De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

DE SMID VAN GRIJSDORP

5 minuten leestijd

DE SMID VAN GRIJSDORP
doorJEKA
7)
En Geertje heeft het later altijd als een bizondere beschikking Gods beschouwd, tevens als een verhooring van haar gebed: een paar minuten later was de dokter er al. Hij was er juist voorbij geloopen, toen Albert de beukenlaan uitkwam. Wat een verlichting was het toen de dokter na onderzoek hoop gaf, dat „het nog wel gaan zou". Hoe ijverig waren allen om te helpen! Het duurde niet lang of de tuinman gaf teekenen van leven; voorzichtig werd hij ontkleed, gereinigd en in dekens gewikkeld in bed gelegd. Toen de dokter eenige druppels uit een klein fleschje in een glas water deed en hem daarvan iets in gaf, sloeg van Leeuwen zijn oogen op, zag het ontstelde en betraan­de gezicht zijner moeder die zich over hem boog, en glimlachte even.
„Het zal gaan, moeder van Leeuvven, hij komt er wel weer boven op", zei de dokter. „Wij kunnen hem ook nog niet missen, wel?"
Dokter Geertsen wist in zulke omstandigheden te bemoedigen. „Laat hem nu rustig liggen, ik kom straks nog wel eens terug, moet nu eerst ook even op den hof zien, hoe die jongen het er heeft afgebracht. Tot straks dan.
„Ge kunt nu gerust gaan, mannen, gevaar is er niet, dunkt me, hij moet rust hebben." Oude Geertje lag op haar knieën bij den stoel voor 't bed, om haar God te danken voor het behoud van haar zoon. Zij kon geen woorden vinden, maar de Heere las in haar hart en zag hare vreugdetranen. Rika knielde bij haar neder en wist evenmin woorden te vinden om hare blijdschap te uiten, maar zij gevoelde diep hoe God had welgedaan, nu zij haar vader mocht behouden.
't Was 's middags drie uur geweest; de jongens van 't huis, Kees en Willem, hadden met hun kameraad, Karel van Hoeven, die bij hen logeerde, den tuinman geholpen aardbeien en bessen te plukken voor het dessert, en er meer van gegeten dan zij straks aan tafel zouden krijgen. En nadat zij de vruchten in de keuken hadden gebracht, waren zij weer den tuin ingegaan en daarna het bosch.
Nu was er achter in 't bosch, in den Zuidwesthoek, waar de boerderij van Brongers aan den Beukenhof grensde, een afgesloten terrein waar de afval uit het bosch werd verzameld en 's winters de arbeiders brandhout hakten. Zomers kwam er bijna nooit iemand. Maar in dezen zomerschen middag brachten de jongens er een bezoek, zij klommen over het hek, snuffelden er wat rond, tot zij aan 't eind ook 'n vijvertje ontdekten. Vooral de waterlelies die in het zonnelicht hare bloemen uit het water ophieven, trokken hun aandacht en lokten hen aan. Die moesten geplukt worden.
Zoo besloten zij, en dadelijk werd het uitgevoerd. Zij zouden er een brug heen bouwen. Takken werden aangesleept en van den wal uit in 't water gelegd, een plank er over heen; zóó zou 't wel gaan. Maar, 't was een brug zonder peilers, zoodat, toen Karel, die den meesten moed had of het haastigste was er zich op waagde, hij weldra in 't water spartelde. Gelukkig kon hij zich vast houden aan de plank, maar er uit­ komen kon hij niet.
Op het hulpgeroep der jongens kwam de tuinman aangeloopen en zonder zich te bedenken liep hij den vijver in om den jongen te grijpen. Dat viel niet mee, hij zonk diep in de modder, Karel hield zich in zijn angst krampachtig aan hem vast, wat de jongens in het water geworpen hadden belemmerde hem ook, zoodat toen hij met inspanning van al zijn kracht, Karel eindelijk zoover had, dat deze met behulp van Kees en Willem er uit kon komen, hij zelf verdronken zou zijn, waren niet op het geschreeuw der jongens boer Brongers en zijn zoon en anderen toegesneld om hem met groote moeite uit den vijver te trekken. Hij was bewusteloos en zijn redding scheen te laat te zijn.
Maar zoo was het toch niet.
Dat konden allen zien die des avonds den tuinman gingen opzoeken. Er kwamen er velen. Hij zat reeds weer op zijn oude plaats.
„Dat is nog best afgeloopen, buurman", zei Brongers. „Het zou wat geweest zijn als gij om zoo'n bengel van een jongen te redden zelf verdronken waart. Wij zijn allen even blij, dat gij er nog zijt, nietwaar, moeder Geertje?"
„Ja, Brongers. 'k Zal het nooit vergeten wat gij heden voor ons gedaan hebt; dat God u als middel gebruikte om hem te redden. Hoe dankbaar moeten wij zijn; had zoo gansch anders kunnen zijn".
Den volgenden avond kwamen er ook nog bezoekers, en in verband daarmee bleek later, dat dit nog zoo goed afgeloopen ongeluk van gewichtige gevolgen werd menschen die toch, zoo 't scheen, al wat weinig te maken hadden met wat er in het tuinhuis voorviel.
„Maar onnaspeurlijk zijn Gods wegen".
Mevrouw Schippers had niet alleen met haar zoontjes en hun vriend Karel bij de tuinman een bezoek gebracht om hem met hartelijke woorden dank te zeggen wat hij gedaan had tot redding van de kleinen logé, maar ook aan haar man die te Amsterdam op zijn kantoor was, geschreven wat er op „de Beukenhorst geschied was. En ook Karel had aan zijn ouders van het gewichtige avontuur dat hij beleefd had, op zijn wijze in een brief verteld.
(wordt vervolgt)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's