De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJK OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJK OPBOUW

11 minuten leestijd

Het duizendjarig Rijk. (7)
B r a k e 1 voelt zelf dat er over veel van deze dingen nog wel w^at te praten valt, daar niet ieder dat zóó in de Schrift leest als hij, die in den Paus den antichrist ziet en naast den Paus den Turk (de Mohammedanen) als den voornaamsten vijand der Christelijke Kerk. Zal die antichrist „vernietigd" worden en zal die Turk worden weggevaagd? En zal dan een staat van heerlijkheid voor de Kerk op aarde aanbreken, duizend jaren?
Brakel gelooft het.
„Of de Heere Jezus in 't begin van het duizendjarig rijk persoonlijk naar Zijne menschelijke natuur van den hemel zal komen en die duizend jaren lichamelijk en zichtbaar heerschen?"
Brakel antwoordt (blz. 325): „Neen; de Heere Jezus zal niet lichamelijk van den hemel op aarde komen. Dat zijn te aardsche gedachten. Christus kan zoowel regeeren in den hemel zijnde, als naar het lichaam aarde verkeerend. De zaligen in den hemel zouden Christus dan moeten missen; (en weinigen op aarde zouden Christus' tegenwoordigheid genieten, dewijl Christus maar op ééne plaats kan zijn en de Kerk zeer wijd uitgestrekt zal wezen. De Schrift meldt van geene andere lichamelijke komst, dan de komst ten oordeel, in de wolken, met de stem des archangels, wanneer alle dooden zullen opgewekt worden".
,,Of de martelaren dan naar het lichaam zullen opstaan, duizend jaren leven zonder sterven, en hier op aarde de heerschappij hebben?''
B r a k e 1 antwoordt (blz. 326): „Neen, dat zijn te aardsche gedachten, die een min geestelijk mensch licht vervoeren en tot meer aardsche gedachten afleiden, hoewel onder voorwending van geestelijkheid. De Schrift kent geene lichamelijke opstanding dan ten jongsten dage. Het loon zal den martelaren in de tegenwoordigheid der weleld gegeven worden, als alle geloovigen zullen opstaan. En behalve dat, de heilige martelaren zullen geen vermaak hebben over anderen lichamelijk te heerschen, den heerlijken hemel te verlaten en wederom op de aarde onder zondige menschen te verkeeren".
"Of de Kerk in dien tijd zal bestaan alleen uit ware geloovigen, zonder vermenging met onbekeerden?"
Brakel antwoordt: „Daar zullen ook alsdan nog vele onbekeerden in de Kerk zijn; maar het getal der ware bekeerden zal ongeloofelijk groot zijn, geest en leven zullen de Kerk vervullen, de godzaligen zullen alsdan de overhand en het bestier der Kerk in handen hebben; de anderen zullen zich geveinsdelijk onderwerpen, en als iemand ergernissen begaat, die zal in de Kerk niet geduld worden, maar zal door de kerkelijke tucht óf verbeterd óf uitgesloten worden. Als de Kerk in dien tijd op 't heerlijkst zal geweest zijn, zoo zal zij allengskens afnemen, de godzaligen zullen verminderen en de onbekeerden vermeerderen, zoo dat deze op 't laatst wederom ver de meesten zullen zijn, gelijk in den opstand van  G o g en  M a g o g  zal blijken, in welken onbekeerden in de Kerk zullen samen­ spannen met de goddelooze natiën buiten de Kerk".
„Of de Kerk dan alles zal te zeggen hebben, de overheden afzetten, en zelve in hare plaats gaan zitten?"
Brakel antwoordt: „De politie en de Kerk zullen altijd onderscheiden blijven, gelijk het geweest is van den beginne der wereld, maar de overheden zullen godzalige leden van de Kerk zijn en het zóó wel meenen met de Kerk, als de getrouwe herders en leeraars; hunne regeering zal vaderlijk zijn in alle wijsheid, rechtvaardigheid en goedaardigheid; de Kerk zal blijven bij 't hare, binnen haren kring, en de overheden onder verscheidene titels, zullen blijven bij hun bestek, ieder in het zijne getrouw; doch de overheden en volkeren zullen alsdan tegen elkander geen oorlog voeren, 't zal een vrede-tijd zijn.
Zoo zal 't óók zijn ten opzichte van de Joden. Als zij bekeerd zullen zijn, dan zal wel eene groote menigte van allerlei natiën tot hen komen, en uit hunnen mond het Evangelie hooren en door hen bekeerd worden en zij zullen boven allen uitsteken in kennis, liefde tot Jezus en ijver voor Hem in heerlijkheid en heiligheid; maar 't zal ééne Kerk zijn; te dien dage zal de Heere één zijn en Zijn Naam één. En wat aangaat de politieke regeering, de Joden zullen hunne eigene overheden hebben, in hunnen omkring blijven, hun gebied niet uitstrekken over de geheele wereld, noch over de geheele Kerk en niet zijn als heeren en wetgevers over andere natiën; dat leert ons de Bijbel niet".
B r a k e l verwacht dus inderdaad een tijdperk van duizend jaren, dat er geen oorlog, maar vrede zal zijn; dat de aarde buitengewoon vruchtbaar zal wezen; dat de Kerk zich allerwegen bizonder sterk zal uitbreiden, dat de Joden zich in massa zullen bekeeren en dat door de Joden de heidenen zullen worden toegebracht tot Christus. Brakel meent, dat de Bijbel zulks leert!
Dat hierin een verkeerde uitlegging gegeven wordt aan hetgeen de Schrift zegt, is voor ons wel overduidelijk! Nergens leert de Schrift dit van een tusschenperiode hier op aarde. De strijdende Kerk zal wel andere dingen beleven! En dat ten einde toe! Waarna de groote verlossing voor Sion zal komen en de uitwerping van Satan in de buitenste duisternis!
B r a k e l geeft dus toe voor een groot deel aan de fantastische, on-Schriftuurlijke voorstellingen van de Chiliasten.
Toch gaat hij niet in alles mee, zooals we zagen.
Zoo waarschuwt hij b.v. in z'n verdere beschouwingen (blz. 327), dat men niet moet verwachten, dat de aarde alsdan van zelve alles zal voortbrengen en een ieder met rijkdom zal vervuld zijn. „Aan zulk een Turkschen hemel" — zegt hij — „zouden de luie en lekkere menschen wel behagen hebben. De Heere zal het aardrijk zegenen en vruchtbaar maken; maar die ordonnantie Gods: „in 't zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten", zal blijven. De armen zullen onder u niet ophouden, rijken en armen zullen elkander ontmoeten".
Nader omschrijft  B r a k e l  het duizendjarig vrede-rijk nog op deze wijze: „Die zich groote en aardsche en lichamelijke heerlijkheid en heerschappij inbeelden, zouden zich bedrogen vinden, als zij dien tijd beleefden. Maar die met een geestelijk hart en oog beschouwt de bekeering der Joden, den grooten toevloed der Heidenen en de uitgebreidheid van Jezus' Koninkrijk op aarde, de overvloedige uitstorting des Heiligen Geestes, de groote mate van kennis, liefde, vrede, heiligheid, de vrijheid der Kerk, staande in haar eigen Kerkbestuur, zonder indrang en kwelling van buiten, de goedaardige en rechtvaardige regeering der overheden, en de lichamelijke zegeningen, en Gods klaarblijkelijke tegenwoordigheid in zijne Kerk, haar zegenende en verblijdende — die dit, zeg ik, met een geestelijk hart en oog inziet, die zal de heerlijkheid van dien tijd zien en met al zijn hart daarnaar verlangen".
Brakel wijst in dit verband op het verschil tusschen den tijd van den anti­ christ en den tijd van  G o g en  M a g o g. Dat zijn twee geheel onderscheidene verschijningen, zegt Brakel. „R o m e  was al verwoest, de antichrist al vernietigd, voor of in het begin van de duizendjarige heerschappij der Kerk — en G o g  en M a g o g  staan eerst op na de duizendjarige heerschappij. De antichrist wordt verdelgd onder de zevende fiool — en  G o g en  M a g o g  staan op en worden vernield met het e i n d e  d e r  w e r e l d. Op de verderving van den antichrist moest een heerlijke staat der Kerk komen; maar op de verwoesting van  G o  g en  M a g o g  volgt geen heerlijke staat der Kerk op aarde, maar daarop komt de ondergang van de wereld en 't laatste oordeel. Voor  G o g  en  M a g o g  moet een heerlijke staat der Kerk van duizend jaren vóórgaan, doch voor de opkomst van den antichrist zijn geen duizend jaren voorafgegaan. Zoo is dan  G o g  de antichrist niet!"
B r a k e l stelt óók de vraag „of de duizendjarige binding des satans al lang voorbij is?" en antwoordt: „Neen! Sommigen beginnen met Christus' geboorte, anderen met de verwoesting van Jeruzalem, de meesten met Constantijn den Groote. Het begin zou dan zijn in 300 en het einde van de gebondenheid van Satan in 1300, Ze zeggen, dat de heerlijke staat der Kerk komen zal na  G o g' s en M a g o g' s  verdelging. Maar, na  G o g' s  en  M a g o g' s tijd is er geen tijd van duizend jaren over voor een heerlijken staat der Kerk; want het laatste oordeel volgt terstond daarop. En ook is de duizendjarige binding des satans niet voorbij, want dan moest de heerlijke staat der Kerk óók al voorbij zijn, want die komen gelijktijdig. De heerlijke staat der Kerk en de binding des satans komen eerst na de verwoesting van Rome en na de vernietiging van den antichrist. Rome is nog niet verwoest, de antichrist nog niet vernietigd; dies is de duizendjarige binding en heersching niet voorbij", (blz. 328—329).
B r a k e l vindt het óók verkeerd, om den tijd van de binding des satans en den heerlijken staat der Kerk te beginnen met de hervorming. „Rome staat nog en de antichrist zit nog op zijn troon, welke in des draaks troon, die door den antichrist de Kerk nog hevig vervolgt. De Joden zijn nog niet bekeerd, die wel van de voornaamsten zullen zijn, zoo niet de eersten van den heerlijken staat der Kerk; en het leven uit den dood onder de Heidenen, door de bekeering der Joden, is er nog niet; dies heeft die heerlijke staat nog geen begin genomen; maar is nog toekomst!". „De Kerk wordt bijna overal onderdrukt door de overheden, zoodat ze, inplaats van een kerkelijken paus, onder een politieken paus is gekomen. Van binnen heeft eene groote onwetendheid de Kerk bedekt, in vele plaatsen bijna een Heidendom gelijk, zij is vervuld met allerlei dwalingen van atheïsten; waar is de vrede, liefde, geloof, heiligheid? Deze redenen overreden mij te gelooven, dat de tijd der binding des satans en de heersching der heiligen nog niet is begonnen", (blz. 330—331).
Wanneer de heerlijke staat der Kerk dan zal aanbreken?
B r a k e l antwoordt: „Hij is nog toekomstig en geheel toekomstig. Het zal zijn na de vernietiging van den antichrist en vóór den opstand van  G o g  en  M a g o g. Het zal zijn wanneer de Joden zullen bekeerd worden en daarop een leven als uit den dood onder de Heidenen zal zijn. Verwacht van mij niet een p r e c i e-s e bepaling van d e n t ij d, alleen zeg ik, dat  i k  ze niet zal beleven".
We hebben met opzet het gevoelen van Brakel zeer uitvoerig meegedeeld, omdat hij onder de Gereformeerden een man van gewicht is en blijft. Hij is een chiliast, een aanhanger van de leer van een duizend jarig vrederijk, omdat het hem dit alles duidelijk voorgelegd wordt in de H. Schrift, — zooals hij zegt. Dat wij in deze van een heel ander gevoelen zijn, is wel duidelijk geworden. Voor ons spreekt de Schrift in deze héél anders dan voor Brakel. En de Gereformeerde Kerk heeft door alle tijden heen in deze andere gevoelens gehad dan Brakel! Juist omdat de H. Schrift voor de Kerk anders sprak dan voor Brakel! Duidelijkheidshalve onderstrepen we nog even, waarin Brakel weer verschilt met andere chiliasten:
Brakel stelt geen tweeërlei komst van Christus. Christus zal niet lichamelijk op aarde heerschen in die duizend jaren; neen, maar uit den hemel. De martelaren, die gestorven zijn, zullen bij den aanvang van het duizendjarig rijk niet uit de dooden lichamelijk opstaan.
Brakel verwerpt dus ook de tweeërlei opstanding, evenals de tweeërlei komst van Christus.
In de Kerk zullen ook nog vele onbekeerden en geveinsden zijn, maar het getal der ware bekeerden zal ongelooflijk groot zijn.
De Overheden zullen hun eigen ambt houden, maar ze zullen godzalige leden der Kerk zijn.
De Kerk zal vrijgemaakt zijn en vrij op eigen terrein leven.
De Joden zullen in massa bekeerd worden en, wat de politieke regeering aangaat, hun eigen overheden hebben.
De Heidenen zullen door de Joden in massa worden toegebracht tot Christus' Kerk.
De aarde zal bizonder vruchtbaar zijn, maar er zal toch gewerkt moeten worden.
Armen en rijken zullen er zijn, maar ze zullen elkander helpen.
Duizend jaar zal er geen oorlog zijn.
En het vrederijk zal komen, als Rome is verwoest, de antichrist is vernietigd en de Turk is uitgeroeid.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJK OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's