De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

GESTORVEN, BEGRAVEN, BEWEEND, VOOR EEUWIG ZALIG.

10 minuten leestijd

Alzoo stierf Mozes, de knecht des Heeren, aldaar in het land van Moab, naar des Heeren mond; En Hij begroef hem in een dal in het land van Moab, tegenover Beth-Peör; en niemand heeft zijn graf geweten tot op dezen dag. Mozes nu was honderd en twintig jaren oud, als hij stierf; zijn oog was niet donker geworden, en zijne kracht was niet vergaan. En de kinderen Israels beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen des weenens, van den rouw over Mozes, werden voleindigd. Deut. 34 vers 5—8.

We weten wel, waar we geboren werden, maar we weten niet, waar we nog eenmaal sterven zullen. Ook op dit gebied verschillen Gods wegen meestentijds van onze wegen, en klimmen des Heeren gedachten boven onze gedachten uit. Dit geldt zoowel voor onbekeerde als bekeerde menschen. Farao, die de kinderen Israels najoeg, had nooit gedacht, dat hij verdrinken zou in de wateren van de Roode Zee; Achab niet, dat hij in het strijdgewoel zou worden getroffen door de pijl van den Syriër, die zijn boog spande in zijn eenvoudigheid. Hoe had Vader Jacob kunnen bevroeden, dat hij in het verre Egypteland den geest zou geven. Elisabeth, Zacharias' gade, heeft wellicht nooit geweten dat haar zoon, Johannes de Dooper, in Machaerus' kerkerhol zou onthoofd worden na afloop van Salome's danspartij.
Mozes, de knecht des Heeren, stierf in het land van Moab. Dat had ook hij niet vermoed, toen hij in de woestijn hoedde de kudden van zijn schoonvader Jethro. Pas kort voor zijn sterven had de mond des Heeren hem dit meegedeeld. Daarom staat er ook in de woorden onzer overdenking: „Naar des Heeren mond". Sommige uitleggers vertalen: „Aan des Heeren mond". Volgens het Hebreeuwsche taaleigen zou dit zoo wel kunnen. Dan zou, volgens deze vertaling, de bedoeling zijn, dat Mozes bezweken is onder de liefdekussen des Heeren. Hoe dit echter zij, zeker is, dat God aan Mozes een ruime mate van stervensgenade geschonken heeft, en dat Mozes ten volle bereid en gewillig was, om het dal der schaduwe des doods binnen te treden, wetend, dat hem na het sterven eeuwige zaligheid was bereid, door Immanuël, die nog komen moest, wiens komst ook door Mozes was voorspeld, en, op wien hopende, ook Mozes de eeuwige heerlijkheid is ingegaan.
Hoe zou het ook anders kunnen, of Mozes' sterven was een zalig sterven, nademaal hij immers in onze teksten „de knecht des Heeren" wordt genoemd! Wie toch een knecht des Heeren of een Zijner dienstmaagden worden mocht, die kan niet verloren gaan; die werd verkoren tot zaligheid van voor de grondlegging der wereld; die is voor rekening van Christus, uit wiens hand niemand Zijne schapen rukken zal. Laat u dit tot troost wezen onder onze lezers, die door genade in oprechtheid, als deze knecht Gods, de onberouwelijke keuze gemaakt hebt, om liever met Gods volk kwalijk behandeld te worden, dan de zonde der wereld te genieten slechts voor een tijd. Nauwelijks wordt gij zalig; door stormen en baren komt gij binnen; maar van verloren gaan is geen sprake; of zingen we niet uit Sions liederenschat:
Elk hunner zal in 't zalig oord
Van Sion haast voor God verschijnen.
We zien hier ook al weer aan, dat het niet van het meeste belang is, op welk plekje der aarde we sterven, maar wél, hoe het met onze ziel gesteld is. Medereizigers naar de eeuwigheid, onderzoekt uzelf nauw, ja zeer nauw, want we bevinden ons thans nog in het kostelijke, maar korte, heden der genade.
We leven in een tijd, waarin sommige menschen vóór hun sterven hun wensch te kennen geven, dat hun lichaam niet op een kerkhof begraven, maar in een oven verbrand worde. Crematie wordt dit met een vreemd woord genoemd, 't Komt mij voor, dat een Christen met dit nieuwe snufje niet kan en mag meegaan. Evenals onze Koning, Christus, wenschen we begraven te worden. In elk geval: toen de Heere, Jehova, Mozes had doen klimmen op de hoogte van Pisga, en die God, Wiens beloften niet falen, hem het gansche land Kanaan had doen zien, van Gilead tot Dan, en het gansche land Nafthali en het land van Efraïm en Manasse en het gansche land van Juda tot aan de achterste zee, en het Zuiden en het effen veld der vallei van Jericho, de Palmstad, tot Zoar toe, en Mozes daarna in blijden vrede gestorven was, naar des Heeren mond, toen heeft Israels Verbondsgod het lichaam van Mozes niet verbrand met vuur, maar heeft hem begraven in een dal, in het land van Moab, ergens tegenover Beth-Peör.
Daar rust Mozes van zijn strijd en zorgen. Hij slaapt den slaap van het afgeloste volk des Heeren. Door geen benauwde droomen wordt hij gekweld. En als hij straks, in den jongsten dag, zal worden opgewekt door de stem des Archangels, dan zal hij verheerlijkt en zalig opstaan, om zijn Koning te dienen, ongestoord, zonder hinderende zonde, naar ziel en naar lichaam. Stervende heeft het in zijn hart gezongen, zij het niet met de eigen woorden:
Maar, blij vooruitzicht, dat mij streelt.
Ik zal, ontwaakt. Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw god'lijk beeld!
In den brief van Judas, vers 9, lezen we, dat Michael, de Archangel, met den duivel getwist heeft, handelend over het lichaam van Mozes. Wat dit kan geweest zijn, wordt ons in de Heilige Schrift niet geopenbaard. Mogelijk moeten we er de volgende verklaring aan geven: God de Heere heeft de plaats, waar het stoffelijk omhulsel van Mozes rust, in Zijne aanbiddelijke wijsheid voor allen verborgen gehouden, blijkbaar met het doel, opdat de kinderen Israels geen afgoderij met Mozes' gebeente zouden plegen; en heeft de Satan, die niets liever doet dan de menschen tot afgoderij over te halen, daardoor getracht, het werk des Heeren te verhinderen.
„Niemand", staat er, „heeft Mozes' graf geweten tot op dezen dag". Zoo zal er mogelijk voor ons allen een dag komen, dat niemand meer ons graf weet te vinden. Wij toch zijn gelijk aan de bloemen des velds. En als straks de steel der bloem zal zijn geknakt, en haar schoonheid verloren, dan kent en vindt men tenslotte haar standplaats zelfs niet meer; dan zal alles van ons zijn vergeten. Maar, kinderen van God, de Heere zal ook uw graf weten te vinden en, als de tijd daar is, zal Hij u opnemen in Zijne heerlijkheid. Moge dit u rust geven aan uw ziel, opdat ge met den apostel moogt roemen: „Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? "
Mozes was honderd en twintig jaren oud, als hij stierf. Zijn oog was niet donker geworden, en zijn kracht niet vergaan. Hoog waren de dagen der jaren des levens geklommen voor den Man Gods. Menigmaal had de dood hem nauw op de hielen gezeten. Als kindeke van drie maanden had hij in het biezen kistje reeds op de kolken des doods gedreven. In de slagvelden had de dood hem bedreigd. En zelf zong hij in zijn woestijnlied: „Onze dagen zijn zeventig jaren, of, zoo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren. En het uitnemendste hiervan is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen!" Maar de Heere had in Zijn onveranderlijken raad besloten, dat hij honderdtwintig jaren oud worden zou.
Oud worden willen gaarne de meeste menschen. Met welk doel wenschen zij dit echter? Om God of om de wereld te dienen? Het is echter voor ons niet van het meeste belang, of wij lang of kort leven, maar wél, hoe wij leven. Als wij er goed over denken, dan vragen wij met Israel's zanger:
Leer mij, o God van zaligheden,
Mijn leven in Uw dienst besteden!
Gemakkelijk, wat het lichaam aangaat, was deze knecht des Heeren oud geworden. Zijn krachten bleven tot het laatst toe sterk en zijn oog zag ook nog helder, toen hij ten doode opsteeg tegen Pisga's hoogte. Hoe verschillend is dit, ook bij Gods volk. Jacob hinkte na zijn worsteling in Pniël. Mephibozeth was mank aan beide heupen. Lazarus lag op straat, vol booze zweren. Ook in het lichamelijke moeten Gods kinderen soms zware kruisen dragen. Denk ook aan den scherpen doorn in des apostels vleesch. Mogelijk bevinden zich ook onder onze lezers menschen met een zwak of pijnlijk lichaam, Adamskinderen, die de reis moeten maken met doove ooren of blinde oogen of dagelijksche pijnen in het hoofd of zenuwen vol angst en onrust. O, brengt ook deze kruisen voor het aangezicht des Heeren. Hij alleen wist, wat best voor u was. Maar Hij geeft aan Zijn kinderen ook kracht naar kruis. Hij meet eerst onze schouderen, eer Hij ons een last oplegt. Hij laat Zijn kruisdragend volk niet verzocht worden boven hetgeen zij vermogen. En bedenkt, dat alle dingen moeten meewerken ten goede dengenen, die God liefhebben, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
En wanneer we sterk zijn en frisch en krachtig blijven, vergeet niet, dat de Heere recht heeft, ook op uw gezondheid en alle uw gaven. Luistert naar de vermaning van een man van ervaring op dit gebied, die schrijft: „Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn!"
Zelden zal iemand de reis maken naar het eeuwig huis, of hij wordt hier op aarde beweend. Meestal gevoelen, althans enkele, nagelaten familieleden of vrienden droefheid over zijn heengaan. Voor een deel wordt de droefheid van hen, die achterblijven, bepaald door ons gedrag tijdens lons leven op de aarde. Zoo lezen we bij Salomo, dat de nagedachtenis der rechtvaardigen tot zegening zal zijn, maar dat de naam der goddeloozen zal verrotten. Nu, we kunnen gelooven, dat Mozes door de kinderen Israels, en vooral door de ware Israëlieten onder hen, zeer innig en hartelijk werd beweend. Vaak gaat het zoo: Zoolang de Christen leeft, wordt hij dikwijls maar weinig gewaardeerd; maar, wanneer God hem wegneemt, dan gevoelen we pas, wat we aan hem verliezen. Toen de Heere Mozes weggenomen had, miste dat lastige, moeilijke, wederstrevende volk dien man, die zachtmoedig was meer dan eenig ander, en die een hart bezat, zoo rijk aan liefde juist voor het aan hem toebetrouwde volk. We mogen wel aannemen, dat het, in het algemeen genomen, meer dan uiterlijke vorm was, wanneer we lezen: „En de kinderen Israels beweenden Mozes in de vlakke velden van Moab dertig dagen". Rouw en droefheid heerschte in geheel het leger, van de tenten van Juda af tot aan het uiterste einde. Maar gelukkig had de God van Abraham, Izak en Jacob Zijn trouwe zorgen betoond door in Jozua een bekwamen opvolger te verwekken.
Lezers, de meesten onzer zullen ook dierbare familieleden of vrienden aan het graf hebben moeten afstaan. Hebben we er echter ook van geleerd? Is het ons tot een roepstem geworden? Mochten we uit hun sterven zelf sterven leeren? Straks is het ook onze tijd. En dan zal de eeuwigheid voor ons baren een onveranderlijk wel of wee.
Alles op aard is vergankelijk, ook de vreugde, ook de smart. Zoo kunnen we over eenige jaren niet meer zoo zielsbedroefd zijn, als we het waren, toen we pas van den doodenakker wederkeerden. Daarom lezen we ook: „En de dagen des weenens van den rouw over Mozes werden voleindigd". Toen nam het gewone leven weer zijn rechten. Voort moesten de kinderen Israels, Kanaan veroveren, niet bij de pakken neer blijven zitten, maar de taak vervullen, door God hun opgelegd.
Zoo hebben ook wij, mijn lezer, onze roeping, taak en plicht te volbrengen, totdat ook wij de grootste aller reizen moeten maken. Hoe zal het ons dan wezen? Onderzoeken we onszelf ernstig, nauw en oprecht, opdat we niet bedrogen uitkomen, maar we door de genade van den Heere Jezus Christus mogen ingaan in de ruste, die er overblijft voor het volk van God, en die zoo eeuwig heerlijk en zalig wezen zal!
P o e d e r o o ij e n.                                                                                                                                                            A. PRINS.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's