De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

De financieele band tusschen Staat en Kerk (7)

Prof. van Apeldoorn wil van „verkregen rechten der Kerk" niet weten. Hij zegt: „zoodanige erkenning heeft ook zonder twijfel geenszins in de  b e d o e l i n g  van den grondwetgever gelegen. Uit het Souverein Besluit van 19 Jan. 1814, hetwelk zich geheel aansloot bij het Decreet van Lodewijk Napoleon van het jaar 1808, blijkt duidelijk dat alleen redenen van  d o e l m a t i g h e i d, overwegingen van utiliteit („de belangen van den Staat en van den godsdienst") geleid hebben tot de in art. 194 al. 1 gedane toezegging. Het artikel is een uitvloeisel van de zoowel onder Lodewijk Napoleon als onder Willem I gehuldigde beschouwing, dat de Staat moest optreden als Voedsterheer van  a l l e  godsdienstige gezindheden, omdat de godsdienst in het algemeen voor den Staat van groot belang werd geacht. In overeenstemming ook met het Decreet van Lodewijk Napoleon behielden de Kerken, die reeds Staatshulp genoten,  a l l e s  wat zij uit 's Lands kas plachten te ontvangen. Zij behielden dus niet alleen hare inkomsten, voorzoover die vroeger uit geestelijke goederen waren betaald, maar ook die welke rechtstreeks uit "Lands kas of uit door den Staat geheven belastingen waren voldaan".
„Had", zoo gaat prof. Van Apeldoorn verder, „had de grondwetgever  v e r k r e g e n  r e c h t e n  willen erkennen, dan zou hij het toch zeker niet gedaan hebben ten aanzien van laatstbedoelde inkomsten! Nu hij geen onderscheid maakt tusschen deze inkomsten en die, welke vroeger uit de geestelijke goederen waren betaald, volgt ook hieruit dat hij aan erkenning van verkregen rechten in het geheel niet heeft gedacht."
We zien dus, dat de stelling van Prof. v. Apeldoorn is:
„Art. 171, 1ste lid, der Grondwet, hetwelk aan de onderscheidene gezindheden of derzelver leeraars verzekert de traktementen, pensioenen en andere inkomsten door haar in 1815 genoten, bevat  n i e t  d e  e r k e n n i n g  v a n  v e r k r e g e n  r e c h t e n, maar steunt  l o u t e r  o p  g r o n d e n  v a n  d o e l m a t i g h e i d, op overwegingen van utiliteit, dat het in 't belang is van den Staat en van den godsdienst om de Kerken financieel te steunen."
Wij meenen met alle bescheidenheid, dat Prof. van Apeldoorn hier te ver gaat in de ontkenning van alle  r e c h t e n  en veel te scherp is in de verwerping daarvan tegenover degenen, die er telkens mee komen aandragen. Want al geven we toe, dat er zijn, die omtrent die door den Staat genaaste gelden en goederen een  w a a n d e n k b e e l d  ronddragen en het wel willen voorstellen, alsof dat o n n o e m e l ij k e schatten zijn geweest, toch gelooven we, dat we door te sterk overdrijven van den anderen kant de zaak niet op de juiste plaats krijgen. Het komt ons dan ook voor, dat we niet moeten ontkennen, dat hier  r e c h t e n  bij de Kerk liggen en dat er  p l i c h t e n  bij den Staat zijn, waarom wij juist altijd met veel ernst vragen, dat naar recht en billijkheid  a f r e k e n i n g  plaats hebbe tusschen den Staat en de Kerk op de basis van den tegenwoordigen stand van zaken en dan met royale toepassing van Overheidswege op billijkheidsgronden ten opzichte van de Kerken, die geen Rijksbijdrage voor predikantstractementen enz. hebben.
Maar daarover later nog een en ander.
Prof. van Apeldoorn oordeelt, dat Willem I en zijn regeering niet rechtvaardig geweest is in en door de bepaling van al. 1 art. 194 van de Grondwet, waarbij bedoelde gezindheden alles behielden wat zij tot dusverre hadden genoten. Want op het standpunt waarop men toen stond, had men moeten zeggen, óf aan geen enkele Kerk financieeie hulp uit de Staatskas, óf toekenning daarvan aan alle Kerken naar evenredigheid van haar ledental.
Maar men durfde het blijkbaar niet aan, om de Hervormde Kerk geheel te verdringen uit de bevoorrechte positie, welke zij zoolang had ingenomen; men zag er blijkbaar tegen op zoo plotseling verandering te brengen in den sinds lang bestaan hebbenden toestand. Evenwel moest het standpunt, dat de Overheid sinds 1796 innam ten opzichte van de religie, krachtens hetwelk zij geen partij meer koos in godsdienstzaken en dus de Gereformeerde gezindheid niet meer erkende als de ware,   i n  t o e p a s s i n g  e r  t o e  l e i d e n  dat óf de goederen der geestelijke kantoren over de verschillende gezindheden werden verdeeld, óf dat de Overheid daaraan een andere bestemming gaf.
Die goederen toch waren nooit eigendom van de Kerk geweest. Ze dateerden uit den „Roomschen" tijd. Zij waren later door de Geref. Overheid afzonderlijk gesteld en de baten waren gegeven aan de eenige publiek erkende Geref. Kerk — maar ze waren nooit eigendom der Kerk geworden, 't Waren stichtings-goederen. En de Overheid kon er betrekkelijk elke bestemming aan geven welke zij verkoos. Van dat recht heeft de Overheid dan ook telkens gebruik gemaakt.
Wie dus tot op het begin van deze historie wil teruggaan, moet erkennen, dat deze goederen in hoofdzaak uit den „Roomschen" tijd dateeren en zou moeten erkennen, als er gesproken wordt van „verkregen rechten", dat de Roomsche Kerk onder het huidig recht ook aanspraken kon doen gelden op vergoeding voor het gemis der inkomsten, welke oorspronkelijk zij alleen had genoten. Door Roomschen was het voor de Roomsche religie bestemd, al was het niet aan de Roomsche Kerk als zoodanig in eigendom gekomen.
Gaat men nu uit van het recht, dat de Overheid — met name de Gereformeerde Overheid — in de 16de eeuw had, om die geestelijke goederen te bestemmen voor de eenige publiek erkende Kerk n.l. de Gereformeerde Kerk, dan moet men n u ook uitgaan van het recht, dat de Overheid onder het huidig staatsrecht, de gelden ten goede doet komen aan al de Kerken zonder onderscheid — omdat de Overheid zich nu geen partij stelt in deze — óf men moet erkennen, dat het billijk is, dat de Overheid de gelden aanwendt voor andere doeleinden (armen, onderwijs, enz. enz.) en de Kerken er niets van krijgen.
Dat alleen de Kerken er van ontvangen, die in 1814 bestonden, is op zichzelf genomen natuurlijk onbillijk en in strijd met het huidig staatsrecht.
Nu staat art. 171, al. 1, op het standpunt, dat de Staat aan alle toen bestaande Kerken (in 1814) uitkeert wat ze toen ontvingen; en dat aan die Kerken de subsidien verzekerd zullen blijven. Maar we voelen nu wel, dat dit eigenlijk heel willekeurig is, om te zeggen, dat Hervormden, Roomschen, Remonstranten, Lutherschen en Joden subsidie krijgen omdat ze in 1814 bestonden — terwijl men dan eigenlijk de regeling laat afhangen van een willekeurig gekozen omstandigheid. Niemand kan van meening zijn, dat in 1927 daarmee de zaak in orde is en dat deze kwestie „uit" en „af" is ! Integendeel. Deze zaak roept om herzie­ning.
(Wordt voortgezet).

Kerkeraad en Kerkvoogdij. (2)
Gods Woord legt aan de Kerken (plaatselijke gemeenten) de verplichting op, de dienaren des Woords te onderhouden; en zóó is het bij het Gereformeerd Kerkrecht ook altijd voorgesteld — hoewel de practijk der Gereformeerde Kerk in ons Vaderland veelal was, dat men zich tot de Overheid wendde om financieele hulp. Maar die practijk was dan in strijd met het beginsel van gereformeerd kerkelijk leven!
In het midden van de Kerk (plaatselijke gemeente) is de Kerkeraad de vertegenwoordiger van de Gemeente. De  K e r k e r a a d moet dan ook voor de financiën zorg dragen. En dan zóó, dat de dienaren des Woords een behoorlijk bestaan hebben met hun gezin. Want de dienaren des Woords moeten er met hun gezin van kunnen leven.
Dat de  K e r k e r a a d  hierin een roeping heeft, blijkt klaar uit art. 11 van de Dordtsche Kerkenordening. (Kercken-Ordeninghe, ghestelt in den Nationalen Synode der Ghereformeerde Kercken, te samen beroepen, ende ghehouden door ordre van de Hooghe Moghende Heeren Staten Generael der Vereenichde Nederlanden, binnen Dordrecht, in de jaren 1618 ende 1619). Daar lezen we immers: „Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen enz." (Art. 11).
Hoe de Kerkeraad aan het geld moet komen, is niet nader omschreven. Maar in beginsel behoort in het midden van de Gereformeerde Kerk aan den  K e r k e r a a d  der plaatselijke gemeente de zorg voor het levensonderhoud van den predikant en zijn gezin. De Kerkeraad behoort dan, ook het tractement vast te stellen en niemand anders. Gelijk de Kerkeraad, om aan geld te komen, heeft te spreken over hoofdelijken omslag, zitplaatsenverhuring, enz.
Nu kan de Kerkeraad niet alles doen. De verkiezing van diakenen bewijst reeds, dat er hulp noodig is en verdeeling van arbeid gewenscht. Maar de Kerkeraad moet hierin beslissen en maatregelen treffen, waarbij de meest voor de hand liggende oplossing is, dat de Kerkeraad, naar het beginsel in de Wezelsche Artikelen reeds aan gegeven, omziet naar „mannen van beproefd geloof en levenswandel, die de bezoldiging der Dienaren en wat voorts tot het gebruik van den" dienst des Woords noodig zal zijn, verzamelen zullen". (Zie de Acta van het Convent van Wezel, Hoofdstuk V, art. 12).
Hoe in de Gereformeerde Kerken van 1834 en 1886, vereenigd in 1892, over deze zaak gedacht wordt, blijkt uit een Reglement voor de  C o m m i s s i e van Administratie (1839), waarin we 't volgende vonden:
Art. 1. „Het beheer van de goederen, fondsen en inkomsten der Gereformeerde Kerk te X. blijft onder haren Kerkeraad, die als zoodanig haar bestuurt en vertegenwoordigt maar wordt door dezen opgedragen aan een Commissie, die den naam draagt van Commissie van Administratie. De alzoo ingestelde Commissie blijft van den Kerkeraad afhankelijk, zoodat deze hare leden niet alleen benoemt, maar ook ten allen tijde weder schorsen of ontslaan kan, en voorts de Commissie zelven weder kan ontbinden, wanneer hij (de Kerkeraad) te eeniger tijd het beheer op andere wijze zou willen regelen; in alle welke gevallen de administratie der Commissie, of die van het geschorste of ontslagen lid, in haar ganschen omvang en dus met al wat er toe behoort, terstond moet worden overgegeven aan den Kerkeraad of aan degenen, die hij voor de overneming aanwijst".
Art. 2 zegt dan, dat het beheer omvat: a. de geldelijke administratie; b. het onderhoud van de kerkelijke gebouwen en goederen; c. de zorg, dat de kerkelijke gebouwen met hun toebehooren steeds in goede orde ter beschikking van den Kerkeraad zijn.
In art. 3 wordt dan nader omschreven, dat „de Kerkeraad, na de Commissie gehoord te hebben", de bezoldigingen enz., die uit de Kerkekas moeten worden betaald, vaststelt, waarna de Commissie ze heeft te betalen. Ook heeft de Commissie te voldoen „de bijdragen, die volgens Kerkeraadsbesluit voor algemeene kerkelijke belangen door de Kerk verschuldigd zijn". De Kerkeraad maakt een begrooting en de Commissie mag er niet buiten gaan. Zij mag niet overgaan tot aankoop, tot bezwaring of tot vervreemding van vaste goederen of van geldswaardige stukken, noch ook tot het beleggen van gelden of tot het aangaan van geldleeningen, zonder hiertoe telkens  u i t d r u k k e l ij k  door den Kerkeraad gemachtigd te zijn. Zij moet elk jaar vóór 1 April hare rekening over het vorige burgerlijke jaar aan den Kerkeraad toezenden, opdat deze, na eigen onderzoek en na de gemeente gehoord te hebben, door goedkeuring van de rekening de Commissie dechargeere. Vóór 1 November zal de Commissie eene gespecificeerde  b e g r o o t i n g  van ontvangsten en uitgaven in het volgende burgerlijke jaar aan den Kerkeraad toezenden, opdat deze, na eigen onderzoek en na de gemeente gehoord te hebben, door goedkeuring der begrooting de Commissie machtige tot de daarop voorkomende ontvangsten en uitgaven; en dat zij, wanneer in den loop des jaars voor eenige uitgave overschrijding der begrooting haar noodig voorkomt, hiertoe niet zal overgaan zonder goedkeuring van den Kerkeraad.
In art. 4 staat dan: „Het onderhoud van de kerkelijke gebouwen en goederen wordt in zijn geheel aan de Commissie toevertrouwd — onder deze bepaling o.a.: „dat zij bij al wat de grenzen van het gewone onderhoud te buiten gaat en met name bij nieuwen bouw of verbouwing, niet zal handelen, zonder hiertoe uitdrukkelijk door den Kerkeraad gemachtigd te zijn en zonder dat ook hare bouwplannen door dezen zijn goed gelceurd".
Art. 5 zegt: „De zorg, dat de kerkelijke gebouwen met hun toebehooren steeds in goede orde ter beschikking van den Kerkeraad zijn, zoodat voor den Kerkedienst, voor catechisatiën en voor kerkelijke vergaderingen de daartoe bestemde gebouwen, lokalen en benoodigdheden, steeds gereed zijn, en bij de samenkomsten der gemeente de orde bewaard blijft, wordt in zijn geheel aan de Commissie toevertrouwd", enz.
De bepalingen waaronder de Commissie in deze dan te handelen heeft, zijn:
a. dat zij aanvragen, om de kerkelijke gebouwen en lokalen op tijden, dat zij vrij zijn, te mogen gebruiken, telkens door den Kerkeraad zal laten beoordeelen en beslissen;
b. dat zij geen koster of anderen onder haar toezicht werkzamen bediende zal aanstellen, schorsen of ontslaan, zonder dat 't daartoe strekkende besluit, alsmede de bepaling van de bezoldiging en van het op te dragen werk, door den Kerkeraad goedgekeurd is;
c. dat zij de aanstelling, de schorsing en het ontslag van voorzangers en van organisten geheel bij den Kerkeraad zal laten blijven;
d. dat zij de beslissing van de vraag of er in het kerkgebouw plaatsen zullen verhuurd worden, aan den Kerkeraad zal overlaten; en desgelijks de aanwijzing van de banken of plaatsen voor de Kerkeraadsleden en voor hen, die gedurende den dienst tot eenige werkzaamheid kunnen geroepen worden;
e. dat zij zooveel mogelijk zorgen zal, dat bij de samenkomsten der gemeente, alsmede bij de ontvangst ter gelegenheid van doopsbediening en huwelijksbevestiging, de minvermogenden in geen enkel opzicht bij de meervermogenden achterstaan.
Art. 7 zegt: „Tot verkrijging van vaste inschrijvingen zorgt de Commissie, voor zooveel noodig met de hulp van gemeenteleden, dat allen, van wie iets kan verwacht worden, persoonlijk bezocht en met ernst op hunne roeping in dezen gewezen worden, opdat tenslotte, zoo mogelijk, niemand hunner achterblijve enz."
Wanneer we al deze dingen lezen, zal het ons wel duidelijk zijn, dat het in onze Hervormde Kerk al vanouds niet in orde is met het beheer van de kerkelijke, fondsen en goederen. Dat gaat heelemaal buiten den Kerkeraad om en is soms in handen van een college van personen, die allerwonderlijkst verbonden zijn met de gemeente, soms niet eens lidmaat zijn, zelfs van een ander Kerkgenootschap; en die zóó allervreemdst gekozen worden, dat men zich onwillekeurig afvraagt, of we nu waarlijk in de 20ste eeuw leven?"
Die wel eens iets van deze dingen gehoord heeft uit Friesland en Groningen en die wel eens wat gelezen heeft over Schiedam, Rotterdam, enz., die zal het met ons eens zijn, dat dit nu toch waarlijk geen ideale toestanden zijn in het midden van Christus' Kerk. Gelukkig, dat tenminste al die collatierechten afgeschaft zijn! Maar er is waarlijk nog wel meer, dat om reorganisatie roept. Intusschen moeten we ons maar van de gereformeerde beginselen op de hoogte stellen en er ons mee vertrouwd maken, dan zullen we zien, dat héél het instituut van de Kerkvoogdij in het kader van Gereformeerd Kerkrecht niet thuis hoort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's