STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Dreigende gevaren.
Het Kabinet-de Geer geeft zoowel in het parlement als daar buiten weinig voldoening. Dit was te verwachten. Echter ligt de oorzaak van deze onbevredigdheid niet in de allereerste plaats bij den Kabinetsformateur of bij een zijner ambtgenooten, maar bij de omstandigheden, waaronder het Ministerie optrad.
Na het eindelooze getob, dat ter oplossing van de Kabinetscrisis ten vorigen jare plaats had en waarin die partijen, die oorzaak waren van den verwarden politieken toestand, weigerden of niet bij machte waren hun politieke verantwoordelijkheid te dragen, was het ten slotte een heele opluchting, toen mr. de Geer de mannen van het nieuwe Kabinet om zich heen wist te verzamelen. Voor die daad verdient het thans zittend Kabinet den dank van de natie. En dat het met dien dank niet bij woorden gebleven is, maar hij ook in daden is omgezet geworden, althans van de zijde der Protestantsch Christelijke partijen, hebben de naaste geestverwanten van mr. de Geer, de Christelijk Historischen, onomwonden toegegeven, toen zij o.m. onlangs nog een woord van waardeering aan het adres van de Antirevolutionairen voor hun steun aan het kabinet uitspraken.
Intusschen heeft het optreden van het Ministerie-de Geer het parlementaire stelsel dat in den laatsten tijd toch reeds van zijne beteekenis had ingeboet, opnieuw niet onbelangrijke schade toegebracht. Een Kabinet, dat geen politieke kleur bekent, dat onvatbaar is voor wat in het volk aan geestelijke stroomingen leeft, dat de groote problemen, die om oplossing vragen, laat voor hetgeen zij zijn, werkt niet tot zegen van het land, maar is voor zijne ontwikkeling schadelijk.
Die ongezonde toestand in het staatkundig leven van ons volk, wordt op dit oogen blik schier door elke politieke partij naar den levenskring, waarin zij zich bevindt en ten aanzien van de beginselen, welke zij voorstaat en die zij tot openbaring in de wetgeving wil brengen, gevoeld.
Vandaar de stemmen, die opgaan om pogingen aan te wenden om uit de impasse (moeilijkheid) te geraken, waarin de poitieke omstandigheden ons land op het heden hebben gebracht.
Een poging in deze richting doet thans de Socialistische afgevaardigde, de heer Schaper, in zijn voorstel, om wanneer dan geen parlementaire meerderheid in de Tweede Kamer te vinden is, het dan maar te proberen met een parlementaire minderheid. Daarvoor gaan zijn gedachten uit naar een Kabinetsformatie van Roomsch Katholieken en Vrijzinnig Democraten, welke den steun zal ontvangen van de Sociaal Democraten.
Men zal zich herinneren, hoe bij de oplossing van de laatste Kabinetscrisis is gepoogd om een samengaan te verkrijgen van Roomsch en Rood, doch dat van de zijde der Roomsch Katholieken toen voorshands nog bezwaar werd gemaakt, om met de Sociaal Democraten in één kabinet zitting te nemen. En aangezien die tegenzin nog niet is weggenomen, komt de heer Schaper, klaarblijkelijk met instemming zijner partijgenooten, met een gewijzigd voorstel dat dan wel geen Roomsch—Rood, maar een Roomsch—rose bewind zal kunnen voorbereiden.
Vooralsnog schijnt deze politieke zwenking van de Sociaal Democraten voor de partijen, dien het hier aangaat, geen bekoring te hebben; dan maar liever zooals de Vrijzinnig Democraten zich nader verklaarden en de linkervleugel der Roomsch Katholieken, bij monde van een zijner voormannen zich openlijk uitsprak, 't Roomsch-Roode bloc aanvaard en dit als parlementaire meerderheid geconstitueerd.
Of op den langen duur de Roomsch Katholieken zich van een samengaan op eenigerlei manier met de Democratische groepen ter linkerzijde zal kunnen onthouden, valt op dit oogenblik nog niet te zeggen; daarvoor zal eerst de strijd in den eigen boezem van deze partij moeten zijn beslecht.
Hoe dit verder ook zij, de Protestantsch Christelijke partijen zullen hier niet onaandoenlijk tegenover kunnen staan, zullen zich niet aan de worsteling van onzen tijd kunnen onttrekken, maar zullen zich terdege rekenschap hebben te geven van de groote politieke moeilijkheden, waarin de landspolitiek gaandeweg komt te verkeeren.
Bij de groote gevaren, die ons volk in geestelijken en zedelijken zin bedreigen, kan geen vrede worden genomen met een Kabinet, dat zich van deze dingen niets aantrekt. Nu reeds is de inzinking van het Christelijk beginsel op alle terreinen des levens merkbaar, terwijl van het vaste fundament dat God de Heere in Zijn Woord heeft neer gelegd, steeds verder wordt afgegleden. Het ongeloof steekt steeds driester het hoofd omhoog; met Gods ordinantiën wordt gespot, de Dag des Heeren wordt niet meer geteld, de vijandschap tegen het kruis van den Christus neemt zienderoogen toe. Zoo worden de gevaren steeds grooter en zal het te bezien zijn, of op den duur de Christelijke grondslagen van ons volksleven de mokerslagen van ongeloof en revolutie zullen kunnen doorstaan.
Daarom hebben wij op de teekenen der tijden acht te geven en onder 's Heeren gunste al die maatregelen te treffen, waardoor in onze dagen, sterker dan ooit tevoren, de banier worde hoog gehouden, waarin geschreven staat: „Tegen de Revolutie het Evangelie".
Het Eerste Kamer-Verslag.
Het onderzoek in de Afdeelingen van de Eerste Kamer over het Belgisch Verdrag heeft een verslag opgeleverd, dat om zijn belangrijkheid en volledigheid aller aandacht verdient. Het stuk, dat een omvang heeft van meer dan 40 bladzijden, leent zich intusschen niet tot het maken van een uittreksel of tot het samenstellen van een kort overzicht. Daarop maakt echter het slot van het verslag, waarin door voor-en tegenstanders van het Verdrag de vermoedelijke gevolgen van verwerping of aanneming van het tractaat worden onder het oog gezien, een uitzondering. Om het groote gewicht, vooral van dit deel der zaak, laten we hieronder het slot van het Eerste Kamer-stuk eenigszins verkort volgen:
De vermoedelijke gevolgen van verwerping of aanneming werden breedvoerig besproken. Eenige leden stelden de vraag, of het niet verstandig zoude zijn het Verdrag goed te keuren, teneinde onze verhouding tot België, mede in verband met de verbetering van de algemeene politieke toestanden, afdoende te verbeteren. Zij wezen er op, dat Nederland in Europa geheel geïsoleerd staat, geheel anders dan de Scandinavische rijken, die samen een taal-en belangengemeenschap vormen. De leden, hier aan het woord, achtten het een groot internationaal belang, alles in het werk te stellen om zich met België goed te verstaan.
Nederland zal zich ook een betere plaats in het internationaal economisch bestel veroveren dan het nu heeft. Import-landen zooals ons land, moeten in toenemende mate voorzichtig zijn en trachten mede te gaan met beter bedeelden.
De verwerping zoude, naar de voorstanders van het Tractaat vreesden, ten gevolge hebben, dat het Verdrag van 1839 zou blijven bestaan; dat België de kwestie van het Schelde-régime zoude odervverpen aan de beslissing van het Hof van Internationale Justitie; dat Terneuzen door België zoude worden doodgedrukt en dat België economische represailles zou kunnen nemen in samenwerking met Frankrijk en Duitschland, met gevolg dat Rotterdam en Amsterdam op den duur zouden „opdrogen".
Bij verwerping zouden erger gevaren ons kunnen bedreigen dan b.v. uit het +++erdijk kanaal zouden kunnen voortkomen. Men was beducht, dat als dan de Mogendheden, die, naar het inzicht van sommigen, aan de beide bij het Verdrag betrokken landen volstrekt niet vrij spel hadden gegeven, zich zouden laten gelden. Maar daarmede is de zaak voor ons land nog niet ten einde. Er moet een nieuw tractaat komen. Verkrijgen wij met België geen overeenstemming, dan zal dit land zich wenden tot den Volkenbond of tot de Commissie van XIV, om zich daarvan den steun te verzekeren, en dan loopt Nederland gevaar dat de Schelde wordt geïnternationaliseerd.
Aanneming van het Verdrag zal tengevolge hebben een voortdurend contact tusschen Nederland en België, waarbij ons land den buurstaat kan doen gevoelen, dat beide landen elkaar noodig hebben. Alsdan zou België zoodoende ook meer naar het Noorden, in plaats van naar het Zuiden worden georiënteerd.
Deze beschouwingen vonden bestrijding.
Zij, die het aanhangig Tractaat niet konden aanvaarden, stelden op den voorgrond, dat zij een nieuwe, voor beide landen bevredigende regeling zeer ernstig wenschten. Wij behoorden, ons dan bij verwerping bereid te verklaren tot het aannemen van een welwillende houding bij het aanknoopen van nieuwe onderhandelingen. Mocht het Verdrag verworpen worden, dan zal er zeker gelegenheid bestaan om een redelijke en voor beide partijen aannemelijke overeenkomst aan te gaan.
Tenslotte werd nog uiting gegeven in de verwondering waarmede men kennis had genomen van de zinsnede in de eerste Kamerrede van den Minister: "lk huiver bij de gedachte, dat er een andere uitspraak door het Parlement zou worden gedaan". Men zoude gaarne vernemen, welke aanleiding voor huivering er volgens den Minister bestaat. Men zou er prijs op stellen, een positief antwoord op deze vraag te ontvangen.
Dat is toch te bar.
Het schijnt van de redactie van „D e B a n i e r", het orgaan van de Staatkundig Gereformeerden, gewoonte te worden om telkens haar pijlen op de Antirevolutionairen en soms ook op de Christelijk Historischen af te schieten. Dit geschiedt dan tot groot gejuich van Vrijzinnigen en Sociaal-Democraten, die niets liever zien, dan dat door tweespalt en onderling gekrakeel de Protestantsch Christelijke partijen verbroken liggen.
Ons blad is niet in de eerste plaats het gewezen orgaan om aan de pijlen van "D e B a n i e r" het schild ter bescherming op te houden. Wij zouden dan ook van bestrijding hier geen gewag hebben gemaakt, ware het niet, dat een gelijke methode ook in „De S a a m b i n d e r", het correspondentieblad van de Gereform. Gemeenten in Nederland, schijnt te zijn gevolgd, schijnbaar met de bedoeling uit de kringen der gereformeerde Nederlandsch Hervormden eenige winst voor eigen Kerkformatie te verkrijgen. Noch afgezien van dit laatste, kan hetgeen "D e S a a m b i n d e r" s chrijft, in geen enkel opzicht door den beugel van fatsoen en eerlijkheid.
Het gaat over het Belgisch Verdrag. Daarvan schrijft het blad:
Onder de droeve zaken, die den jongsten tijd ons land troffen, behoort zeer zeker het feit, dat de Tweede Kamer het Belgisch Verdrag aannam. Dat vele Socialisten voor het Verdrag waren, was te verstaan, evenals tal van Roomschen, maar het schijnt wel of de A.R. Kamerfractie met blindheid is geslagen. Door dik en dun heen volgde men den Minister in diens heilloos voorstel van het Verdrag met België. Zou God ons door eigen dwaasheid gaan bezoeken en ten verderve leiden? Arm land! Droevig volk, dat voortholt op den weg der zonde, verder en verder van Hem af. O, ga het den levenden toch ter harte, en keere de Heere het kwaad, eer het ten volle besloten is.
Wij laten onbesproken het verband, dat in het bovenstaande gelegd wordt tusschen de vele Socialisten en tal van Roomschen, welke met de A.R. Kamerfractie hun stem aan het Verdrag gaven, want hetzelfde verband zouden wij kunnen leggen tusschen de Staatkundig Gereformeerden, die met den Communist, verscheidene Socialisten, waaronder de meest revolutionairen, de Vrijzinnig Democraten en de Vrijheidsbonders, arm in arm optrokken tegen het Verdrag.
Maar wat in het stuk in „De S a a m binder" af te keuren valt, is in de eerste plaats de beschuldiging, dat de Antirevolutionairen bij het uitbrengen van hun stem door andere motieven werden gedreven dan door het landsbelang. Men mag, wanneer de feiten achterwege worden gehouden, niet spreken over een door dik en dun volgen van Minister van Karnebeek. Dit is een beschuldiging, welke ongepast en zonder nadere motiveering onwaar is.
En dan de conclusie van „D e S a a m-b i n d e r", waarin de Antirevolutionairen op grond van hun stemmen voor het Verdrag het droevig volk zijn, „dat voortholt op den weg der zonde, verder en verder van Hem af".
Mag dit maar zoo gezegd worden?
Wij laten veel over onzen kant gaan met betrekking tot hetgeen de Staatkundig Gereformeerden en de leiders der Gereformeerde Gemeenten over ons zeggen. Maar tegen hetgeen ze nu schreven, behoort op de meest ernstige wijze te worden geprotesteerd, niet het minst ook omdat men zich hier schuldig maakte aan profanatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's