KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (8)
Dat wij blijven spreken van den financiëelen band tusschen Staat en Kerk en niet schrijven Kerk en Staat, is volstrekt niet, omdat wij den Staat boven de Kerk stellen, maar eenvoudig omdat het ons, in verband met de historie van dezen financiëelen band, het meest natuurlijk voorkomt eerst van den Staat en dan van de Kerk te spreken. Want er waren geestelijke goederen, voor de Roomsche religie bestemd, hoewel geen eigendom van de Roomsche Kerk als zoodanig en toen is de Overheid opgetreden, om die geestelijke goederen — eigen stichtingen zijnde — te gaan beheeren en te gaan distribuëeren, waardoor de Staat dus ten opzichte van de Kerk (de Gereformeerde Overheid ten opzichte van de Gereformeerde Kerk) regelen getroffen heeft. En nu komt het ons voor, dat de Staat (de Overheid) de eerste is en blijft, om hierin nu andere en betere regelingen te maken. De Staat (de Overheid) is in deze actie de eerste; hoewel de Kerk zich niet de minste mag rekenen en in deze dus naar een rechte behandeling staan moet.
De Staat nu had in 1798 het beginsel geproclameerd: dat voortaan iedere Kerk zelve moest voorzien in de kosten van haren eeredienst — waartoe inderdaad, naar Schriftuurlijk beginsel, de Kerk van Christus ook verplicht en geroepen is, door haar verheerlijkt Hoofd hierin onderwezen en gesteund. Toch heeft de Staat dat beginsel van 1798 niet doorgevoerd, maar is gaan zeggen, dat „op grond van het belang van den godsdienst voor den Staat", aan de onderscheidene gezindheden uitkeeringen uit 's Lands Kas moesten gegeven worden.
Dus in het belang van het volksleven moest aan de Hervormde Kerk, aan de Roomsche Kerk, aan de Remonstranten, Lutherschen en Joden rijkssubsidiën worden verleend. Op dezen grond steunt artikel 171, al. 1 onzer Grondwet, waarbij dus van de toen (in 1814) bestaande kerkelijke- en godsdienstige gemeenschappen werd uitgegaan, als zijnde in het belang van het volk. Nederland als cultuurstaat kon de religie niet missen en daarom wilde men van Rijkswege de verschillende Kerken — die voor die religie des volks zorg droegen — financieel steunen. De Overheid was daarin dus zorgdragende voor het volk en voor den Staat. Zij wierp zichzelf niet op als „voedsterheer" der Kerk, maar zij was bezorgd voor het volk en voor den Staat, geloovende, dat zonder religie het volk en de Staat schade zouden leiden en daarom wilde zij de Kerken steunen, opdat die dan voor de religie in het midden des volks zouden zorg dragen.
De stelling was dus niet, dat de Overheid een taak had ten opzichte van de Kerk, maar dat zij voor het volk moest zorg dragen. De Overheid moet voor het onderwijs zorgen, zegt men, opdat het volk er de vruchten van ontvangt. De Overheid moet voor de wetenschap en voor de kunst zorgen, voor tooneel en leeszaal — opdat het volk er de voorrechten van geniet. En zoó moet de Overheid dan ook aan de Kerken rijkssubsidie geven, opdat de Kerken geholpen worden in hun taak, om de religie voor te staan onder het volk. Van rechten van de Kerken is in deze geen sprake. De Overheid doet het uit zorg voor h e t volk.
En dan betrekkelijk willekeurig in 1927 naar de kerkelijke toestanden van 1814: Hervormden, Roomschen, Lutherschen, Remonstranten, Joden — maar van wat er na 1814 gekomen is in Nederland, weet de Overheid in 1927 niet, of zij doet alsof zij het niet weet.
Waarbij echter ook nog een 2de alinea van art. 171 bestaat, dat zegt, dat de Overheid eene bevoegdheid heeft om de uitkeeringen aan de Kerken uit te breiden, te verhoogen, te wijzigen. Dat moet ze niet doen; dat kan en mag ze doen; en dan natuurlijk naar den maatstaf of de Regeering het nuttig vindt voor het v o I k, voor Nederland als cultuurstaat, dat deze of die kerkelijke gemeenschap meer of minder uit 's Lands Kas zal ontvangen!
Dat heeft natuurlijk tot allerlei willekeurige maatregelen aanleiding gegeven, ook al omdat de eene „Regeering" er anders over dacht dan de andere „Regeering" en de beste „Regeering" aan de Protestanten wat toestopte, om de Roomschen ook wat te geven, maar heelemaal te vergeten de Kerken en godsdienstige gezindten en Vereenigingen, die na 1815 zijn ontstaan!
Zoo krijgen we verhoudingen, dat de Staat aan de Hervormde Kerk uitbetaalt in 1815 ongeveer ƒ 1.000.000 en aan de Roomsche Kerk ƒ 165.000. Dat was in 1907 geworden: aan de Herv. Kerk ƒ 1.140.000. Dus een vermeerdering van ƒ 140.000.—. Waarom? Ja, wie zal het precies zeggen! Om de wille van h e t v o 1 k — zullen we maar zeggen. En aan de Geref. Kerken, aan de Chr. Geref. Kerk, die na 1815 zijn ontstaan — hoeveel werd daarna in 1907 uitbetaald? Ieder weet het, dat alles opgeteld ƒ 0.00 is. Waarom? Ja, wie zal het precies zeggen van de politieke heeren? We zullen maar zeggen: „om de wille van het volk en van den Staat"! —
In 1815 werd aan de Roomsche Kerk ƒ 165.000 gegeven uit 's Lands Kas. Waarm? Ja, wie zal het zeggen? In 1907 was het voor Rome geworden ƒ 520.000. Een aardig stapje vooruit dus. Waarom? Waarom 520 duizend gulden, terwijl aan de Hervormde-Kerk ƒ 1.140.000 werd gegeven? Was die voorsprong voor de Hervormde Kerk vanwege de „geestelijke goederen"? En die „geestelijke goederen", waar zijn die vandaan gekomen? Van mis-legaten, kloostergoederen, schenkingen van land en geld voor de Roomsche religie, enz. enz.
Zoo zitten we in 1927 in allerlei wonderlijke dingen vast op dit terrein. Ook dus aan deze wonderlijke zaak, dat de Kerken die haar leden sinds 1815 van de Herormde Kerk ontvangen hebben, zooals de Gereformeerde Kerken en de Christelijk Gereformeerde Kerk — men mag daar nu over oordeelen zooals men wil — niets krijgen uit 's Lands Kas, hoewel het toch ook burgers van Nederland zijn en ook in het midden van ons volk wonen en werken — men mag daar nu over oordeeen zooals men wil — als een zout en als een zuurdeeg, om te behouden en om te zegenen.
Prof. Van Apeldoorn — en ieder is 't in deze met hem eens — zegt in dit verband: Ik behoef hier niet verder over te spreken. Men is het er vrijwel algemeen over eens, dat de bestaande toestand vele gebreken vertoont en niet kan worden bestendigd". (De financiëele verhouding, blz. 5). Zijn stelling is dan ook in dit verband en opzichte van art. 171, 2de lid, „dat de regeering tot dusverre zich in het algemeen heeft laten leiden niet door overwegingen van recht of billijkheid, maar door willekeur".
Maar welke is nu de weg ter verbetering?
(Wordt voortgezet).
Onze Rustdag.
Na het werken kwam het rusten. Na zes scheppingsdagen de Sabbath. Aan 't eind van het werk. Het was de verkwikking Gods over Zijn eigen werk. Hij was niet moede, de Heere, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde; maar Hij hield op van werken en verblijdde, verlustigde Zich in het werk Zijner handen, dat Hij overzag en zéér goed bevond.
Door de zonde is ook die rustdag bedorven. Want wel is de rustdag gebleven na den val, maar het is een dag geworden, waarop Christus in de ceremoniën en plechtigheden werd gepredikt en de Schriften spraken van de rust, welke in Hem zou worden geschonken voor allen, die in Hem mogen leeren gelooven.
Onder het Oude Testament had de gemeente des Heeren zich dus uit te strekken naar hetgeen vóór haar lag; naar hetgeen nog komen moest; naar hetgeen straks zou worden geopenbaard. Zes dagen werken en wachten en dan de rustdag. Zóó zou straks de Rustaanbrenger, de Silo, de Christus komen. Maar nu, onder het Nieuwe Testament, is de rustdag verlegd; en wel van 't eind naar het begin der week.
't Is nu niet meer: 't z a l komen; en daarop w a c h t e n. 't Is nu geworden: Hij i s gekomen en daaruit l e v e n. Het centrum van den rustdag is verlegd. Het centrum is nu geworden het volbrachte werk van Christus, de opgestane Heiland, de in heerlijkheid gestelde verzoeningsarbeid van den Middelaar, waaraan we op den eersten dag der week gedachtig zijn. Christus heeft den rustdag verlegd. Hij heeft gearbeid en Hij heeft gerust — en aan den morgen van den eersten dag der week noodigde Hij de Zijnen om naderbij te komen bij het geopende graf, om hun daar vrede en blijdschap te verkondigen. Zóó hebben wij den Zondag gekregen; bij het Nieuwe Verbond, dat heerlijker is dan het Oude Verbond.
Zoo gaat het onder Oud-en Nieuw Verbond om dezelfde dingen: om de rust, om de rust in God, om de rust in het beloofde land, om de rust in Christus.
Maar vroeger was het anders geopenbaard; nu is het heerlijker. En daarom zijn 't dezelfde dingen, maar toch is het anders; ook is het een andere dag, dien wij als Rustdag eeren; en dat heeft God Zelf zoo geopenbaard; dat heeft Christus ons geleerd; dat heeft bij Zijn volbracht werk een wending en een keer genomen. En nu gaat het er om, dat wij den Rustdag recht kennen; opdat we de rust van dien Rustdag in Christus mogen kennen en deelachtig zijn. Want te rusten in andere dingen dan in den Goël en Losser, Jezus Christus, zal ons niet baten. Al hadden we alles en al deden we alles en lieten we alles na — als we op dien Rustdag, die rustdag is door het volbrachte werk van Christus, Sions Borg en Middelaar niet kennen door het geloof, dan hebben we niets.
Al zouden we ons op dien Rustdag krommen als een bieze; en al zouden we gansch den dag roepen: „raakt niet, smaakt niet en roert niet aan", dan zouden we toch de ware rust missen. Want de rust van den Rustdag is de rust van Gods volk, dat rusten mag door het geloof in Jezus Christus. De rust onder de schaduw van den Levensboom Christus. De rust is: „van de zonde, van de booze! werken te rusten en den Heere door Zijnen Geest in mij laten werken en alzoo den eeuwigen Sabbath in dit leven aanvangen". (Heidelb. Catech. Zondag 38). Wel mogen we daarbij lezen Hebr. 4 vers 1—11. Verstaat Gij ook, wat Gij daar leest?
Eert Uw Vader en Uwe Moeder.
Hoort dat gebod en leeft. Hoe? — ligt dan het leven in het gehoorzamen van Vader en het eeren van Moeder? Dat zeggen we niet. Vader en Moeder kunnen ons niet zalig maken. Maar als de Heere ons toeroept: eert uw Vader en uwe Moeder; bewijst hun eere, liefde en trouw; onderwerpt u gewillig aan hun leer en schikt u met behoorlijke gehoorzaamheid naar hun vermaan en straf — dan zullen we dat gebod moeten hooren, om het ziekte-beeld van ons hart eerlijk te leeren vaststellen ! Dan zullen we bij ons moeten leeren opmerken, dat bij ons woelt en werkt de revolutie, de opstand, de ongehoorzaamheid als moeder-zonde. We zullen door dit gebod ons zielkundig onvermogen tot ware gehoorzaamheid leeren erkennen, als het goed is. En zoo zal dat gebod, dat gewone, dat natuurlijke gebod ons komen bekend maken onzen diepen val. We zijn als mensch gebroken en gansch verdorven door de zonde. Dat leert ons het vijfde gebod, dat 't meest natuurlijke gebod is.
En daarbij leven we in een tijd, waarin de aangeboren zonde van revolutie, opstand, ongehoorzaamheid, wordt gevoed en voortdurend opgewekt.
De leeringen, vroeger voorgedragen, brengen nu vruchten voort. En de brand breidt zich uit. 't Is ongehoorzaamheid hier en rebellie daar. In huis tegenover Vader en Moeder; zusters en broers onderling; in de dienstbetrekking, in de maatschappij, in de school, in den Staat, in de Kerk. Het vijfde gebod typeert de volkszonde: oneerbiedigheid, ongehoorzaamheid, verwerpen van het gezag, eigenwilligheid en eigen wijsheid, zin van verwoesting en vernieling, naar lichaam en ziel.
En zoo holt onze tijd voort, roepende al luider en luider: „laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen". Dat is in het Paradijs begonnen, toen we Gods juk afgeworpen hebben en zijn overgeloopen in den dienst van Satan.
En dat breidt zich uit, dat gaat voort, van geslacht tot geslacht en van het eene terrein des levens tot het andere. En nu wil het vijfde gebod ons tot bezinning roepen. Laat ons rondom ons zien; laat ons acht leeren geven op onszelf! En als we dan het vijfde gebod hooren mogen, dan wordt het ziektebeeld, van onzen tijd eerlijk vastgesteld. Dan wordt opstand, ongehoorzaamheid, revolutie erkend. En dan zal er op moeten volgen voor den Heere neer te vallen en voor Hem uit te roepen: Vader, ik heb gezondigd, tegen den hemel, tegen U. Ja, tegen U alleen heb ik misdreven. Dan zal er gestaan worden naar den vrede met God, in Jezus Christus, Die voor ongehoorzamen gehoorzaam stierf. Dan zal er naar vrede met onze ouders worden gestaan. Naar vrede met allen die over ons gesteld zijn. Dan komt er blijmoedige gehoorzaamheid en gewillige onderwerping aan Hem, Die onze Schepper is en aan allen die door Hem over ons gesteld zijn. Dan wordt het: Komt laat ons knielen voor den Heere, Die ons gemaakt heeft; Hij is onze God en wij zijn de schapen Zijner weide.
Hebben we met dat vijfde gebod, het gebod van onzen tijd, reeds leeren worstelen? En hebben we in den Heere, door Christus, al vrede leeren vinden? Mogen we reeds weten, dat onze zonde van ongehoorzaamheid aan God en de menschen, verzoend is in het bloed van Hem, Die stervend bad: „Vader, Uw wil geschiede"? Dan zal ook onze spijze zijn, door genade, Gods wil te doen, naar Zijn wil te vragen en in den weg van Zijn Woord te wandelen. Daarbij zullen we need'rig onze ouders en allen die over ons gesteld zijn, eeren en liefhebben; ons aan hunne goede leer onderwerpen en hun straf, zoo noodig, gewillig dragen; ook zullen we met hunne zwakheden en gebreken geduld hebben, aangezien het God belieft, ons door hunne hand te regeeren. (Heidelb. Catech. Zondag 39).
Ook hier geldt: Tegen de Revolutie het Evangelie!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's