De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Daar zal genezing zijn*)

8 minuten leestijd

Maleachi 4 vers 2

Wie met aandacht den Heidelbergschen Catechismus leest, moet er wel door getroffen worden, hoe daarin telkens de nuchtere waarheid, ons in Gods Woord geopenbaard, bevindelijk wordt toegepast. In het bijzonder valt ons dat op bij de vermelding van de groote heilsfeiten. Wat verkrijgen wij voor nuttigheid uit de offerande en dood van Christus aan het kruis? Wat nut ons de opstanding van Christus? Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Wat troost u de wederkomst van Christus?
Deze en soortgelijke vragen dringen zich telkens op den voorgrond en leeren ons, dat het belijden met den mond niet voldoende is, om getroost te leven en zalig te sterven, maar dat daartoe, naast de belijdenis met de lippen, noodig is: het gelooven met het hart, het beleven in de ziel.
Ook wanneer in Zondag 14 gehandeld wordt over het bekende artikel uit de apostolische geloofsbelijdenis: „die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria", wordt deze Zondagsafdeeling besloten met de vraag: Wat nuttigheid overkomt u door de heilige ontvanging en geboorte van Christus?
Lezer, waar wij het Kerstfeest tegemoet gaan, daar is het noodig met die vraag tot onszelf in te keuren. Van verre licht weer de Kerstdag. Straks zullen de Kerstklokken weer luiden, in de eeuwenoude gewelven onzer Godshuizen zal weergalmen de psalm van den ouden dag:
Hij heeft gedacht aan Zijn genade; 
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt;
Dit slaan al 's aardrijks einden gade.
Nu onze God Zijn heil ons schenkt.
De Kerstjubel zal weerklinken en de Kerstboodschap over het rond der aarde worden gepredikt: Ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere.
Maar, keer nu een oogenblik tot uzelf in en vraag uw ziel af: Mijn ziel, wat hebt gij aan dat alles? Welk nut trekt gij er uit? Op dat nut wijst ons het woord van Maleachi, dat wij boven deze overdenking plaatsten.
Daar zal genezing zijn. Maleachi 4 vers 2.
Genezing! Wie peinst er over, wie verlangt er naar en wie bidt er om? Niet hij, die de levenslust en de levenskracht in zijn aderen voelt opbruisen. Niet hij, die in blakenden welstand weg door het leven gaat. Niet hij, die zich sterk voelt in het bewustzijn van zijn mannelijke kracht. Maar ga nu naar gindschen lijder, die daar weken, ja maanden lang op zijn krank bed ligt uitgestrekt en noem eens het woord genezing, en gij zult zien, hoe de hope weer opflikkert in zijn oog. Spreek er hem over en het is alsof de ingezonken krachten voor een oogenblik weer opleven, alleen reeds bij de gedachte er aan.
Ook op het terrein des geestelijken levens is het niet anders. De natuuriijke mensch, die meent, dat hij rijk en verrijkt is en geens dings gebrek heeft, is blind voor de krankheid zijner ziel. Hij weet zich niet gebeten door den ouden paradijsslang. Hij gevoelt niet, hoe het gif der zonde hem door de aderen woelt. Hij is zichzelf genoegzaam. Hij heeft God niet noodig en Christus niet. En het Evangelie, dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken, moge voor anderen een blijde boodschap zijn, maar voor hem is het dat niet.
Maar neem nu dien tollenaar ginds, die zelfs de oogen niet naar den hemel durft opheffen, maar de hand op zijn borst slaat en wiens ziel het uitkermt: O God, wees mij, zondaar, genadig. Neem die weenende zondares, dien verloren zoon, dien boetvaardigen moordenaar aan het kruis en spreek hun van genezing en ziet, er komt een glans op hun gelaat, een glans van hemelsche blijdschap, omdat dit enkele woordje de hope verlevendigt in hun doodkranke ziel. Zóó komt ook nu nog de adventsboodschap tot zondaren, tot verlorenen, tot ellendigen, tot nooddruftigen, tot hen, die in zichzelf niet dan den dood vinden, tot hen wier ziel krank, doodelijk krank is en wier zielezuchten zich vertolken in het woord van den psalmist:
'k Ben door Uwe wet te schenden
Krom van lenden.
Vol van druk; benauwd van hart;
Zeer gebogen en verslagen,
Moe van klagen
Ga ik al den dag in 't zwart

en spreekt hun van genezing.
Onderzoeke dan een ieder zichzelven nauw, ja zeer nauw, of hij tot dat arme, ellendige volk behoort, dat genezing van noode heeft, want dan pas spreekt de Kerstboodschap ons van groote blijdschap.
Uw Kerstpsalmen zingen en uw Kerstjubel uitgalmen is op zichzelf nog niet genoeg. Ach, er zijn er zoovelen in onze dagen, die op den Kerstdag op hoogen toon hun liederen aanheffen van dien rijken Christus, die in armoede nederlag in kribbe en stal, maar die voor zichzelven nog nooit gevoeld hebben wat het is: een arm zondaar voor God te zijn. Zij dan alle oppervlakkigheid verre van ons. Brenge de adventsprediking ons in de rechte gestalte voor den Heere. En dan, ja dan klinkt als hemelsche muziek ons in de ooren: Jezus Christus in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken.
O, wie mag komen als zondaar, die zal het ondervinden, dat er bij den Heere genade en vergeving is.
Of dan zondekennis alleen voldoende is, om die genezing te vinden, waarvan onze tekst spreekt? In geenen deele. De Heilige Schrift noemt er ons voorbeelden van, waaruit duidelijk blijkt, dat zondebesef alleen nog niet zaligmakend is. Wij denken aan Kaïn, die het in bitterheid der ziel uitkermde: Mijn zonde is grooter, dan dat ze vergeven worde. Aan Ezau, die geen plaats des berouws vond, hoewel hij die met tranen zocht. Aan Judas, die met de belijdenis op de lippen: „Ik heb gezondigd, verradende onschuldig bloed", zichzelf in het verderf stortte.
Zeker, er zal genezing zijn. Maar voor wie? Op die vraag geeft onze tekst een duidelijk antwoord: Voor ulieden, die Mijnen Naam vreest.
Steke een ieder de hand in eigen boezem en vrage hij zichzelven af, hoe het nu daar van binnen staat met de vreeze Gods. En dan bedoelen we niet die slaafsche vrees, die doet vluchten van den Heere in angst en benauwdheid, maar dan hebben wij het oog op die kinderlijke vreeze, die uitdrijft tot God. Die vreeze vervult de ziel met diep ontzag vanwege 's Heeren majesteit en heerlijkheid en doet met den profeet Jesaja uitroepen: "Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben en ik woon temidden van een volk, dat onrein van lippen is"; maar diezelfde vreeze wekt ook in het hart heilige verwondering vanwege Zijn barmhartigheid en goedertierenheden en doet met Jacob belijden: „Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan uw knecht hebt bewezen". Die vreeze doet de aardsche dingen bezien in het rechte licht, zoodat geleerd wordt met Paulus alle dingen schade en drek te achten om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus,  en diezelfde vreeze doet 's Heeren nabijheid belijden als het hoogste goed, zoodat de ziel met Asaf zingt:
Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,
Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, daar ik in kan rusten.
Lezer, hoe staat het met u? Onderzoek op dit punt uzelven nauw, ja, zeer nauw. O, de belofte is schoon voor het volk, dat den Naam des Heeren vreest: „Er zal genezing zijn"; maar nu komt het voor een ieder persoonlijk aan op de vraag: Geldt deze belofte ook voor mij? Wanneer in deze advents-weken in het Psalmgezang der gemeente de vraag tot u komt:
Wie heeft lust den Heer' te vreezen,
't Allerhoogst en eeuwig goed?
leeft er dan een stamelend „ja" als antwoord in uw ziel? Moogt ge dan zeggen, uw ziel bloot leggend voor Hem, die harten kent en nieren proeft: Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet, welke keuze daar van binnen leeft. Gij weet, hoe de wereld met al haar schatten en gaven mij niet bevredigen kan en hoe het woord van den dichter weerklank vindt in mijn ziel:
Ik zoek den zegen
Alleen bij U, o Bron van troost en licht.
Zet dan in den geest met de herders uwe schreden op den weg, die leidt naar stal en kribbe van Bethlehem, om daar Hem te zien, die, daar Hij rijk was, arm werd, opdat Hij armen zou rijk maken. Toon Hem uw wonden, klaag Hem uw nood, maak Hem bekend al uw ellende en Hij, Die geen man is dat Hij liegen zou, of een menschenkind dat Hem iets berouwen zou, zal het waar maken, ook voor uwe ziel: Er zal genezing zijn, voor wie Mijnen Naam vreest.
B.                                                                                                                                                                                                          v. M.


*) Deze overdenking was bestemd als Advents-meditatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's