KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (5)
Krachtens de Staatsregeling van 1798 zou voortaan iedere Kerk zelve moeten voorzien in hare financieele behoeften. D e S t a a t z o u n i e t m e e r o p t r e d e n a l s V o e d s t e r h e e r. De Overheid wilde blijven op eigen terrein en de Kerk zou zich zelf helpen, zijnde van eigen aard en van eigen recht. De Overheid erkende dus ook niet meer ééne religie als de ware met uitsluiting van de andere religies. De religies waren alle vrij en voor de Overheid gelijk, terwijl zij zelve optrad op eigen terrein zooals zij meende, dat het moest geschieden.
Uit deze veranderde positie van de Kerken volgde, dat de Overheid tweeërlei weg kon gaan. Zij kon óf geen enkele Kerk financieel steunen óf alle Kerken. Het laatste had weinig zin, omdat de daarvoor benoodigde gelden tenslotte toch weer door de leden der Kerken moesten opgebracht worden en ook die burgers, die niets van de Kerk moesten hebben, zouden worden belast. Men vond het dan ook rationeeler, dat de Overheid op eigen terrein leefde uit eigen beginselen en de Kerken vrij liet op haar terrein, met roeping en plicht om zich zelf financieel te onderhouden.
In art. 12 van de Staatsregeling van 1801 werd dan ook opgenomen, dat de leden van de verschillende Kerken jaarlijks een bepaalde som moesten bijdragen voor het onderhoud van de predikanten, gebouwen, enz. Beter ware het natuurlijk geweest, indien de Staatsregeling dit aan de Kerken zelve overgelaten had en geen dwang geoefend had. Maar het beginsel, dat de leden van een bepaalde Kerk zelf moesten zorgen voor het onderhoud van hare predikanten enz., is natuurlijk juist — alleen, de Overheid heeft er niets mee te maken hoe men zich in den kring der Kerk van z'n financiëele verplichtingen kwijt.
Spoedig echter is de Overheid een ander standpunt gaan innemen. Wel handhaafde zij het beginsel, dat er van bevoorrechting van één bepaalde Kerk geen sprake mocht zijn, maar zij besloot alle Kerken te steunen! Zóó deed Lodewijk Napoleon. Zijn standpunt zette hij zoo duidelijk mogelijk uiteen in eene in de K o n i n k l ij ke C o u r a n t van 18 Juli 1808 opgenomen verklaring, welke luidde als volgt: „Ik moet en wil onder mijne bescherming nemen de bedienaars van alle godsdiensten. Allen hebben gelijke aanspraak op dezelfde aanmoediging, op denzelfden onderstand, daar zij allen zoo noodig zijn voor het geluk der inwoners, voor het behoud der zeden en der beginselen van ware zedekunde, die den grond van alle goede maatschappijen moeten uitmaken. Indien dit nog niet gedaan is, moet hetzelve alleen daaraan worden toegeschreven, dat zaken van dien aard zoo moeilijk als gewichtig zijn. Dit zoude zeker in een nieuwe maatschappij het geval niel wezen; maar ik gevoel en erken, dat de constitutie, mijne gevoelens en mijne grondbeginselen mij verbinden om alle geestelijken en alle leden van iederen godsdienst of gemeenschap zonder onderscheid tot dezelfde voorrechten en voordeden toe te laten. Ik gevoel en erken dus zeer wel, dat daartoe moeten worden toegelaten vóór en na, zooals de Staat van de schatkist gedogen zal, allen die geene of weinige ondersteuning hadden, zonder echter dat zij die dezelve reeds genieten en sinds lang genoten hebben, daardoor eenigszins moeten verliezen; want ik behoor evenzeer tot den eenen als tot den anderen".
De Koning spreekt dus hier over het belang van den godsdienst voor de maatschappij en wil daarbij Roomschen en Hervormden voor zich winnen. „Ik behoor evenzeer tot den eenen als tot den anderen".
Van rechten der Kerk in deze is geen sprake.
Met deze Verklaring des Konings van Juli 1808 stemt geheel overeen het Decreet van 2 Aug. 1808.
Art. 1 van dat Besluit bepaalde: dat de predikanten van den Hervormden godsdienst bij voortduring zouden blijven in het genot van „het traktement en inkomsten, welke hun tot nu toe zijn toegelegd geweest, onverminderd echter de schikkingen, welke bij vervolg zouden kunnen gemaakt worden om deze traktementen op eenen meer gelijkvormigen en billijken voet, buiten prejudicée der predikanten die thans in functie zijn, te brengen". Ook de Roomsch Katholieke en Luthersche „geestelijken" zouden gehandhaafd worden in het genot der geldelijke voordeden, welke hun in sommige plaatsen waren toegestaan.
Art. 2 bepaalde, dat ook de geestelijken van die gezindheden, welke tot dusverre niets uit 's Lands kas hadden genoten, daaruit in het vervolg betaling zouden ontvangen „naar mate dat de Staat van de publieke schatkist zulks zal toelaten". De kerkelijke goederen en fondsen, welke stonden onder beheer van „plaatselijke besturen of onder andere publieke beheering en mitsdien geen particulier eigendom" waren, zouden volgens art. 3 naar de publieke schatkist worden overgebracht.
Ten aanzien van de kerkgebouwen en de daarbij behoorende fondsen zou men dadelijk overgaan tot het maken van schikkingen, welke het meest overeenkwamen met de gesteldheid der onderscheidene godsdienstige gezindheden in iedere stad of plaats. Te dien aanzien zouden commissies worden benoemd, welke moesten trachten deze zaak onder goedkeuring des Konings te regelen, waarbij zij hadden te letten op het g e t a l l e d e n v a n i e d e r e g e z i n d h e i d.
Volgens art. 6 zouden voortaan de kerkelijke bedienden, zooals kosters, voorzangers, organisten, catechiseermeesters, moeten worden betaald door de Kerken zelve. Zij zouden geene betaling meer ontvangen uit de geestelijke kantoren noch uit 's Lands kas. In deze werden de lijnen van 1798 in 1808 doorgetrokken. Want de goederen der geestelijke kantoren, die in 1798 reeds n a t i o n a a l waren verklaard, moesten nu overgebracht worden naar 's Lands kas. En de k e r k e g o e d e r e n zouden niet meer strekken ten behoeve van de Gereformeerde Kerk alleen, maar moesten ten goede komen aan alle gezindten.
Vooral over dat eerste, n.l. het overbrengen van de goederen der geestelijke kantoren naar 's Lands schatkist, is dikwijls verschillend geoordeeld. Prof. Van Apeldoorn zegt er van: „Men heeft dit vaak gequalificeerd als berooving van de Hervormde Kerk. Geheel ten onrechte. Die goederen waren nooit eigendom geweest van de Hervormde Kerk. Zij had er alleen de inkomsten van genoten en wel krachtens besluit van de Overheid, welk besluit hierop steunde, dat de Overheid de Gereformeerde religie als de eenig ware erkende".
De goederen dus die van de Roomsche Kerk gekomen waren en bij de vestiging van de Gereformeerde Kerk zonder bezitter en zonder bestemming waren, had de Overheid ondergebracht en de inkomsten gaf zij toen aan de Gereformeerde Kerk. Maar nu, in 1798 en 1808, de Overheid de Gereformeerde Kerk niet meer erkende als de eenig-ware Kerk, doch anderen gezindheden óók een plaats gaf, moest zij tegelijk, wanneer zij de Kerk wilde steunen, alle gezindheden steunen; en zij moest de bestemming der goederen dus o p n i e u w regelen. Zij deed daarbij de goederen in 's Lands kas storten.
Dat de Overheid ook niet bedoelde inbreuk te maken op het eigendomsrecht van de Kerk, voor zoover dit mocht bestaan, blijkt duidelijk uit art. 3 van het Decreet. (Zie boven). Alleen de kerkelijke goederen, welke stonden onder publiek beheer en geen particulier eigendom waren, zouden overgebracht worden naar 's Lands kas. Ten aanzien van de kerkelijke goederen, welke geen eigendom waren van de Kerk, achtte de Overheid zich dus volkomen gerechtigd om daarover te beschikken. En hiermede deed zij niets anders — zegt prof. Van Apeldoorn — dan de Overheid (de Gereformeerde Overheid) tijdens de Republiek der Vereenigde Nederlanden steeds had gedaan.
Als dus nu de Overheid financiëele hulp aan de verschillende gezindheden toezegde, deed zij dit geenszins op grond van verkregen rechten, maar louter op gronden van doelmatigheid, n.l. op grond van het belang van den godsdienst voor de maatschappij — wat ten duidelijkste blijkt uit de Verklaring des Konings van 18 Juli 1808. (Zie hierboven).
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's