MEDITATIE
Verzegeld
"..... want Dezen heeft God de Vader verzegeld." Joh. 6 vers 27b.
Ons leven ligt onder den ban van de leugen. Wij verkeeren dag in dag uit in een verleugende samenleving. Wij zijn door onzen afval van den waarachtigen God, van nature innerlijk verleugend geworden, en worden openbaar als onwaarachtigen. Daarom is het telkens noodig, dat een mensch, wat hij als waar wil gewaardeerd hebben, doet vergezeld gaan van het echtheidskenmerk, of dat hij daarop plaatst zijn waarmerk. In zulke gevallen is een zegel van onschatbare waarde. Zoo wordt een testament gezegeld, opdat het straks, na den dood van den erflater, als zijn uiterste wil worde geëerbiedigd. Dit heel gewone gebruik van een zegel kennen wij. Wij passen het toe bij vele gewichtige stukken, die wij een tijdlang willen geheim houden, of van onbescheiden blikken trachten te vrijwaren. Maar verzegelen heeft ook soms nog een eenigszins andere beteekenis. Het beduidt dan: a u t o r i s e e r e n, met autoriteit b e k l e e d e n, iets van volmacht vergezeld doen gaan. Natuurlijk is er wel overeenkomst tusschen deze laatste beteekenis en de eerste, waarvan wij in den aanvang spraken. Wij voelen dat, ook al is het waar, dat de eerst ontvouwde zin van meer bekendheid is in ons tegenwoordig leven, dan de andere. In onzen tekst hebben wij echter te doen met de laatste beteekenis, beduidt dus het woord verzegelen: met autoriteit bekleeden.
God de Heere doet alles, om een gevallen Adamskind, welks eeuwig wel of wee afhangt van zijn verhouding tot den Heere Christus, het echte, heerlijke, zalige vertrouwen in te boezemen in Zijnen Zoon. Dat doet Hij in beginsel volstrekt en afdoende door Zijn geroepenen te begiftigen met de wederbarende werking des Heiligen Geestes. Ja, maar opdat dezulken, in de bewustwording van die wondere genade, zich in hun bekommernis, in hun nooden en dooden tot den Christus zullen leeren heenwenden, heeft de Vader den Zoon, verzegeld, met volmacht begiftigd, met autoriteit bekleed.
Waar en wanneer dit dan geschied is?
Overal en telkens als de Vader sprak en getuigde met woord en daad, om het aan den armen zondaar te verkondigen, dat zijn heil enkel en alleen ligt in de erkenning van den Heere Jezus als den Zoon, in de betuiging door Geestesgenade, dat de Christus Gods is de Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.
Zoo was het bij den doop in de Jordaan. Die roep ging uit, toen Johannes de Dooper de scharen wees op den Immanuël, als „het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt". Dat getuigenis weerklonk uit den hemel over den berg der verheerlijking.
Die prediking werd gebracht tot de scharen in de machtige wonderteekenen, die de Christus deed. Daarom riep de Heere Jezus meer dan eens het uit, tot degenen, die Hem volgden: „zoo gelooft de werken, opdat gij moogt bekennen en gelooven, dat de Vader in Mij is en Ik in den Vader".
Van dat verzegelen getuigen ook de heilswonderen van Opstanding en Hemelvaart. Of zegt de Apostel niet: „Die krachtiglijk is bewezen te zijn de Zoon van God uit de opstanding der dooden"?
Al deze feiten, al deze gebeurtenissen, al die werken van den Heere Jezus Christus, wij kunnen ze zien als zoovele grootzegels, waarmede de Vader, om zoo te zeggen, den Zoon omhangen, verzegeld heeft, om in het zondaarshart vertrouwen, waarachtig geloof te wekken in den Eenige, Dien Hij liefheeft, en aan Wien Hij al het oordeel heeft overgegeven, en van Wien zal uitgaan onze veroordeeling of onze vrijspraak.
Ook de verzegeling is dus geschied opdat de Heere te meer vrij zal zijn tegenover u, o zondaar. Ja, de Zoon werd in dezen zin met autoriteit bekleed, opdat wij, die in schuld en doem verdienen onder te gaan, zouden leeren gelooven, dat de Heere God geen lust heeft in ons verderf, maar in onze eeuwige zaliging!
Hebt gij de klem hiervan reeds leeren kennen? Hebt gij de diepte, waarin zich de nederbuigende goedheid en barmhartigheid des Heeren hier nederlaat, leeren kennen, als de onpeilbare diepte van uw verlorenheid?
Ach, dat uw hart er onder verbroken werd, dat uw oog het mocht schouwen en van uw lippen opsteeg de bede der verslagenheid: uit de diepte roep ik tot U, o Heere!
Welke moet de vrucht zijn van deze verzegeling in ons persoonlijk leven?
De vraag is niet moeilijk te beantwoorden. Het komt er voor den verloren zondaar op aan, dat hij den Christus Gods leert gebruiken als Dengene, Dien de Vader de ellende en de verlorenheid en den dood deed ingaan, opdat Gods volk Hem zou zien en aanvaarden als den Borg, in Wien hun leven is. De Heere Jezus spreekt dit woord tot een schare, die Hem wel zoekt en volgt, maar die het uitsluitend doet om de brooden, om het stoffelijke en het daarin toont, Hem niet te kennen en niet te willen.
Is het met ons van nature anders? Is ook in ons leven niet de drang om het stoffelijke machtig en schier alles beheerschend? En als wij voor het uitwendige achter den Heere Jezus gaan, wordt dan in onzen levensgang iets anders openbaar dan bij die Joden, tot wie de Christus dit woord spreekt? Wij allen wegen, aan onszelven overgelaten, geld uit voor hetgeen geen brood is, en onzen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan. Zelfs al mochten wij macht ontvangen om kinderen Gods genaamd te worden, dan nog is dat oude beginsel zoo machtig.
Wij zullen moeten ontvangen het licht des Heiligen Geestes, dat ons den gruwel onzer ongerechtigheid, gelijk Gods heilig Woord ons die teekent, doet zien en belijden voor den Heere. Arme zondaar, verloren Adamskind, kent gij dat? Zie, als in dat licht des Heiligen Geestes het Woord Gods in onze ziel doordringt, oordeelend en veroordeelend, leeren wij onze onmacht als onwil kennen en verfoeien. Dan wordt ons zelfs ons wantrouwend van verre staan, ons angstvallig vragen, of de Heere zich nog aan ons wil laten gelegen liggen, onze bekommering en kleingeloovigheid, tot schuld voor God.
Want wij leeren in die ontdekking tot op de gronden der ziel schouwen, dat, omdat onze ongeloovigheid zoo volstrekt is, de Christus het uitriep: „want Dezen heeft God de Vader verzegeld", opdat wij zouden verstaan, dat wij nooit te verontschuldigen zijn.
Zie, als deze dingen ontdekt worden, en wij reddeloos en hulpeloos voor den Christus worden neergelegd, dan geeft Gods Geest de genade om het getuigenis van den Christus aan te nemen. Daarom gaat het in al het worstelen van God en den Christus met ons Gods eere is er mede gemoeid. Hoor maar, hoe de Schrift ons dat vertolkt in deze woorden: „die Zijn getuigenis heeft aangenomen, die heeft verzegeld, dat God w a a r a c h t i g is", (Joh. 3 vers 33). Ach, sta dan niet langer van verre, zwerf niet meer voort op den weg des doods, maar begeer de genade des Heeren Jezus, dat gij met ontledigde hand, met niets dan eigen veroordeeling, uit uw nood en dood leert komen en aanvaarden den Christus, Dien de Vader verzegelde, en Die te Zijner tijd stierf voor de goddeloozen.
Als gij zoo moogt komen tot het „verzegelen, dat God waarachtig is", dan leert gij kennen die wondere trekking van den Immanuël in Zijn liefde, die sterker is dan de dood. En gij wordt gedrongen, in de zucht om meer te genieten van Zijn eeuwige zondaarsliefde, en daarin van de verzegeling des Heiligen Geestes, te bidden: „Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uwen arm!"
Dat is gemeenschapsdrang naar den Christus, waarin het openbaar wordt, dat elke zondaar, die belijdenis leert doen van het kindschap, een zegel te meer is, gezet op Immanuël, om nog anderen, die daar verre zijn, te lokken tot Hem, Die 't zegt: „Wie Mij vindt, vindt het leven !"
Z. R. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's