FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
11)
Hein's brief hield het gezin van den tuinman dien avond bezig. Er werd druk over gesproken en hij drong al het andere op den achtergrond. Zelfs werd de brief van „de freules" aan grootmoeder, ofschoon wel gelezen, stilzwijgend ter zijde gelegd. Daar kon later over gehandeld worden, het bericht en het verzoek uit Den Haag waren in de eerste plaats aan de orde.
Het was alsof er vele zorgen en bezwaren uit dien brief te voorschijn kwamen en de achterkamer van het tuinhuis vulden, zóó, dat het er min of meer donker van werd.
Allen gevoelden zich bezwaard, zelfs Gerrit begreep dadelijk, dat er achter dezen brief meer zat dan het uiterlijk wel scheen.
Het zal ernstiger zijn, dan hij schrijft, dacht van Leeuwen, ofschoon hij het niet zeide. Hij kende zijn zoon. Hein, die vooral sinds zijn huwelijk met Marie, van God en Zijn dienst niet meer wilde weten, had zich langzamerhand van zijn familie vervreemd. Hij wilde zijn geweten niet wakker gemaakt hebben door de vermaningen van zijn vader of de waarschuwingen van „omoe"; hij paste niet meer in een gezin, waar de Heere gevreesd werd. Neen, hij zou Rika niet verzoeken hem te komen helpen, als de nood hem niet drong. Hij wist toch wel dat zij slecht kon worden gemist en dat Rika, als vader en „omoe", fijn was. Hoe vreemd zou zij opzien, als zij merkte dat in zijn gezin Gods naam en Woord nooit werden genoemd, dat er niet werd gebeden en alleen in het aardsche heil werd gezocht!
De gedachten van „omoe" gingen ook dien kant uit en zij sprak het ook uit: „Hein's geloof heeft schipbreuk geleden, Jan, maar schipbreukelingen kunnen nog gered worden. Dit kan van den Heere het middel zijn. Wij kunnen hem niet verlegen laten; Rika moet er heen; hoe zwaar het ook zal vallen. Was ik niet zoo oud, 'k zou er zelf heen gaan, want het komt mij voor, dat het een roepstem des Heeren is".
„Zoo is het, moeder. Er zit niets anders op".
„Gij moet er heen, kind. 'k Zal er u zelf brengen; dan weten wij hoe het er voorstaat. Wij kunnen overmorgen vroeg gaan. Zal ik schrijven, dat wij komen?"
Rika gaf eerst geen antwoord. Haar vader wist niet welk een groote teleurstelling deze brief haar bracht; hoe het er uitzag in haar hart. Dat er daar veel tegen opkwam, dat zij juist nu den Beukenhof zou verlaten en ver weg gaan om een schoonzuster, die zij nauwelijks kende, te helpen. Zij zag niet op; hare anders zoo heldere kijkers werden door tranen beneveld, zij streed een hevigen strijd daar binnen, maar dapper veegde zij haar tranen af, zag haar vader aan en zei: „Ja, vader, het zal moeten, maar ik zie er zeer tegen op".
„Dat is te begrijpen, kind, maar het kan nog wel wat meevallen. Misschien kunt gij spoedig weer terug".
„Maar hoe moet het hier, als „omoe" alleen er voorstaat?"
„Dat zullen wij wel redden, Rika", zei grootmoeder, „'k Zal vrouw Jansen vragen mij wat te helpen, of wij zoeken een uit 't dorp zoo lang. 't Eerste is, dat daar geholpen wordt. 'k Vind het flink, dat gij er heen gaat, al is het ook moeilijk. Het gaat meestal anders dan wij willen, maar als wij Gods weg gaan, gaat Hij mee en dan is 't altijd goed. Moed houden, kind, en naar boven zien. 't Wordt nu tijd dat wij naar bed gaan, het zal morgen een drukke dag worden. Jan, zou je niet nog eens bidden ? "
Dat deed van Leeuwen; in eenvoudigheid sprak hij tot God van deze zaak en gaf haar Hem over met de bede, dat Hij in alles wilde helpen.
Van slapen kwam echter dadelijk niet. De tuinman moest al maar denken aan zijn zoon. Nieuwe zorg had zich bij de oude gevoegd. Hoe gansch anders was het met Hein gegaan, dan hij het gewenscht en zoo dikwerf gebeden had! Hein was zijn eigen weg gegaan en dat was een verkeerde weg. Het onkruid was welig opgegroeid in zijn hart en had het goede zaad verstikt.
Vooral sinds hij soldaat was geworden, had het ongeloof de overhand genomen en was hij afgeweken in den dienst der zonde. Toen zijn diensttijd voorbij was, had hij als koetsier in Den Haag een betrekking gevonden, was gehuwd met een ongeloovig meisje en leefde midden in de wereld. Zeer zelden was hij thuis geweest, maar had dan ook wel laten merken, dat hij zijn eigen weg wilde gaan. Hoeveel verdriet had zijn gedrag zijn vader gebracht; hoe dikwerf had deze in brieven hem teruggeroepen om toch den weg te gaan, dien Gods Woord wijst, maar hij had niet gehoord.
Nu waren zorg en moeite gekomen. Wat zou hij in Den Haag vinden? Alleen bij den Heere was hulp voor den afgedwaalden zoon. En bij Hem zocht de tuinman 't ook, zelfs in den nacht.
Boven, in Rika's kamertje, was de slaap ook nog niet gekomen. Helder scheen de maan door het venster; buiten was 't stil o zoo stil, maar in haar hart was het niet licht en niet stil. Nu zij alleen was, begon het opnieuw met den strijd daarbinnen. Hoe gelukkig was zij geweest, toen zij Albert gesproken had. Zij zouden nu niet langer in stilte verkeeren, maar het zeggen, dat ze elkander lief hadden, hij aan zijn ouders, zij aan haar vader. Moedig zouden ze bezwaren onder de oogen zien, elkander trouw blijven en in hun liefde volharden. Zoo was zij thuis gekomen, en had er dadelijk eerst met „omoe" over willen spreken, maar ..... die brief van Hein!!
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's