UIT DE PERS
De levensidealen van Willem den Zwijger.
In de Vereeniging „Oranje-Nassau Museum" heeft prof. dr. A.A. van Schelven, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit, een causerie gehouden over: „De levensidealen van den Vader des Vaderlands". Het verslag hiervan, opgenomen in „De Rotterdammer", nemen we hier over:
„Het doel van Willem den Zwijger, die een zeer ingewikkeld karakter had, is geweest, zoo zeide hij, een ongespanjoliseerd, 17 gewesten omvattend Rijk der Nederlanden. Tot dat ideaal behoorden, behalve het tegenwoordige gebied van Nederland, ook België en een deel van Noord-Frankrijk. In zijn jeugd deed de Prins in Duitschland Luthersch, maar in het prinsdom Oranje verdedigde hij den Katholieken godsdienst en nam scherpe maatregelen tegen de Calvinisten. Spreker meent, dat de prins zich in zijn godsdienst dikwijls door de politiek liet beheerschen.
Verder wijdde spreker eenige aandacht aan de beschouwingen, onlangs door prof. Blok te Leiden geleverd met betrekking tot Willem den Zwijger en Alva, volgens welke, op grond van een gevonden document, Prins Willem de hand gehad zou hebben in een moordplan op Alva. Prof. de Blécourt heeft die conclusie weersproken: het bewuste stuk zou valsch zijn. Zoo'n stuk is ook reeds eerder gevonden. Spreker hecht er geloof aan. Dat brengt echter den Prins geenszins van zijn verheven standpunt. Immers het Moordrecht van de Overheid werd in de 16de eeuw algemeen erkend. Zij, die het vaderland in gevaar brachten, mochten uit den weg worden geruimd. Zelfs Paus Gregorius 111 keurde het plan, Elisabeth van Engeland te vermoorden, goed. Er is, volgens spreker, geen reden aan te nemen, dat de prins niet de hand had in het moordplan op Alva.
De prins wilde, volgens spreker, een soort unie bereiken tusschen R.K. Kerk en Hervormde Kerk, maar weldra zag hij de onbereikbaarheid in. Toen wilde de prins een algemeen protestantisme in den vorm van de Augsburgsche Geloofsbelijdenis. Ook dit ging niet, en toen heeft de prins steun gezocht bij de Calvinisten en aan dezen staatsvoorrechten toegestaan. Liefst had hij Protestant en Roomsch gelijke plaatsen gegeven.
In hoofdzaak bereikte hij zijn idealen niet. De landsheerlijke, monarchale wenschen werden niet verwezenlijkt en de republiek zegevierde. De eenheid der zeventien gewesten werd niet verkregen. Het godsdienstig ideaal, plaats voor Protestant en Roomsch, bleef nog een paar eeuwen onvervuld.
Een van de grootste goederen echter, die wij aan Willem den Zwijger te danken hebben, is, zoo zeide spreker verder, de onafhankelijkheid en de vrijheid, niet het minst ook op godsdienstig gebied. AI zijn dus vele idealen van den Prins niet tot verwezenlijking gekomen, dit ééne: de onafhankelijkheid van het vaderland, is wèl verwezenlijkt. Daarvoor heeft hij alles, tot zijn bloed toe, willen geven".
Verduidelijking van Schriftuurplaatsen.
De journalist Nypels, die voor het „Handelsblad" reizen in Palestina maakt en thans te Jeruzalem vertoeft, heeft daar ook aan het Bijbelsche Museum van St. Anna een bezoek gebracht. Het is door een landgenoot, pater P.N. van der Vliet, aangelegd en uitgebreid tot een prachtige verzameling van wat tot beter begrip van uitdrukkingen in den Bijbel kan dienen.
De heer N. schrijft er in zijn blad o.m. het volgende over:
Dit museum, dat oorspronkelijk bedoeld was om den Griekschen studenten van het seminarie bij hun Bijbelstudie behulpzaam te wezen, is thans al zoo buitengewoon compleet en interessant geworden, dat ik elken toerist die in den Bijbel belangstelt, slechts kan aanraden eens bij het klooster van St. Anne aan te loopen en pater Van der Vliet of een der zijnen te vragen de deur te openen van zijn „Musée Biblique de St. Anne", hetgeen elken toerist, van welk geloof hij ook zij, gaarne toegestaan wordt.
(Op de borst van dezen Nederlander prijkt het Legioen van Eer, een onderscheiding, die pater Van der Vliet kreeg voor de manmoedige wijze, waarop hij zijn klooster tijdens den oorlog tegen Turken en Duitschers wist te verdedigen).
Het verzamelen van zeer vele objecten, die voor ons, Europeanen, onbekende uitdrukkingen in den Bijbel aanschouwelijk moeten maken, was daarom minder lastig dan men denkt, omdat sedert tweeduizend jaren in het leven van den bedoeïen eigenlijk niet veel meer veranderd is dan dat deze een achterlaadgeweer kocht. Overigens leven deze nomaden heden nog als in de Bijbelsche tijden het uitverkoren volk, dat immers ook, tot het zich in het Heilige Land vestigde, een volk van nomaden was.
Er staat bijvoorbeeld in het Nieuwe Testament, in de Bergrede (Matth. 5 vs. 13) dat zout, indien het smakeloos wordt, nergens meer toe dient, dan om buiten geworpen en van de menschen vertreden te worden. Een voor ons duistere plaats, daar wij immers geen smakeloos geworden zout, dat wij deswege wegwerpen moeten, meer kennen. Pater van der Vliet vertelde, hoe hij eens tusschen de bedoeienen in de woestijn zat, toen hij een vrouw tusschen de tenten zout zag wegwerpen! Hij vroeg onmiddellijk, waarom ze dat deed, en men legde hem toen uit, dat het smakeloos geworden was, omdat men er reeds te lang kazen in bewaard had; dat zout wordt steeds weggeworpen, daar het muf en voor niets meer te gebruiken is.
Wie ooit een vechtpartij in het Oosten zag, begrijpt ook, dat het in dezelfde Bergrede (Matth 5 VS. 39) geen vergissing is als daar staat: „zoo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe". Wij in ons Westen slaan namelijk met de vlakke hand of vuist, en dan, behalve als wij links zijn, eerst op de linkerwang. De Oosterling echter weet, dat een slag met de knokkels meer pijn doet dan een met de vlakke hand, en slaat daarom steeds met de knokkels van zijn rechterhand en daarom eerst op de rechterwang van zijn tegenstander.
Westersche geleerden hebben, door in de Hebreeuwsche teksten aan andere letters of teekens te denken, getracht een meer aanneembaren tekst te krijgen dan die van de schapen, „die op het dak grazen". Dat het toch heusch dak moest wezen en niets anders, hadden ze in elk dorpje van Syrië en Palestina ook thans nog kunnen komen zien. Daar grazen overal geiten op de platte daken, die uit vastgerolde aarde bestaan, waarop gras en onkruid spoedig weelderig tieren en waarheen altijd een weggetje, trap of ladder leidt, waarlangs ook de geiten makkelijk naar boven klauteren.
Een Arabier roept ook heden ten dage „zijn schapen bij name", als in Johannes 10 vs. 4; en hij gaat een zeker aantal jaren dienen voor een vrouw, precies als Jakob zeven jaren diende voor Lea en daarna nog een zeven jaren voor Rachel.
In gemeld klooster te Jeruzalem hebben ze thans nog als portier een Arabier, die daar dient voor drie pond per maand. Die man heeft van te voren verklaard, dat hij vier jaren dienen zal. Hij geeft n.l. zoo goed als niets uit en spaart zoodoende zijn loon op voor de 120 ponden, die thans een Arabier voor een goede dochter vraagt. Hij zou er wel een voor 70 a 80 pond (Egyptische ponden van ƒ 12.30 p. stuk) kunnen krijgen, maar dat is geen goede kwaliteit. Dies dient hij liever een jaar langer voor iets goeds, iets stevigs en flinks dat dan verder voor hem werken zal!
In het museum vindt men voorts ook — naast vele oudheden: zoo bijv. twee kleine penningen, die samen één oort vormen; de schatpenning met het beeld van den caesar; een albasten zalfflesch, zooals Maria Magdalena er een op het hoofd van Jezus uitgoot, naast de penningen, waarvan Judas Iskariot er liever 300 gezien had voor de armen dan deze verkwisting van kostbaren nardus; en tallooze andere oudheden van dien aard, vermeld in Oud-en Nieuw-Testament — zeer vele gebruiksvoorwerpen uit het hedendaagsche bedoeïenenleven: zooals een grooten molensteen, van welken men, wanneer men den vorm ziet, onmiddellijk begrijpt, dat hij iemand „om zijn hals gedaan kon worden om hem ermee in zee te werpen" (Markus 9 vs. 42). Die molensteenen hebben namelijk in het midden een zeer wijde opening die, als een kraag om een hals, op een halsvormigen tweeden steen gelegd en gewenteld wordt bij het malen.
Ik herinner me nog de kaars, die in de beeldspraak van het Nieuwe-Testament zoo dikwijls gebruikt wordt. Dat is een olielampje dat behoort bij, en past op een kandelaar, die ongeveer veertig centimeter hoog is. Wanneer dit lampje niet brandt, zet men het niet op, maar onder den er bij behoorenden kandelaar, en wel tusschen de drie voetjes, waarop deze kandelaar rust. De zuivere vertaling zou dus op de verschillende plaatsen waarschijnlijk moeten luiden: dat men een lampje niet onder, maar op den kandelaar zet, wanneer men veel licht wil hebben.
Ik herinner me verder uit dit museum de kleine fleschjes met reserve-olie voor deze lampjes, juist genoeg voor één vulling, welke de vijf dwaze maagden vergeten hadden tijdig te doen vullen, zoodat ze den bruidegom misliepen — Matth. 25 —; en de voetbanden met belletjes der vrouwen, die de aandacht willen trekken: alles voorwerpen, die thans nog algemeen bij de bedoeïenen in gebruik zijn.
Men vindt er afbeeldingen en reconstructies van vele belangwekkende voorwerpen, kleedingen, kapsels, gebouwen enz., uit het O. Testament, te veel om op te noemen, maar alles even duidelijk en leerzaam; en als ze me vroeger op ons Gymnasium op die manier wat meer wetenschap op dat gebied hadden willen bijbrengen, zou ik me niet, teneinde een middag meer vrij te krijgen, van dit speciale lesuur hebben laten uitsluiten.
(De Rotterdammer).
In de Amerikaansche „Wachter" geeft D. C. de Jong een kort historisch overzicht van
de verwoestingen der critiek.
Wij willen deze stem uit Amerika ook gaarne hier beluisteren.
Het artikel luidt:
»Nu ongeveer een eeuw geleden is men vooral in Duitschland begonnen met de Heilige Schrift te bestrijden. Het Deïsme, dat God uit het wereldgebeuren had verwijderd, en van Godsregering en Voorzienigheid niets wilde weten, in bond met het Rationalisme, dat alleen aannemelijk achtte hetgeen door de rede des menschen begrepen en verklaard kan worden, en dus geen plaats heeft voor het „geloof", dat een vaste grond is der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet, hebben voor de latere dwaalleeraars den weg gebaand.
De Universiteit van Tubingen in Duitschland heeft zich vooral berucht gemaakt door haar aanvallen op het Nieuwe Testament. Uit de Evangeliiën heeft de Tubinger Sohool alles zoeken te verwijderen, dat wijst op de Godheid van onzen Heere Jezus Christus. Voor alle dingen was het dus gemunt op wat Paulus noemt: „de verborgenheid der godzaligheid. God geopenbaard in het vleesch."
Voor deze geleerden, die dwazen zijn, bestaan er geen wonderen, en alles wat het Nieuwe Testament als bovennatuurlijk leert, wordt eenvoudig als verdichtsel en overlevering aangemerkt. Het Evangelie van Johannes, waarin de Apostel, inzonderheid in het begin, grooten nadruk legt op de Godheid van Christus, zoo werd geleerd, is niet geschreven door een discipel van Jezus, maar is eerst een paar eeuwen later te boek gesteld. De Brieven der Apostelen zijn niet een verdere ontwikkeling van wat de Heiland geleerd had, en een meer duidelijke inleiding in de waarheid onder den invloed van den Heiligen Geest, maar hebben voor een groot deel hun ontstaan, te danken aan de vroegere uiteenloopende beschouwingen van de volgelingen van Jezus van Nazareth. De twee voornaamste woordvoerders dezer Tulbingtea-School waren, C.F. Baur en D.F. Strauss.
Maar, niet alleen het Nieuwe Testament moest van de baan, ook het Oude Testament moest van zijn Goddelijken oorsprong beroofd worden. Twee geleerden hebben hun best gedaan om dit te doen. De een was Wellhausen in Duitschland, en de andere Kuenen in Leiden. Zij waren de aanhangers van een wijsbegeerte, die meende het laatste woord gezegd te hebben, de wijsbegeerte van Hegel.
Deze Hegel heeft ook een theorie van den godsdienst ontworpen, wielke in het kort hierop neerkomt: In de ontwikkeling van den godsdienst is drieërlei te onderscheiden. Allereerst de Joodsche godsdienst, die oog heeft voor het verhevene, en waarin nadruk gelegd wordt op gehoorzaamheid aan een alwijs Schepper. Verder de Grieksche godsdienst, die der schoonheid in de aanbidding van goddelijke vormen. En eindelijk de Romeinsche godsdienst, de godsdiensit van nuttigheid, die in de Romeinsche wereldheerschappij de hoogste opvatting van God ziet, zoodat de keizer als god werd aangebeden. Geen dezer drie geeft den vollen rijkdom der religie, omdat zij eenzijdig op een der drie elementen in den godsdienst (wijsheid, schoonheid en macht) nadruk leggen.
De Joodsche godsdienst, zoo werd geleerd, heeft geen recht er aanspraak op te maken dat hij de alleen ware en van God geopenbaarde godsdienst zou zijn. En het Christendom, zoo nauw verbonden met den godsdienst van Israël, evenmin.
De taak, waartoe Wellhausen en Kuenen zioh nu geroepen zagen, was natuurlijk om duidelijk te maken, dat het Oude Testament, evenmin als het Nieuwe, aanspraak kan maken op Goddelijken oorsprong. En zij hebben niets onbeproefd gelaten om hun stelling te verdedigen. Allerlei drogredenen zijn daartoe te baat genomen.
De tijd van Mozes, zoo beweren deze mannen, volgde op een tijd van het laagste barbarisme. Mozes kon naar hun beschouwing onmogelijk de schrijver zijn geweest van de boeken, die op zijn naam doorgaan. Deze boeken, met insluiting van 't boek van Jozua, zijn saamgesteld uit onderscheiden fragmenten, die dan gemakshalve door verschillende letters worden aangeduid. En deze brokstukken, zoo zegt men dan verder, zijn niet ongeschonden aan het nageslacht overgeleverd, maar hebben in den loop des tijds ook nog vele wijzigingen ondergaan. Het Oude Testament, zooals het thans bestaat, dagteekent uit den tijd na de Babylonische ballingschap.
Het ligt voor de hand, dat als iemand van den Bijbel, hier nu bepaaldelijk van het Oude Testament, zulk een voorstelling zich heeft gevormd, hij van eenige uitdrukking kan maken, wat hem aanstaat.
En nadat men met de eerste boeken des Bijbels had afgedaan, kwamen vanzelf ook de andere deelen van het Oude Testament aan de beurt. Spreekt het Nieuwe Testament gedurig over "Mozes en de profeten", het is begrijpelijk, dat ook de profeten werden aangetast. Het was vooral op Jesaja gemunt. Hij is de eerste en ontegenzeggelijk de voornaamste profeet van den ouden dag na Mozes. De critici gaven voor, dat zij met ontwijfelbare zekenheid ontdekt hadden, dat de zes en zestig hoofdstukken, die voorgeteld worden als het werk van éénen schrijver, feitelijk door meer dan één auteur zijn te boek gestold. En bovendien in versschillende tijden en op verschillende plaatsen.
De afbrekende theorieën van deze zoogenaamde hoogere critiek hebben ontzaglijk veel kwaad gedaan. Alles scheen op losse schroeven te staan. Van niets had men eigenlijk zekerheid.
In de laatste tientallen jaren is hierin wel een groote wijziging ten goede waarneembaar, maar het met zoo kwistige hand gestrooide zaad des ongeloofs draagt ook nu nog vrucht. De strijd, die thans in Nederland en Amerika gestreden wordt, staat in verband met de leeringen van de Tubinger school en van mannen als Wellhausen, Kuenen en anderen.
En de modernisten in de Amerikaansche Profestantsche Kerken doen precies hetzelfde. Men geeft wel voor, veel liefde te hebben voor den Bijbel; men is met hoogachting vervuld voor 't onmiskenbaar verhevene en schoone dat er in gevonden wordt. Maar ook andere volken hebben hun zoogenaamde heillige boeken, waaraan zij goddelijken oorsprong toeschrijven. De Bijbel moge onder al die overgeleverde boeken de voornaamste plaats innemen, maar hij is, naar het toeschouwen der modernisten, niet van Goddelijken oorsprong.
Aan deze verwoestende critiek is eenigermate perk en paal gezet. In het jaar 1887 werden in Egypte de Amarna-tafels gevonden, die zeer duidelijk aangaven, dat het spreken over een »barbarisme« vóór Mozes tamelijk wel uit de lucht was gegrepen. Vóór en tijdens Mozes toch was niet Egypte alleen een land, waarin civilisatie (natuurlijk heidensch) werd aangetroffen, maar dat ook in Palestina de menschen niet zoo achterlijk waren, als werd voorgegeven.
In het begin dezer eeuw, in 1901, werd op de plaats, waar vroeger Susa en Elam lag, gevonden het wetboek Van Hammurabi. Deze Hammurabi werd gehouden voor den Amrafel uit de dagen van Abraham. Dit wetboek getuigt van de hooge ontwikkeling, waarop de bewoners stonden van het land tusschen Euphraat en Tigris.
Bestrijders van het Oude Testament hebben bezwaar gemaakt tegen wat in de boeken van Mozes vermeld staat aangaande den bouw van den tabernakel en zijn toebehooren. Wat zouden die aamechtige Joden, pas uitgeleid uit het diensthuis van Egypte, hebben kunnen tot stand brengen? zoo werd smalend opgemerkt. Wat was het anders dan een slavenvolk? En zouden zij bij machte geweest zijn den tabernakel met zijn toebehooren in al hun kostbaarheid tot stand te brengen!?
En nu mag zeker niet uit het oog verloren worden, dat de Heere aan Mozes op den berg onderricht heeft gegeven over den bouw van den tabernakel. Evenmin, dat de Heilige Geest Bezaleël, Aholiab en anderen met den geest der wijsheid heeft toegerust tot al het kunstig werk van het heiligdom in de woestijn. Maar Aaron verstond dan toch reeds eenige weken na den uittocht uit Egypte de kust om de gouden versierselen der Hebreen te verwerken tot een gouden kalf. En Mozes kon op zijn beurt dit gouden kalf tot zulke fijne stofdeeltjes vermalen, dat het blijkbaar dreef op het water, dat de Israëlieten dronken.
Neen, de Israëlieten waren niet zoo achterlijk als men heeft voorgesteld, om maar staande te kunnen houden, dat de boeken van Mozes in lateren tijd zouden zijn opgesteld. En nu eenigen tijd geleden de graftombe van koning Tutankhamen geopend werd, is nog duidelijker aan het licht getreden de kunstvaardigheid der oude Egyptenaren.
Nu moeten niet de Amarnatafels, het wetboek van Hammurabi, de schatten uit het graf van een Egyptischen koning dienen om ons geloof in den goddelijken oorsprong der Heilige Schrift eenig steunsel te geven. Dat niet. Wij gelooven, dat de Bijbel Gods Woord is, omdat wij 't getuigenis des Heiligen Geestes in onze harten hebben. En dat geloof is sterker dan alle wijsheid der wereld. Een ongeletterd kind des Heeren, dat zelfs lezen noch schrijven kan, zal wel niet in staat zijn om de tegenwerpingen der geleerden te beantwoorden, maar hij zal zich Gods Woord niet laten ontfutselen.
Maar al is het dat wij de vondsten, die in de laatste jaren gedaan zijn, niet noodig hebben om de goddelijkheid der Heilige Schrift te bewijzen, of in ons geloof versterkt te worden, — toch zijn deze vondsten en opgravingen niet van belamg ontbloot. Niet alleen verrijken zij onze kennis van het grijze verleden, maar zij kunnen ook dienen om de woordvoerders van het ongeloof, die niets liever doen dan Gods Woord bestrijden, er toe te brengen een toon lager aan te slaan en niet langer als onbetwistbaar zekere resultaten van hun onderzoek, als vaststaande wetenschap, aan de markt te brengen, wat ten slotte blijkt allen grond te missen".
(De Rotterdammer).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's