GEESTELIJKE OPBOUW
Het duizendjarig Rijk (10)
Het duizendjarig Rijk. (10)
De Chiliastische idee van een duizendjarig vrederijk op aarde wordt door verschillende theologen verschillend uitgewerkt. Zoo is de bekende schrijver van leerboeken over de Kerkgeschiedenis en over de Bijbelsche geschiedenis, J.H. Kurtz, een gematigd chiliast, die een eerste opstanding van de martelaren aller eeuwen verwacht en ook eene bekeering van de Joden als volk, waarbij sommigen van hen nog wel ongeloovig zullen blijven, maar het volk als zoodanig zal zich voor den Christus buigen en Hem eeren. Of ze ook weer in 't land hunner vaderen als een zelfstandig volk zullen wonen, durft hij niet met stelligheid zeggen. Het leven en heerschen van de opgestane martelaren aller eeuwen zal niet zichtbaar en aardsch zijn, zooals vele chiliasten hebben voorgesteld. 't Zal een onzichtbare, hemelsche opstanding zijn en een wondere vereening onder Christus' heerschappij, waarvan de gevolgen en invloed hier op aarde zullen openbaar worden. De boozen zullen hier beneden nog wel met de goeden gemengd zijn. De dood zal ook wel heerschappij hebben, maar er zal een lang leven heerschen en de macht van de dood zal worden ingekort; de elementen en wilde dieren zullen zijn ingetoomd, 't licht van zon en maan is verhoogd. De arbeid in 't zweet des aanschijns zal voortduren en 't zuchtend schepsel niet worden vrijgemaakt, maar 't Christendom zal eene volkomene uiterlijke overwinning deelachtig zijn en onbepaald erkend worden door de machthebbers en in alle levensbetrekkingen, in kunst en wetenschap, in handel en wandel zijne doordringende kracht openbaren. Aan 't eind van de 1000 jaren — 1000 is een symbolisch getal en moet niet als een stellige tijdsbepaling worden opgevat, zegt Kurtz — komt de vernietiging van Gog en Magog, de algemeene opstanding, de verandering van de nog levende geloovigen in een punt des tijds, de wedergeboorte van hemel en aarde en het gericht.
P r o f. V a n O o s t e r z e e redeneert in zijn Christel. Dogmatiek ongeveer aldus: Er is slechts één wederkomst van Christus en met die wederkomst (dat niet zal zijn het eindoordeel) breekt het duizendjarig Vrederijk op aarde aan. Dan worden de nog levende geloovigen zonder sterven veranderd en de gestorvene geloovigen zullen met Christus heerschen op aarde, 't Zal een glansrijke openbaring zijn van het zegevierende Godsrijk op aarde. In die periode stelt p r o f. V a n O o s t e r z e e zich dan de bekeering van Israël voor, want het zal dan zijnen Koning met berouw tegemoet gaan; en wellicht zal dan ook de meer massale heidenbekeering plaats hebben. Een bepaalde stad, als centraalpunt van de geestelijke heerlijkheid, kan niet genoemd worden. Na een laatsten strijd met het rijk der duisternis, volgt dan de tweede, volstrekt algemeene opstanding der dooden, van goeden en boozen en het eindoordeel.
Hoewel de Schrift altijd het oordeel onmiddelijk aan de wederkomst van Christus verbindt, geeft P r o f. V a n O o s t e r z e e hier dus een geheel andere volgorde!
Ook de bekende en door ons hooggeëerde D a C o s t a was een chiliast. In zijn Bijbellezingen zegt hij bij de woorden: „Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn Koninkrijk, om dat te bevestigen en dat te sterken met gerichte en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid" (Jes. 9 vers 6): „Thans, nu alle tronen schudden, mogen wij dit wel voor een teeken houden, dat de onbewegelijke troon staat te komen". Die „onbewegelijke troon" is dan voor D a C o s t a de Christusheerschappij op aarde in het duizendjarig rijk, dat hij nog verwacht. „Of is het reeds gekomen?" zoo vraagt hij. „Prof. Hengstenberg zegt, dat het duizendjarig rijk er al geweest is. Maar, dat moet dan wel in den droom geschied zijn, want niemand heeft er iets van bemerkt". D a C o s t a verwacht het vrederijk dus nog en wel stoffelijk op aarde. Want, zoo zegt hij verder: „Wij zijn gewoonlijk geheel materieel in de dingen van dit leven, maar in de dingen van het hoogere leven zijn wij geheel spiritueel: daarin willen wij niets van het materiëele hooren; doch wij moeten van het eerste wat afnemen en het voegen bij het tweede. Al het g e e s t e l ij k e moet b e l i c h a a m d worden: het lichaam is immers geen kerker der ziel, maar hare wezenlijke uitdrukking. Het bloot spirituëele is niet het laatste".
Bij de woorden: „En gij zult wonen in het land, dat Ik uwen vaderen gegeven heb en gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn" (Ezechiël 36 vers 28) zegt hij: „Gij ziet, het land moet er bij zijn, om de zaak niet los te maken van Israël en haar te vergeestelijken. Niet de Christelijke Kerk heeft een eigen land, maar Israël, en dat volk en zijn land zijn één. Nooit is de Schrift zóó geestelijk, dat zij het stoffelijke vergeet; dat wij het dan óók niet vergeten! Of zouden wij nog geestelijker willen zijn dan God en Zijn Woord? Reeds zien we de tijden naderen, waarin de mogelijkheid van de vervulling eener zoodanige belofte duidelijk wordt; immers worden de afstanden zoodanig weggenomen, dat ten laatste niets gemakkelijker wezen zal, dan dat alle volkeren zich bij vertegenwoordiging te J e r u z a l e m vereenigen."
Het volk der Joden en Jeruzalem staan D a C o s t a steeds voor oogen en zijn ziel is vervuld met heilig heimwee naar het heil aan Israël in Kanaan bereid!
,,Wij bekeerde Joden, gevoelen ons nog één lichaam met geheel de Joodsche natie en beschouwen ons niet als vereenigd met de volken". „Het is met Israël", zoo merkt hij voorts op, „als met een komeet, welke men in vele jaren, ja soms gedurende eeuwen, niet zien kan, doch ziet, opeens, daar komt zij weer!" „Israël, Jeruzalem, het heilige land ligt in den dood, maar —om weer op te staan!" „Tot op onze dagen (zegt hij) is de verwachting van het nationaal herstel der Joden eene verborgenheid voor de Kerk geweest. Niet, dat er niet ten allen tijd geloovigen waren, die deze verborgenheden kenden, doch het was een bizonder eigendom, geen algemeen goed."
Vol blij geloofsenthousiasme roept hij dan ook z'n volksgenooten toe:
Ja! duldt, vertrouwt, volhardt in 't hopen!
mijn broeders van 't verkoren zaad!
wiens naam geen eeuwen konden slopen,
wiens heil'ge glorie nooit vergaat!
Vernielt der ongodisten lagen!
Beschaamt de pogingen der hel!
Verfoeit de koelheid onzer dagen!
Gij zijt het kroost van Israël!
Gij voert dat heilig bloed in de aderen,
met wien de Heer verbonden sloot,
en, hoe vervallen van uw vaderen,
nog zijt gij door uw afkomst groot!
U noemde God zijn uitverkoren
Zijn volk, Zijn deel, Zijn schat op aard,
Zijn lieveling, Zijn eerstgeboren —
O! worden we eens dien heilnaam waard!
Da C o s, t a, die aan zijn volk vasthoudt, weet het, dat er van Israël niets terecht zal komen, als het zich niet leert bekeeren tot den Christus Gods! Hij noemt den Jood dan ook „de ergste zondaar van al de zondaren", juist omdat Israël de woorden Gods en den Christus verworpen hebben. Maar zijn hoop en verwachting is, dat Israël als volk zich zal leeren buigen voor den Messias en in Jeruzalem, in Kanaan, vredig zal wonen „waar God en het Lam hun tempel wezen zal." „Het land van Israël is als een lijk in het graf, dat bewaard wordt tot den dag der opstanding."
En die „opstanding" verwacht hij, waartoe zijn bede naar den hemel opstijgt.
Verlosser! Vader! o! zie neder!
ontferm U onzer, schenk gena!
Geef Isrel aan zichzelven weder,
of — dat zijn droeve naam verga!
Neen! neen! de wenteling der eeuwen
verzwolg niet onze hoop op U!
Wij zijn het volk nog der Hebreeuwen,
Gij der Hebreeuwen God — ook nu!
Ja! Uw Messias gaat verschijnen,
en onze boeien zijn geslaakt!
Uws gramschaps nevels gaan verdwijnen,
de dag van onze glorie naakt!
Van achter de aardscbe jammerwolken
Verrijst een Goddelijke gloed!
Juich, Israël! en jubelt, volken!
uw Vorst, uw Redder tegemoet!
De tijden naadren van Verlichting,
de tijden naadren van herstel!
Die van de blijde Godsrijkstichting,
die van de nederlaag der hel!
Het vonnis wordt weldra geslagen,
wie heerlijk zijn moet, wie veracht —
de philosophen dezer dagen of —
Jacobs lijdend nageslacht!
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's