De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN

11 minuten leestijd

Hooggeachte Redactie,
Met genoegen las ik Uw artikel (14—1—'27) „H e t  d o e l  v a n  o n z e n  B o n d", mij verblijdend over den sympathieken toon, dien U aanslaat. Ja, er is een trekking tusschen de Gereformeerden in en buiten de Hervormde Kerk. Wij hooren bij elkaar. Laat ons dat goed voelen, al meer en meer voelen en ..... e l k a a r  z o e k e n. Er moest meer aanraking zijn tusschen de predikanten van beide Kerken en van de leden. (Zou het niet mogelijk zijn, dat de predikantenvergaderingen zóó gehouden werden, dat ze een dag gezamenlijk konden vergaderen? Zou het Geref. Theol. Tijdschrift niet zoo kunnen worden uitgebreid, dat het een flink  g e m e e n s c h a p p e l ij k  tijdschrift werd?)
Mag ik echter een kleine, min gewichtige opmerking maken? Het opheffen van het misverstand kan een inniger verhouding van weerszijden bevorderen. U schreef in de 5de al.: „We moeten niet een groep Gereformeerde menschen bij elkaar brengen om uit de Herv. (Geref.) Kerk uit te trekken en „het Hervormd Genootschap" als „Babel" achterlaten. De Ned. Hervormde Kerk is voor ons gansch iets anders dan „Babel".
Met dezen laatsten zin zijn wij 't volkomen eens. Ook voor ons is de Hervormde Kerk volstrekt niet „Babel", maar een Kerk, „i n  d e f o r m a t i e  g e k o m e n", en die dus tot reformatie moet komen, een reformatie, die we van onzen God afbidden, opdat we weer met elkander vereenigd mogen worden, wat dan kan en móét. Wat den eersten zin betreft, 't is mogelijk dat U dit geschreven hebt met het oog op een independentistische strooming in de Hervormde Kerk, die ik niet kan goedkeuren, al bedoelt men het goed, naar ik vertrouw, omdat men getrouw wil zijn. Maar de goede bedoeling mag ons m.i. niet verleiden om zijn positie als Kerk te verloochenen. In het verband gezien, kan ik het echter niet anders opvatten dan dat met die woorden de Doleantie wordt gekenschetst en dan — U houdt 't mij ten goede — moet ik daar met beslistheid tegen op komen.
Dat is nooit 't doel van de Doleantie geweest. Neen, „Gode meer gehoorzamen dan den menschen", als het tot een conflict komt (dat men niet zocht) bij de gehoorzaming aan Gods wil, voor ons de hoogste wet, waarnaar we hebben te handelen en te wandelen, ziedaar, wat tot de Doleantie leidde.
En datzelfde roepen we ook U als ambtsdragers en als leden toe: Broeders! loopt niet weg uit de Hervormde Kerk. Zoekt geen conflict. Dat is gemakkelijk genoeg. Een gedeformeerde Kerk kan men niet met een handomzwaai réformeeren. Bijzaken moet men, al is 't met een zucht, door de vingers zien, maar wat de punten betreft waar het op aankomt, houdt stand en strijdt den goeden strijd des geloofs: „Pro Rege", voor den Koning der Kerk.
„Gode meer gehoorzaam dan den menschen".
De belofte (naar het bevestigingsformulier) afgelegd, toen wij „door de gemeente en mitsdien van Godswege geroepen, bevestigd werden in het ambt, kan door geen reglementenbundel worden teniet gedaan. Dat hebben onze Vaderen gevoeld. Zij waren geen dienstknechten van menschen, van Classes en Synoden, maar van God en van Christus. Die strijd is toen volstreden en wij genieten de vruchten daarvan, (in een Gereformeerde Kerkgemeenschap, die echter een dagelijksche reformatie behoeft), al is het doel niet volkomen bereikt. Nog herinner ik mij een uitspraak van prof. H. H. Kuyper op college: „In zekeren zin is de Doleantie mislukt. Niet wij, maar de Modernen moesten er uit". Hieruit blijkt reeds, dat niet „er uitloopen" het doel was. Maar sterker is het, dat dr. A. Kuyper, als we hem zoo eens noemen mogen „de Vader der Doleantie", in zijn brochure „Separatie en Doleantie", uitdrukkelijk verklaart (p. 42) dat zelfs „elke pastoor en elke leek in de Roomsch Katholieke Kerk nog heden ten dage geroepen is om de Kerk, waarin ze leven, naar den Woorde Gods te réformeeren, en, na zoodanige reformatie, met ons in Kerkverband te treden", hoeveel te meer moet dit dan niet gelden van een Hervormd dominee en een Hervormd lidmaat. Nooit zullen we dan ook een voorganger of lidmaat aansporen te breken met de Hervormde Kerk, t.o. welke men een roeping heeft van Godswege, „Bekeert u en leeft", 't geldt niet alleen de individu, maar ook de Kerk, zooals we lezen in de brieven aan de zeven Klein-Aziatische gemeenten. Maar dan ook „zich bekeeren" en niet „stil zitten", en dit met vrome woorden goed gepraat. Vandaar dat we uw actie van harte toejuichen. Immers een nieuw geslacht is er opgestaan, geboren en getogen in de Herv. Kerk (die met de Geref. en Chr. Geref. Kerk een  d e e l  der voortzetting is van de aloude Gereformeerde Kerk, maar dan, 't deel, de Kerk, ) die n o g gedeformeerd is en dus tot reformatie moet komen. Dat de Kerken en hare voorgangers en leden zich opmaken tot den heiligen strijd, in de kracht huns Gods, en Hij zal hen doen zegevieren! Dat is onze wensch en bede en overtuiging. U vriendelijk dankende voor de plaatsruimte.
Uw Br. in Christus,
W.F.C. VAN HELSDINGEN.
H.-l.-Ambacht.

Onderschrift van de Redactie.
Het gebeurt niet elke week, dat we van een dominé uit de Geref. Kerken een verzoek voor een „Ingezonden" krijgen. En daarom zeiden we dadelijk: „plaatsen" ! Ja —-we behooren bij elkaar. Al het gereformeerde volk hoort bij elkaar. Het gereformeerde geloof, de gereformeerde belijdenis, het gereformeerde leven ligt verbroken onder ons volk, gescheiden door kerkelijke muren. Dat hebben de vijanden listig bewerkt en dat is, om onzer zonde wil, over ons gekomen. Lang vóór 1816 ging het mis hier te lande. En toen kwam die organisatie der Kerk, door de Overheid wederrechtelijk opgelegd, om het voor heel het kerkelijk leven te bederven, 't Was al niet goed meer aan 't eind van de 18de eeuw; alles behalve. Maar toen ging het in 1816 heelemaal verkeerd. En sinds heeft het geref. volk 't benauwd in de Herv. (Geref.) Kerk. Anderen kunnen zoowat met iedereen meezingen, maar het geref. volk weet telkens niet waar 't het zoeken moet. Ook is veel van het geref. volk er nu uit. Met de Afscheiding, met de Doleantie en daartusschen in en tusschendoor met Ledeboer en anderen, zoodat we nu groote scharen hebben van gereformeerde menschen en gezinnen, die in de Geref. Kerken, in de Christ. Geref. Kerk, in Oud-Gereformeerde Gemeenten enz. enz. zitten en buiten de Herv. (Geref.) Kerk staan — terwijl er  i n  die Herv. (Geref.) Kerk, tusschen allerlei richting door, óók nog een veelheid des volks, dat de geref. waarheid liefheeft, is te vinden, op 't platteland en in de stad. Dat geref. volk in de Herv. (Geref.) Kerk weet wel, dat de Kerk des Heeren niet beperkt is binnen de muren van de Herv, Kerk. Velen reiken dan ook gaarne de broederhand over de kerkmuren heen; veel arbeid wordt gemeenschappelijk verricht en — dat kan en moet beter nog worden. Maar dan natuurlijk met waardeering wederzijds. Dan moeten de kerkelijk van ons gescheiden levenden ónzen strijd, ónzen eerlijken strijd  i n  de Herv. Kerk verstaan en wij, die tot de Herv. Kerk behooren, moeten om der waarheid wil óns één weten met degenen die van ons gingen. Wat kan er op 't terrein van het werk der barmhartigheid, in de pers, in de politiek, op onderwijsgebied (lager- en middelbaar-, maar ook Hooger onderwijs) niet veel gedaan worden in samenwerking; véél meer nog dan tot nu toe geschiedt.
Doch — dan niet om over elkaar te heerschen, zooals nu b.v., naar 't schijnt onder leiding van Prof. Lindeboom, in den kring van de Ver. voor Chr. verzorging van Krankzinnigen, waar de besluiten van de Synode van Assen in een kring van broeders van verschillende Kerkgemeenschap, bij stemming bindend moesten worden verklaard voor allen. Wie zoo'n haast heeft met bizondere dingen bewijst den aard van het werk en den eisch van samenwerking nog niet juist te verstaan! Bij deze dingen moeten we elkaar dan ook telkens maar eens flink in de oogen kijken. Ook als we in Vereenigingen of Bonden, of ook in de politiek elkaar „vliegen willen afvangen" en er altijd een haasten is om toch vooral „de eerste te zijn." Menschen die wat minder haastig en wat meer bescheiden zijn krijgen er dan wel eens ..... genoeg van. Er zijn zooveel „haantjes de voorsten" en soms ook van die kerkelijke of kerkistische „vuurvreters" waarmee niets is aan te vangen. „De tempel, de tempel, de tempel" roepen ze den ganschen dag en wie bij hen „binnen" is, die is ook bij God binnen, terwijl die buiten hun kerkje staat, ook voor het Koninkrijk Gods verloren is. Ziet — zóó gaat het niet. Dan is ook geen waardeering, geen samenwerking, geen verstaan van elkaar mogelijk!
Maar nu hebben wij, Hervormden, i n de Herv. Kerk een eigen roeping en een eigen werk; wat er niet makkelijker op geworden is, nu zoovele gereformeerden zijn heen gegaan. Men heeft ons vrijwel alléén laten staan in het midden van onze Vaderlandsche Kerk, in het midden van het Huis des Heeren, dat door de zonden van onze Vaderen en van ons in verval is, in deformatie is gekomen en gereformeerd moet worden, zal 't goed zijn. En die zonden van onze Vaderen en van ons zetten ons telkens midden in de ellende en midden in de moeilijkheden; waarbij wij niet altijd en in alles precies naar de gereformeerde beginselen kunnen handelen.
En die nu niet voelt, dat dit een nasleep en straf is van wege ónze zonden en de zonden onzer Vaderen, och, die moet maar hoe eer hoe liever de Herv. Kerk verlaten. Wat zal men zich nog in een wespennest steken? Wat zal men nog tobben in het midden van een zoo gedeformeerde Kerk? Dan zijn er wel betere kerken gebouwd in den laatsten tijd. Men kan maar kiezen! De staalkaart wordt elk oogenblik grooter en mooier!
Onze verhouding tegenover het Huis des Heeren, dat zoozeer in verval is, beslist hier. En als we daar zien de plaats, waar de zonde is bedreven, wetende, dat met dat Huis de eere des Heeren is gemoeid, dan weten we, dat we het moeilijk zullen hebben, dan weten we, dat we lang niet altijd zullen kunnen doen wat we uit liefde tot de geref. waarheid en uit liefde tot onze geref. beginselen — ook wat Kerkrecht aangaat — zoo gaarne zouden willen doen. Maar dan bukken we, door overmacht gedwongen, om intusschen te trachten de zonde als zonde te doen voelen in het midden van de Kerk, opdat de Kerk zelve de kerkelijke zonde bekenne als kwaad te zijn voor Gods aangezicht en schadelijk te zijn voor de Kerk zelve, alsook voor ons volksleven. We laten die gedeformeerde Kerk niet los en niet  w ij moeten er uit, maar „wat in strijd is met Gods Woord" moet er uit. Waarbij zich (laat ons dat niet vergeten) dikwijls zooveel vragen voordoen, die zwaar zijn om te beantwoorden, dat we wel voorzichtig mogen zijn in het vaststellen van wet en regel soms. Het Gereformeerde volk in de Herv. Kerk moet in de hoofdzaken ingeleid worden voor leer en leven, ook het  k e r k e l ij k  leven, en dan moet onze gemeenschappelijke strijd gaan voor het herstel van de Geref. Kerk van Nederland. In welken strijd allen, die van ons heengingen en de geref. waarheid lief hebben, ons eigenlijk alleen laten staan nu. Zij hebben de aloude Geref. Kerk van Nederland, zooals God haar plantte hier en zooals zij door Gods straffende hand in deformatie kwam losgelaten. Ze zijn er naast gaan staan! En dat, waar er gelukkig nog zooveel gereformeerd volk  i n  die Kerk was en bleef, welk volk hulp noodig heeft. Zoo heeft men den strijd voor ons moeilijker gemaakt. Ja, schier onmogelijk is het nu. Want zonder manschappen kunnen we niet vechten; zonder matrozen kunnen we niet varen. Dat wist Paulus ook, al was hij van de hulp des Heeren verzekerd. Manschappen moest hij hebben en houden, vooral toen de nood hoog gestegen was. Daarom zegt hij tot den hoofdman met betrekking tot de matrozen: „Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden." Daarom kunnen we deserteurs niet gebruiken; er moet gestreden worden. Voor God en voor Christus; voor de Schrift en voor de belijdenis; voor Kerk en volk!
M. VAN GRIEKEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

INGEZONDEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's