KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (4)
Met de kloosters en kloostergoederen zat men in den Reformatietijd. De Roomsche Kerk werd vervallen verklaard, de Gereformeerde of „naar Gods Woord gezuiverde" Kerk werd als de eenige Kerk geproclameerd en nu kon de Gereformeerde Overheid eigenlijk geen bestemming vinden voor de kloostergoederen, daar in het midden van de Gereformeerde Kerk geen enkel ding was wat met de kloosters kon worden vergeleken. De stedelijke Overheden hebben ze hier en daar ingepalmd. Ook kwam 't wel voor, dat de Gewestelijke Staten de kloosters onder ééne administratie brachten (b.v. in Friesland), om dan uit de inkomsten salarissen van rectoren, schoolmeesters en enkele predikanten te betalen; ook wel om de armen ondersteuning te geven; ook wel om staatsambtenaren te bezoldigen en óók wel voor de betaling van oorlogslasten.
Daarna zijn de kloostergoederen verkocht; in 1644 zijn de laatste te gelde gemaakt. De opbrengst werd gebruikt tot delging van de schulden der Provincie (Friesland).
In Groningen ging het als in Friesland. De oprichting der Hoogeschool is er geheel uit bekostigd. Predikanten en schoolmeesters zijn er uit betaald. Verder zijn er voor het geld forten gebouwd, dijken aangelegd en oorlogsuitgaven uit betaald. In de jaren 1764—1773 zijn de kloostergoederen, voor zoover toen nog aanwezig, verkocht. De opbrengst (ƒ 3.458.836.40), strekte tot aflossing van den schuldenlast der Provincie.
In Holland en Utrecht ging het eenigszins anders. De kloosters bleven na de Reformatie als zelfstandige stichtingen bestaan. Sommige werden opgeheven en de goederen smolten saam met de stadsgoederen (Utr.).
Later dienden de inkomsten van sommigen families toelagen en geldelijke voordeelen te geven, zonder dat zij er iets voor behoefden te doen. De inkomsten der mannenkloosters werden veelal voor godsdienstige doeleinden gebruikt: bezoldiging van predikanten, bestrijding van classicale en synodale kosten, subsidiëering van de stad Utrecht ten behoeve van hare Hoogeschool enz.
Ook de inkomsten van de kloosters in Holland zijn ten deele aangewend voor het onderhoud van de predikanten, ten deele ook voor het onderhoud van de armen en de Hoogeschool te Leiden. Voor een belangrijk deel echter zijn zij gestort in 's Lands Kas (Van Apeldoorn, blz. 15—16).
Die kloostergoederen zijn dus overal weg. De Overheid, de Gereformeerde Overheid, die zich van Godswege geroepen achtte om in deze in te grijpen en oppermachtig te beslissen, heeft ze gebruikt voor allerlei, voor godsdienstige (niet-Roomsche) doeleinden, maar ook voor de Lands-Hoogescholen, ook voor den oorlog, ook voor de schatkist.
Kan dat ooit weer worden hersteld? Immers neen! Wat gebeurd is, is gebeurd en het eenige is, dat er een streep onder gezet wordt, 't Is voorbij. En daarmee uit. Hoewel natuurlijk deze stem der historie door Roomschen en Protestanten nog telkens wordt beluisterd. Wat heeft de historie vele, soms ook wonderlijke dingen ons te vertellen! Opdat we voor de toekomst er ons voordeel mee zullen doen.
Door beschikking van de Overheid waren de kerkelijke goederen dus van bestemming veranderd. Aan de Roomsche Kerk werden ze onttrokken en de Gereformeerde Kerk kreeg het uitsluitend genot van de inkomsten der (oorspronkelijk Roomsche) goederen.
Totdat de Revolutie kwam. Toen werd een ander geluid gehoord! De Revolutie erkende niet ééne religie als de ware: alle godsdiensten waren voor haar gelijk. Voor de Gereformeerde Kerk was dat een kaakslag. Zij gold niet meer als de eenig ware Kerk en verloor haar publiek karakter; zij kwam naast en tusschen de andere kerkelijke vere, enigingen te staan; gelijke monniken, gelijke kappen!
Nu kon natuurlijk aan de Gereformeerde Kerk ook niet meer het eenig en uitsluitend genot van de kerkelijke goederen gelaten worden. Had de Reformatie gezegd: niemand telt mee dan de Gereformeerde Kerk en die alléén; de Revolutie zei: allen zijn gelijk voor de Overheid en ieder heeft even veel recht.
Deze consequentie werd dan ook getrokken, in de Staatsregeling van 1798. Prof. Van Apeldoorn zegt daarvan: „Wij vinden deze stof geregeld in de additioneele artikelen der Staatsregeling. Art. 1 bepaalde, dat de gemeenten der „v o o r m a a l s h e e r s c h e n d e K e r k" nog gedurende drie jaren de traktementen harer Leeraren en Hoogleeraren „bij wijze van pensioen" uit 's Lands kas zouden genieten. D a a r n a z o u d e n z ij e r z e l f v o o r m o e t e n z o r g e n".
Een algeheele omkeering van zaken dus.
Want dit additioneele artikel was een nadere uitwerking van art. 21 der Burgerlijke en Staatkundige Grondregels van dezelfde Staatsregeling, hetwelk bepaalde: „E l k K e r k g e n o o t s c h a p z o r g t v o o r h e t o n d e r h o u d v a n z i j n e n e e r e d i e n s t, d e s z e l f s b e d i e n a r e n e n g e s t i c h t e n".
De Overheid zou dus niet meer optreden als Voedsterheer, noch van de Gereformeerde Kerk, noch van andere Kerken. Dat wil zeggen: de Overheid zou voortaan geen keuze doen tusschen de verschillende Kerken en geen enkele Kerk boven andere Kerken voortrekken; alle Kerken waren voor de Overheid gelijk.
De Overheid verklaarde daarbij: „dat alle kerkelijke goederen, welke eenig Kerkgenootschap door schenking, erfmaking ol aankoop mocht hebben verkregen, als het wettig eigendom der bezitteren zouden worden erkend en aan hen verzekerd". (Art. 5).
Ten opzichte van kerkgebouwen en pastorieën moest (zegt Art. 6) een schikking in elke gemeente getroffen worden tusschen de verschillende Kerkgenootschappen; in dier voege, dat het Kerkgenootschap, welks ledental ter plaatse het grootst was, de voorkeur zou hebben omtrent de naasting eener plaatselijke kerk en pastorie, onder verplichting om aan de andere Kerkgenootschappen een matige uitkeering te doen, in evenredigheid van elks ledental.
Wat de kerkelijke goederen betreft, die in de „geestelijke kantoren" waren saamgebracht (te Delft en te Utrecht b.v.), deze hadden tot nu toe gestaan onder beheer van de gewestelijke of stedelijke Overheden. Deze verkeerden dus in een geheel andere positie dan de eigendommen der plaatselijke Kerk en ook waren ze anders dan de kerkgebouwen of pastorieën. De Overheid besloot om deze goederen „nationaal" te verklaren en dus gemeenschappelijk eigendom van land en volk, om ze te bestemmen voor onderwijs en armenzorg. Zij kregen dus een andere bestemming, maar een bestemming, die vroeger ook al gevonden was. Mocht „eenig Lichaam of Gemeente" kunnen bewijzen recht te hebben op deze goederen of een gedeelte er van, dan zou dat recht worden geëerbiedigd.
Men voelt, dat dus de Overheid dit standpunt innam: de Gereformeerde Kerk was niet de eenige Kerk; er waren ook andere Kerkgemeenschappen. Wat de Gereformeerde Kerk tot nu toe alleen had genoten, moest zij nu samen deelen met andere Kerk genootschappen: ieder wat, naar het aantal harer leden berekend. Vandaar de schikking in betrekking tot de kerkgebouwen en pastorieën. Dat moest nu zoo goed mogelijk gedeeld en die het bezit nam, moest restituëeren aan de anderen.
Wat de overige „kerkelijke goederen" betreft, welke saamgebracht waren in de z.g.n. geestelijke kantoren, werden, voorzoover niemand een bepaald recht kon laten gelden, voortaan voor geen enkele Kerk gebruikt, maar voor onderwijs en armenzorg. De Kerken moesten voor zichzelf zorgen, zoowel de eene als de andere. De Gerefofmeerde Overheid had dus de kerkelijke goederen aan zich getrokken en gaf een gedeelte aan de Gereformeerde Kerk (aan andere Kerken niets) en een ander deel besteedde zij voor onderwijs, armenzorg, oorlogsuitgaven, enz. De Overheid van den nieuwen tijd (na 1798) gebruikte die goederen voor onderwijs en-armenzorg en zei tot de Kerken: allen zijn gelijk en ieder zorgt voor zichzelf. Terwijl zij de kerkgebouwen en pastorieën en de eigendommen der gemeente aan de gemeenten liet. Dat van de Staatsregeling van 1798 niet veel terecht gekomen is, doet intusschen van het beginsel niets af.
(Wordt voortgezet).
Nog eens: Bestuur en Beheer.
Dat „nog eens" — zal wel worden: „nog vele malen". Want over Kerkeraad en Kerkvoogdij, over Bestuur en Beheer, zal nog wel niet het laatste woord gezegd noch geschreven zijn. Nog vele, vele malen zal hierover moeten worden gepraat onder ons. Nu is dat zoo erg niet, als we dan maar tot verheldering van de kwestie mogen komen, om de zaken saam beter te begrijpen en om dan ook te trachten de dingen beter onder ons te regelen.
Laten we nog eens zeggen, dat het ons allerminst te doen is om heeren Kerkvoogden onaangenaam te zijn. We weten, dat er mannen onder zijn, die g e h e e l e n a l, m e t h a r t e n z i e l leven voor de Kerk en niet zelden ook voor de pastorie en voor den dominé en zijn gezin! Wat dat betreft hebben wij op onzen levensweg veel van die Kerkvoogden ontmoet en 't zij dat zij nog leven, 't zij dat zij reeds gestorven zijn, hun naam staat bij ons in hooge eere! O n t z a g l ij k veel hebben vele gemeenten en vele predikanten aan goede Kerkvoogden te danken!
Maar — daar gaat het nu niet om. Waar wij dus met groote dankbaarheid gedenken het werk van veel Kerkvoogden — en veel Notabelen ook — is het er ons om te doen, dat wij met elkander d i t zullen voelen, dat in de gemeente van Christus, dat in de Kerk des Heeren, de K e r k e r a a d nummer één is en nummer één moet blijven.
Daar, in den Kerkeraad, vinden we de ambten door Christus ingesteld. Daar vinden we het bestuur der Kerk, het bestuur der gemeente, zooals Christus door de ambten Zelf Zijn gemeente wil besturen. En daarom moeten we, om Christus' wil, den Kerkeraad op z'n plaats laten. Geen college mag boven den Kerkeraad zich stellen, niemand mag den Kerkeraad binden of machteloos maken; de Kerkeraad moet zelfstandig zich kunnen bewegen naar het Woord van het Hoofd der Kerk, Jezus Christus.
Zoo wordt er dan ook in de Schrift gesproken van herders en leeraars, alsook van ouderlingen. Daarna is de behoefte aan een ander ambt ontstaan, en wel om de wille van de verzorging der armen. Dat is gegroeid. Eerst waren er niet zooveel armen, 't Was een handje vol menschen, die Jezus erkenden als hun Heiland. En, de christenen vergaderden met elkander en verzorgden elkander. Alles in 't klein en alles gemoedelijk, gedragen en gedreven door de liefde tot Christus en de liefde tot den naaste. Maar toen kwam de behoefte aan diakenen; toen de kring grooter werd en de armen talrijker.
En zoo kwam ook langzamerhand de zorg voor de stoffelijke dingen. Kerken, kathedralen, had men eerst niet. Geld en goed ook niet. Landerijen, natuurlijk niet. Geld op 't Grootboek — neen, als „schapen ter slachting" waren ze, volgende den Herder, Die gezegd had: „Vreest niet, klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven, dat voor u is weggelegd van vóór de grondlegging der wereld!"
Maar de positie van de Kerk veranderde. Zij kreeg een eereplaats in het midden van het leven. En er werden schenkingen gedaan (de eeuwigheid zou er voordeel bij geven!), er werden fondsen gevormd (de goede werken beteekenden wat!), er kwamen stichtingen voor allerlei doel: pastorie, kosterie, lezen van zielsmissen enz. enz. En toen de goederen er waren en de fondsen en de landerijen en de gelden kwamen er die „voogden" waren over dat alles, die „beheerders" werden van al dat goed, om aan het geld bestemming te geven enz.
Dat er in den loop der tijden geweldig geknoeid is met het Kerkegoed, gestolen en geroofd — dat behoeven we hier niet te zeggen. Dat veel goed en geld van de Kerk (of voor de Kerk bestemd) voor andere doeleinden is bestemd — dat weten we. 't Is een wespennest, 't is een warwinkel — een kluifje voor juristen, om eeuwen en eeuwen zich er mee te vermaken.
Maar voor ons moet komen vaststaan, dat het geld en het goed van en voor de Kerk, van en voor de pastorie is — waarom, de pastoriegoederen ook door den predikant moeten beheerd worden onder toezicht van anderen, die in de gemeente daar toe gesteld zijn. En het Kerkegoed is van en voor de K e r k, waarom de Kerkeraad de eerste plaats in deze moet innemen.
Wat van de Kerk is staat onder beheer en toezicht van den raad der Kerk, die van Christus is verordineerd en geroepen om de Kerk, om de gemeente, met alles te besturen en te regeeren.
En er is méér te doen dan land verhuren en couponnetjes knippen.
Kerken moeten gebouwd; in die kerken moeten zitplaatsen worden gemaakt; er moet gepredikt worden en de Sacramenten moeten worden bediend. En niemand zal durven ontkennen, dat de Kerkeraad hier de eerste plaats innemen moet. Niet anderen, maar de Kerkeraad moet zeggen en beslissen waar een kerk gebouwd zal worden, wanneer er godsdienstoefeningen zullen zijn, hoe de zitplaatsen zullen worden ingericht en verdeeld onder de leden der gemeenten.
De Kerkeraad beroept en spreekt over het tractement van den predikant, over wat noodig is voor emeriti, weduwen en weezen. Hier moeten Kerkvoogden zich niet tusschen schuiven, om den Kerkeraad van z'n plaats te dringen en zelf op de eerste plaats te gaan zitten of staan. Daarom is voor óns de Kerkeraad nummer één.
Natuurlijk sluit dit niet uit, dat er behulpsels komen in de gemeente, om den Kerkeraad te helpen en wel wat de stoffelijke dingen aangaat. Een commissie van advies, of een commissie van beheer — of hoe men 't noemen wil.
De goederen die er zijn, zijn dus van d e Kerk. Dat moest althans zoo zijn of moest zoo worden. Wat van de pastorie is, blijve aan de pastorie.
Wanneer er dan eventueel een afrekening van den Staat kwam en wat nu de Staat beheert aan de plaatselijke Gemeente wordt uitgekeerd, b.v. naar den maatstaf van het Rijkstractement dat aan elke plaatselijke Gemeente verbonden is, dan zou die afrekening moeten geschieden met de Gemeente, en dus met den Kerkeraad. En aangezien het geld is, dat bestemd is voor het tractement van den pastor loci, van den plaatselijken predikant, zou overal een pastoriefonds moeten worden gesticht (waar 't nog niet is), om daarin de gelden van het Rijk te deponeeren, als er nog eens afrekening tusschen den Staat en de Kerk plaats heeft. Dat geld zou niet aan de Kerkvoogdij moeten komen. Dat geld zou moeten worden gebruikt waarvoor het is bestemd: voor den plaatselijken predikant en wel voor zijn tractement.
Mee om deze dingen voor te bereiden, schrijven we er nog eens over. De Gemeente, de Kerk, is de eerste en de voornaamste. Over de Gemeente is de Kerkeraad gesteld. Kerkeraad en predikant hebben één zijnde saam te werken; ook in het stoffelijke. De Kerkeraad is de eerste en moet de eerste blijven. Laat er dan naast en bij den Kerkeraad een Commissie van beheer zijn, die den Kerkeraad helpt en door den Kerkeraad gesteund wordt. Wil men eens over deze dingen denken? Het zou wel aangenaam zijn als we ook hier weer de rechte lijnen en de rechte beginselen in het oog kregen.
Het Doel van onzen Bond.
Het is nu juist 40 jaar geleden dat de Doleantie een feit is geworden en Zondag is er in verschillende „Gereformeerde Kerken" (uit de doleantie-beweging van 1886 voortgekomen) gedachtenis gevierd van dat heuglijke feit. We kunnen dat begrijpen. Het is een geweldig gebeuren geweest in 1886. En dat deel, dat uit onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk is getrokken en tot de formatie van een andere Gereformeerde Kerk is over gegaan, beschouwt het nog altijd als de meest natuurlijke zaak, dat men is uitgegaan uit „het Genootschap" en men verwondert zich er nog steeds over, dat er niet meerderen van degenen, die zich in „het Genootschap" gereformeerd noemen, volgen en overkomen tot de Gereform. Kerken. Nu willen we het er niet over hebben, dat in 1886 allerlei fouten zijn begaan. Ook niet, dat maar een gedeelte van het Gereformeerde volk is uitgetrokken uit „Babel". Ook niet, dat het in de Gereformeerde Kerken nu juist niet het land van belofte is en het wel wat moeilijk is daar nu juist „feest" te vieren. Dat laten we alles voor hetgeen 't is.
Wat we nu in onzen kring bij deze gelegenheid, 40 jaar na 1886, nog eens willen zeggen, is wel dit: dat we 1886 vooral niet moeten gaan ná doen. Want is het in 1886 een mislukking geweest, nu zou het zeker grooter teleurstelling nog brengen.
We moeten niet een groep Gereformeerde menschen bij elkaar brengen, om uit de Herv. (Geref.) Kerk uit te trekken en het Hervormd Genootschap" als „Babel" achterlaten. De Ned. Hervormde Kerk is voor ons gansch iets anders dan ,,Babel". Het is onze aloude Vaderlandsche Kerk, 't huis onzer Vaderen, des Heeren planting in dezen lande, welke door de zonde van onze Vaderen en van ons in deformatie is gekomen, schrikkelijk in verval is geraakt en in zonde voor God leeft.
We moeten dus niet spreken van „Babel" waarin we uit het land onzer Vaderen gebracht zijn, om er tijdelijk, om der zonde wil, in te wonen en daarna weer te verlaten, zijnde voor ons een vreemd land. Neen! het is het huis onzer Vaderen, de Kerk, door het bloed der martelaren geheiligd en geteekend, levend in de zonde door de ongehoorzaamheid onzer Vaderen en door de ongehoorzaamheid en verdeeldheid van ons, hunne kinderen.
Die betrekking op de gereformeerde Hervormde (Geref.) Kerk is niet weg te cijferen. En het Gereformeerde volk, hier en elders, voelt die trekking telkens. Ook het Gereformeerde volk, dat heenging en zich afscheidde, om in eigen Kerkformatie saam te wonen. Men voelt, dat er iets ontbreekt, dat er iets niet in den haak is. Dat alles scheef ligt. Dat niet bereikt is, waar 't juisy om te doen was. Daarom heeft onze Gereformeerde Bond een ander doel dan een tweede doleantie. Geen herhaling, geen naäpen van 1886!
Van de oprichting afaan heeft onze Gereformeerde Bond — in zijn nieuwen vorm als G e r e f. B o n d t o t v e r b r e i d i n g e n V e r d e d ig i ng v a n d e W a a r h e i d i n d e N e d. H e r v. (G e r e f.) K e r k letterlijk in zijn Statuut: „De Vereeniging heeft ten doel, naar uitwijzen der Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de Drie Formulieren van Eenigheid, laatstelijk vastgesteld enz ..... ..... te arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk" — niet, om aan te sturen op een breuk met die Kerk; niet, om alle maatregelen te treffen er met een groep buiten te komen staan, neen, — "om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar vanouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619".
Wij meenen, dat dit artikel met deze omschrijving van doel en streven van den Gereformeerden Bond, dat wij zelf hebben geformuleerd en op de stichtingsvergadering te Utrecht in „Irene" is aangenomen, voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar is.
We zijn in het midden van de Ned. Herv, (Geref.) Kerk, die in diep verval is, en om die gedeformeerde Hervormde Kerk, waar we gedoopt zijn, waar we belijdenis des geloofs hebben afgelegd, waarin we als predikant werkzaam zijn na haar trouw gezworen te hebben — om de oprichting van die gedeformeerde Kerk is het ons te doen,
Nu kan het natuurlijk best gebeuren, dat men het met dit doel en streven volstrekt niet eens is. Dat men een ander — wellicht een beter doel voor oogen heeft en langs andere wegen wil gaan. 't Zij zoo! Maar dan moet men geen lid van den Gereformeerden Bond worden! Dan moet men niet willen forceeren, den Gereformeerden Bond een ander doel te iaten nastreven.
Dat is oneerlijk. Wij aanvaarden de Ned. Herv. (Geref.) Kerk zooals zij reilt en zeilt.
En als nu b.v. bij vacature een modern predikant een predikbeurt heeft te vervullen, dan vinden we dat vreeselijk; dan is dat voor ons een bewijs van den diepen val van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk; maar omdat we de geschiedenis van die Kerk kennen, met de zonde van onze Vaderen en van ons — en het ons om herstel van die Hervormde Kerk te doen is, adviseert de Gereformeerde Bond krachtens zijn doel en streven nooit aan een Kerkeraad: weiger den kansel en sluit de kerk. Omdat we het geen is, zien in het licht van de historie en we niet willen verbreken en in stukken slaan, maar in den weg van verbreiding en verdediging van de Waarheid, willen werken tot oprichting van de Hervormde Kerk.
Voor de overmacht bukken we.
Onze Hervormde Kerk is niet vrij, maar gebonden. „Simson, de Filistijnen over u". Om in den weg van wederkeeren tot de Heere, Hem te ontmoeten, Die gezegd heeft: „Ik zal verlossing zenden!"
Met Jehizkia, de vrome koning van Juda zeggen we dan ook: „Want onze vaderen hebben overtreden en gedaan dat kwaad was in de oogen des HEEREN onzes Gods en hebben Hem verlaten — daarom is groote toorn des HEEREN over Juda en Jeruzalem geweest, en Hij heeft ze overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, als gij ziet met uwe oogen; Nu is het in mijn hart een verbond te maken met den HEERE, den God Israels, opdat de hitte Zijns toorns zich van ons afkeere.
Mijne zonen, weest nu niet traag; want de HEERE heeft u verkoren, dat gij voor Zijn aangezicht staan zoudt om Hem te dienen en opdat gij Hem dienaars en wierookers zoudt wezen". (2 Kron. 29: 1—11).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's