Gemeente te , maar moet het zijn: der Neder d u i t s c h Hervormde Gemeente te ('t Geldt dan immers de Hollandsch, of Neder-duitsch (in onderscheiding van Hoog-duitsch) sprekende Gemeente; wat wij noemen de „gewone" Hervormde Gemeente).
Kerkeraad en Kerkvoogdij.
Men vraagt ons, wat hooger staat, of liever wat eerst komen moet: de Kerkeraad of de Kerkvoogdij? Een dergelijke vraag zit vast aan de kwestie: bestuur en beheer. En er is haast geen neteliger kwestie in onze Herv. Kerk dan deze. Moesten we alles, naar geref. Kerkrecht, opnieuw opbouwen, ja, dan zouden we het wel weten; hoewel ook dan moeilijkheden nog wel zouden voorkomen. Maar nu alles, en vooral ook „bestuur en beheer", in het midden van de aloude Gereformeerde Kerk (de Kerk dus, die in gezuiverden vorm uit de Roomsche Kerk is voortgekomen en bij de Reformatie zoo heel veel vond, dat er nu eenmaal was) een zoo oude en ingewikkelde geschiedenis heeft, wordt alles zoo moeilijk, om het zóó te krijgen, zooals het eigenlijk wezen moest.
Er is in onze Herv. Kerk groot onderscheid — zelfs scheiding — tusschen bestuur en beheer; iets wat voor de Kerk groote bezwaren mee brengt. Reeds dadelijk hierom, wijl besturen onmogelijk is, indien men niet beschikt over de noodige gelden ter bestrijding van de kosten, welke daaraan noodzakelijk zijn verbonden.
Nu is de Kerkeraad geroepen — en dat is naar de instelling van Christus — om de gemeente te besturen. De Kerkeraad beroept predikanten, regelt de godsdienstoefeningen, heeft de zorg voor het catechetisch onderwijs enz. enz. — en daar is geld voor noodig, geld dat uit het midden van de gemeente moet komen (inkomsten van kerkelijke goederen enz. komen hier dikwijls bij), — maar de Kerkeraad heeft geen geld en kan en mag ook niet voor geld zorgen, want daar zijn de heeren Kerkvoogden voor! —
Dat is de omgekeerde wereld en hoort in het midden van Christus' Kerk niet alzoo te wezen. De Kerkvoogdijen hebben dikwijls, rijke fondsen, maar de Kerkeraad staat zonder iets en machteloos. De Kerkvoogden bepalen wat er geïnd zal worden en wat er uitgegeven zal worden — en de Kerkeraad heeft niets te zeggen. De Kerkvoogden beschikken over de Kerken, over de zitplaatsen enz. enz. — en de Kerkeraad heeft o ! zoo weinig, bijna niets in te brengen. Zóó is besturen van een gemeente en geestelijk, verzorgen van een gemeente voor den Kerkeraad eigenlijk totaal onmogelijk!
Is er een goede verhouding onderling — nu, dan gaat het nog. Maar o, wee als de „heeren" Kerkvoogden zich „voelen", dan is het voor den Kerkeraad bijna niet om te doen! Naar ons oordeel, is die regeling van „bestuur" en „beheer", zooals wij die hebben, totaal verkeerd. En voor ons staat vast, dat de Kerkeraad niet beneden, maar zeer beslist boven de Kerkvoogdij staat; of liever, dat eerst de Kerkeraad komt en d a n, daarna, de Kerkvoogdij; waarbij wij héél de regeling als in strijd met de beginselen van Geref. kerkelijk leven veroordeelen.
Prof. van Apeldoorn zegt er o.a. dit van:
„De scheiding tusschen bestuur en beheer brengt voor de Kerk groote bezwaren mee. Reeds dadelijk hierom, wijl besturen onmogelijk is, indien men niet beschikt over de noodige gelden ter bestrijding van de kosten, welke daaraan noodzakelijk zijn verbonden." „Machteloos ook staan de kerkelijke besturen tegenover den financiëelen nood, waarin vele predikanten verkeeren. Natuurlijk is het voor de Kerk van het grootste belang, dat hare dienaren behoorlijk worden bezoldigd. Niemand zal willen beweren, dat aan dit vereischte in de Hervormde Kerk over 't algemeen op bevredigende wijze is voldaan. Dikwijls reeds is er op gewezen, dat hierin verbetering zou kunnen komen, indien de Synode aan de Kerkvoogdijen de verplichting kon opleggen, uit hare vaak rijke fondsen een gedeelte voor dit doel af te staan.
Het kan ook niet worden ontkend, dat in de gemeenten zelve de scheiding tusschen bestuur en beheer somtijds leidt tot ongewenschte verhoudingen. Het sterkst is nu eenmaal hij, die beschikt over het geld. Bij conflicten tusschen Kerkeraad en Kerkvoogden zijn dientengevolge de laatsten gewoonlijk de meerderen. De voorbeelden zijn niet al te zeldzaam, dat Kerkvoogden de Kerkebeurs zooveel mogelijk gesloten houden voor een predikant die niet naar hun smaak is. Ieder die met de toestanden ten platte lande eenigszins op de hoogte is, weet dat de Kerkvoogden zich daar dikwijls gevoelen als kleine koninkjes, die verre verheven zijn boven een Kerkeraadslid. Uit hun macht over het geld putten zij het bewustzijn van hun kracht. De Kerkeraad, die geld noodig heeft voor geestelijke belangen, moet het onderdanig vragen aan heeren Kerkvoogden En al z ij n er nu o n g e t w ij f e l d vele uitnemende Kerkvoogden, die voor de geestelijke belangen een warm hart hebben, dit neemt niet weg, dat er iets ongezonds is in een toestand, w a a r b ij degenen, die bepaaldelijk zijn aangewezen voor de behartiging dier belangen, a f h a n k e 1 ij k z ij n van d e be he e r d e r s d e r s t o f f e l ij k e goederen en niet omgekeerd." (De spatiëering van deze laatste zin is van ons. Red. Whvr.).
Nu moet eens niemand van de heeren Kerkvoogden in onze Herv. Kerk bij het lezen van deze woorden boos worden.
Want als Prof. v. Apeldoorn (D e S y n o d e e n d e K e r k e g o e d e r e n, Leeuwarden, Meyer en Schaafsma. 1919. blz. 4 en 5) zoo schrijft, doet hij 't natuurlijk niet, om tegenover Kerkvoogden onwelwillend zich te toonen. En als wij er hier over schrijven, ook niet. 't Gaat hier zuiver en alleen om een beginsel, dat in het midden van Christus' Kerk van 't grootste belang is. En dan moeten we allen gaan voelen, dat een gemeente niet afhankelijk mag zijn van de beheerders der stoffelijke goederen, omdat de Kerkeraad van God geroepen is de gemeente te besturen.
Eerst komt dus de Kerkeraad. En het instituut van Kerkvoogdij moest, zooals het nu bestaat, onder ons v e r d w ij n e n; terwijl er dan iets geheel anders voor in de plaats moet komen ter hulpe van den Kerkeraad, die geroepen is de gemeente te besturen en te verzorgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's