KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (6)
Het ging tijdens de Fransche overheersching met de betaling der tractementen aan de predikanten niet schitterend. Er werd eenvoudig niets gegeven door den Staat. Schrikkelijke armoede in tal van pastorieën was daar het gevolg van. Maar Koning Willem I vatte aanstonds den draad van het Decreet van 1808 weer op. Een Souverein Besluit van 19 Jan. 1814 regelde deze materie. Dat was een „Koninklijk Besluit, houdende voorloopige schikking omtrent de betaling der Predikantstractementen enz." Dit besluit begint aldus:
„Wij WILLEM enz. enz.
Overwegende, dat de belangen van den Staat zoowel als van den Godsdienst vorderen, dat zorg wordt gedragen voor de betaling van de Tractementen van de Kerkelijke leeraars, de Kinder-, School-en Academiegelden daaronder begrepen, welke vóór de inlijving dezer landen in het Fransche Rijk van 's Landswege zijn betaald geworden;
dat de na den jare 1795 genomen dispositiën over de vernietiging van de Fondsen der Kantoren van de Geestelijke goederen, alsmede de afschaffing van de voormaals genoten Randsoen-penningen, thans te meerder voorziening van betaling uit andere Fondsen gebieden enz.;
hebben besloten: Art. 1. De Tractementen, welke tot op 31 December 1810, uit 's Lands Kas aan de Predikanten der Hervormde Kerk zijn betaald geworden, de Kinder-, School-en Academiegelden daaronder begrepen — zullen voortaan, te rekenen van den 1sten December 1813, weder uit 's Lands Kas, op denzelfden voet worden voldaan."
Hieruit blijkt, dat de Koning uitgaat van de overweging, dat het in het belang is van den Staat en van den godsdienst, om de Kerk te helpen van Rijkswege in de predikantstractementen, kinder-, school-en academiegelden. Terwijl tegelijk door den Koning gedacht wordt aan de beslissingen die genomen zijn ten opzichte van de geestelijke goederen („de vernietiging van de fondsen" wordt het genoemd), waarom, naar het oordeel van Oranje, nu door het Rijk op een of andere manier geholpen moest worden. De gedurende de Fransche overheersching achterstallig gebleven tractementen te betalen, kon niet, en daarom moesten de gemeenten, zoo mogelijk, daarvoor zelf zorgen.
De uitkeering wordt dus gegrond op overwegingen van nuttigheid, maar ook op overwegingen van plicht aan de zijde van den Staat en recht aan de zijde van de Kerk. Zoo zouden dan de tractementen aan de Hervormde predikanten worden uitbetaald „alsmede de toelagen, welke tot dat tijdstip aan leeraren van andere Kerken waren toegestaan". Echter moest zooveel mogelijk worden bezuinigd. De Commissaris-Generaal voor de Binnenlandsche Zaken moest „zorg dragen dat door combinatiën en afschaffing van predikantsplaatsen, overal waar zulks zonder nadeel voor de belangen van den godsdienst kan geschieden, 's Lands uitgaven verminderd worden".
Hier werd dus alleen gerekend met „de belangen van den godsdienst" en aan „verkregen rechten" niet gedacht. Want als er verkregen rechten bij de Kerk geweest waren, mocht aan den Commissaris-Generaal zoo maar niet opdracht gegeven worden; bezuinigen!
Ook moest de Commissaris-Generaal, die „bezuinigen" moest, tegelijk een voordracht doen omtrent de wijze waarop, voor zooveel de schatkist toeliet, zou kunnen worden tegemoet gekomen aan de behoeften van andere Kerken, in het bizonder de Roomsch Katholieke Kerk, „welke tot nog toe geene of zeer geringe toelagen van den lande genieten en dezelve echter noodig hebben".
Ook hier dus zou hulp geboden worden door het Rijk „omdat de (Roomsche) Kerk het noodig had. Uit gunst, om de wille van den godsdienst, zou het worden geschonken en van „verkregen rechten" was geen sprake.
In de Grondwet van 1814 (Art. 136—138) vindt men eene regeling, welke met die van het Besluit van 19 Januari 1814, (zie hierboven) geheel overeenstemt.
Art. 136 verzekert aan de „Christelijk Hervormde Kerk" bij voortduring de voldoening uit 's Lands Kas van alle tractementen, pensioenen, weduwen-en kindergelden, enz. „als voormaals aan derzelver leeraren, hetzij directelijk uit 's Lands Kas of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten zijn betaald geworden".
Art. 137 waarborgt aan de andere gezindheden „de toelagen" welke haar „laatstelijk" uit 's Lands schatkist zijn toegestaan.
Art. 138 bepaalt, dat in de behoeften van die gezindheden, welke tot dusverre geen of geen toereikende toelagen uit de publieke Kas hadden genoten, op aanvrage van den Souvereinen Vorst in overleg met de Staten-Generaal in billijkheid zou kunnen worden voorzien.
In 1815 zijn deze drie artikelen — waarin uitgedrukt was, dat de Overheid uit 's Lands schatkist de Kerken moest helpen en dat zoo billijk mogelijk tegenover de verschillende Kerkgenootschappen, — samengetrokken tot één artikel (art. 194), Het eerste lid van dat artikel 194 (nu 171) bepaalt, dat de tractementen, pensioenen en andere inkomsten, „thans door de onderscheidene gezindheden of derzelver leeraars genoten"; aan haar blijven verzekerd.
Dat „verzekerd blijven" rust dan natuurlijk op dezelfde gronden als in 1814 zijn aangevoerd: het is in het belang van Staat en van godsdienst, dat het Rijk de Kerk (de Kerken) helpt; en ten opzichte van de Hervormde (vroeger de publieke en heerschende) Kerk, werd ook in herinnering gebracht „de vernietiging van de fondsen", waarvoor nu andere inkomsten aan de Kerk moesten komen. De Staat zou haar dus helpen en blijven helpen; wat tot nu toe door haar van Rijkswege genoten werd, zou haar verzekerd blijven.
Het tweede lid van art. 194 (nu 171) bepaalde, dat aan leeraars, die tot dusverre uit 's Lands Kas geen of geen toereikend tractement ontvingen, een tractement zou kunnen worden toegelegd of het bestaande vermeerderd.
Prof. Van Apeldoorn teekent hierbij aan (De financiëele verhouding tusschen Kerk en Staat, blz. 23: „In de eerste alinea van dit artikel leest men veelal de erkenning van een recht van de Kerk op uitkeeringen uit 's Lands Kas. Naar aanleiding hiervan schijnt het niet overbodig op te merken, dat artikel 194, al. 1 (thans art. 171, al. 1) geen onderscheid maakt tusschen de Hervormde gezindheid en andere gezindheden. Het spreekt eenvoudig van „de onderscheidene gezindheden". Gesteld dus, dat dit artikel een verkregen recht van de Hervormde gezindheid op uitkeeringen uit de schatkist erkende, dan zou het tevens de erkenning bevatten van verkregen rechten van die andere gezindheden".
(Wordt voortgezet).
Kerkeraad en Kerkvoogdij.
Wij hebben altijd 't voorrecht gehad om, zonder uitzondering, steeds met de Kerkvoogden in onze verschillende gemeenten in de beste harmonie, dikwijls in de grootste vriendschap saam te leven en saam te werken. We willen dat eerst eens even op den voorgrond stellen, opdat niemand, als we over Kerkvoogdij en beheer schrijven, iets kwaads in deze denken. Het is ons uitsluitend om het beginsel en om de zaak te doen, nooit om personen; dat laten we graag aan anderen over, als die er lust in hebben! Naar aanleiding van ons artikel: Bestuur en Beheer (14 Jan. l.l.) kregen we een sympathiek schrijven, waarin tegelijk eenige vragen en eenige wenken. We maken er hier even melding van met een paar woorden, om er dan iets van te zeggen, in de hoop, dat we in onze Hervormde Kerk tot meer klaarheid in deze gewichtige zaak mogen komen.
Onze briefschrijver zegt dan: „als u schrijft dat de Kerkeraad aan de Kerkvoogdij vooraf gaat, ben ik het hartelijk met u eens. Is de Kerkeraad dan niet bevoegd, op grond van Gods Woord, de Kerkvoogdij af te schaffen, na samenspreking met de gemeente? Deze moet natuurlijk overtuigd worden van hetgeen Gods Woord hieromtrent zegt, opdat men niet denkt, dat het enkel heerschzucht is van den Kerkeraad. Daarna kan dan een Commissie van beheer of administratie worden benoemd, door den Kerkeraad, met een Reglement, waarin staat dat de Commissie van beheer de administratie voert voor den Kerkeraad, aan wien ze verantwoording schuldig is; terwijl ook (één of) twee leden van den Kerkeraad in die Commissie zitting moeten hebben, opdat er steeds contact is tusschen Kerkeraad en Commissie. Kan men den Kerkeraad iets doen, als hij daartoe besloot en met toestemming van de gemeente er toe overging om zoo'n Commissie te benoemen, waarbij de Kerkvoogdij verdween? Zou men deskundigen, als prof. Van Apeldoorn, niet eens om advies kunnen vragen?"
Tot zoover onze briefschrijver.
Wij willen gaarne nog even op deze dingen ingaan, hoewel we op het oogenblik niet bevoegd zijn, om op alles een antwoord te geven.
Dat vanouds bij onze Gereformeerde Vaderen de gedachte heeft voorgezeten, dat de Kerkeraad in deze een roeping heeft, blijkt o.a. uit de W e z e 1 s c h e A r t i k e 1 e n van 1568. (Dat zijn „Eenige bepaalde punten ol artikelen, welke de Dienaren der Neder landsche Kerk voor den dienst dezer Kerk deels noodzakelijk, deels nuttig hebben geoordeeld". Zie K e r k e l ij k H a n d b o e k j e, uitgegeven door P. Biesterveld en dr. H. H. Kuyper. J. H. Bos, Kampen. 1905).
In Hoofdstuk V wordt o.a. gezegd: art. 12: „Voorts zal het ook noodig zijn, behalve deze Diakenen nog andere goede mannen, die van een beproefd geloof en levenswandel zijn, met voorzichtige keuze bijeen te zoeken, die de bezoldigingen der Dienaren en wat voorts tot het gebruik van den Dienst des Woords noodig zal zijn, verzamelen zullen.
13. Hieronder rekenen wij ook datgene wat betrekking zal hebben op de bijeenroeping der Synodes, de afvaardiging hetzij van de Dienaren, hetzij van eenig ander persoon, waar dit noodig zal zijn, tot noodzakelijke kerkelijke bezigheden, evenals alles wat behooren zal tot den bouw der tempels of kerken.
14. Hoewel wij het voor dienstiger houden, dat in de grootere plaatsen, waar dit maar eenigszins mogelijk zal zijn, ook deze ambten onderscheiden worden en de zorg voor de Dienaren afgescheiden worde van de zorg voor de overige dingen. Deze dingen zullen echter het geschiktst in de Synode kunnen besloten worden; aan welke wij ook de zorg voor de Scholen en haar inrichting overlaten.
15. Wat voorts de aanstelling van eenigen penningmeester of quaestor aangaat, het doen van rekening van ontvangst en uitgaaf aan den Kerkeraad en datgene wat verder op deze zaak betrekking zal hebben, zoo behoort iedere Kerk naar ieders gelegenheid en wijze daarover voortaan te beslissen, of althans de Synode in het algemeen iets vast te stellen.
16. Wij houden het er echter voor, dat het in het geheel niet overeenkomt met het ambt der Ouderlingen, dat hun de uitdeeling en bezorging der kerkelijke goederen, van welken aard zij dan ook mogen zijn, of waar vandaan zij mogen komen, worde toebetrouwd".
In deze artikelen 12—16, voorkomend in het Hoofdstuk, dat handelt „van de Diakenen", wordt dus de zaak, door ons bedoeld, aangeraakt en enkele lijnen worden uitgestippeld: zooals er Diakenen zijn, die iedere maand rekening en verantwoording doen aan den Kerkeraad (zie Hoofdstuk IV art. 13) zoo moeten er ook voor de kerkelijke goederen in iedere plaatselijke Kerk goede mannen zijn, van een beproefd geloof en levenswandel, door den Kerkeraad bijeengezocht, om te voorzien in de bezoldiging der Dienaren, in de onkosten van kerkelijke vergaderingen, in het bouwen en onderhouden van kerken, enz. In grootere plaatsen moet het beheer van het een en ander liefst onderscheiden worden en de Ouderlingen moeten het liefst niet zelf doen. ledere plaatselijke gemeente moet hare zelfstandigheid bewaren en regelen stellen, daarbij voelend de saamhoorigheid in Classis, Synode enz.
Alles is dus nog niet ingedacht en geregeld ('t is het jaar 1568 pas!) maar de volgende Synoden moeten zich maar over deze dingen beraden en nadere aanwijzingen geven! (Hoofdstuk V, art. 14, slotgedeelte).
Terwijl nu het Convent te Wezel 1568 adviseerde overal commissies te vormen van „mannen van beproefd geloof en levenswandel, die de bezoldiging der Dienaren en wat voorts tot het gebruik van den dienst des Woords noodig zal zijn, verzamelen zullen", zeggen de Acta van Embden in art. 36 en 40 eigenlijk niets over deze zaak. (Acta ofte Handelinghen der versamelinghe der Nederlandtsche Kercken die onder 't Cruys sitten, ende in Duytschlandt ende Oost - Vrieslandt verstroyt zijn, gehouden tot Embden den 4 Octobris Anno 1571).
Wel wordt daar gezegd, dat de Dienaren des Woords door elke Kerk of plaatselijke gemeente moet worden onderhouden (art. 36) en dat gemeenten die het zelf niet kunnen klaar spelen óf moeten worden gecombineerd óf door andere gemeenten moeten worden geholpen (art. 40), maar hoe het beheer der kerkelijke goederen moet geschieden, zegt men te Embden niet.
In beginsel werd vastgehouden: de Kerken (plaatselijke gemeenten) moeten zelf de predikanten onderhouden en er zelf voor zorgen, dat de financiën er komen. Toch werd de practijk dikwijls, vooral na 1572, dat de Kerken tot de Staten gingen om de tractementen uit de kerkelijke en geestelijke goederen te ontvangen en dat zij op de Overheid een beroep deden als zijnde „de Voedsterheer der Kerk". Het echt Gereformeerde beginsel is evenwel: dat de Kerken zelf in deze de verzorging op zich nemen. De Heilige Schrift legt dat aan de gemeente op en bestraft de Kerken als ze nalatig zijn. (Matth. 10 vers 10; Lukas 10 vers 7; 1 Cor. 9 vers 7; Gal. 6 vers 6 tot 8, enz.). Deze verplichting rust op de gemeente, maar moet door den Kerkeraad, die haar representeert, uitgevoerd worden. Maar hierover in een volgend artikel.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's