De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

10 minuten leestijd

Het duizendjarig Rijk. (12)
Over de toekomst hangt een sluier, die alleen de Heere kan wegnemen. Zoo ernstig heeft de Heiland, bij Zijn omwandeling op aarde gezegd, dat er zooveel dingen waren aangaande de toekomst, die de Engelen niet wisten en die Hij ook niet wist; die alleen de Vader wist. Daarom zal het altijd verstandig zijn, wanneer wij zeggen en blijven zeggen, dat ons veel verborgen is. En het is veiliger de oplossing van dit vraagstuk over te laten aan de toekomst!
Vooral in de laatste jaren zijn er weer velen opgestaan, die zich bizonder, onder invloed van de teekenen der tijden, met de toekomst hebben ingelaten (adventistische stroomingen hier en elders); en niet zelden heeft men weer den schijn aangenomen alsof men alles in deze, tot in de fijnste bizonderheden wist. Maar we zullen verstandig doen, als we telkens zéér voorzichtig zijn met die bombastische toekomst-voorspellingen van menschen, die, nu alles rondom ons dreigt ineen te storten, grijpen naar de toekomende dingen, zonder daarbij echter zich te houden aan Gods Woord, of althans verzuimen Schrift met Schrift te vergelijken. Het is volstrekt geen wonder, dat de mensch over de toekomst peinst en niet zelden met toekomst voorspellingen zich bezig houdt. God heeft de eeuwigheid in des menschen hart gelegd; en daarin is de mensch juist van een beest onderscheiden, dat hij voor een eeuwige toekomst geschapen is. En nu weet de mensch wel, dat de toekomst vol onberekenbare mogelijkheden is, maar dat houdt hem toch niet terug zich met toekomst-overpeinzingen in te laten — z'n natuur dringt hem er toe — echter laat hij zich daarbij dan niet zelden leiden door allerlei, wat hem brengt tot de wonderlijkste speculaties; niet zelden vermengd met waarheid en leugen, met werkelijkheid en fantasie.
Zoo wil men ook niet zelden in adventistische kringen onderscheid maken tusschen een eerste komst van Christus en een tweede komst, tusschen een eerste opstanding der dooden en een tweede opstanding. En tusschen die eerste en tweede komst, tusschen die eerste en tweede opstanding, fantaseert men dan gewoonlijk een  d u i z e n d j a r i g  V r e d e r ij k op aarde.
Zoo schrijft o.a. Dr. H. Rosier in een boekje „De komst en de verschijning des Heeren" (uitgegeven bij J. N. Voorhoeve te 's-Gravenhage, 1918) dat men de  K o m s t  des Heeren en de V e r s c h ij n i n g  des Heeren niet moet verwarren. De Komst des Heeren is dan de Komst van Christus, den Zoon, om de geloovigen op te nemen, die den Heiland dan tegemoet zullen gaan in de lucht en ingebracht zullen worden in het huis des Vaders. Dat heeft dan met het eindoordeel niets te maken. Want dat eindoordeel zal pas wezen bij de  V e r s c h ij n i n g  des Heeren, als Hij Zich, omringd van Zijn heiligen, zal openbaren als Rechter. Die  V e r s c h ij n i n g  des Heeren is dus het vervolg op Zijn komst; 't zijn twee onderscheiden zaken; eerst de Komst om de Zijnen tot Zich te nemen; dan de  V e r s c h ij n i n g  op de wolken, om te oordeelen de levenden en niet de dooden.
Zijn  g e n a d e  zal verheerlijkt worden bij Zijn Komst; Zijn  g e r e c h t i g h e i d  bij Zijn v e r s c h ij n i n g.
Als men die onderscheiding gemaakt heeft die een s c h ij n van waarheid heeft en waarbij men allerlei teksten aanhaalt — evenwel zonder Schrift met Schrift te vergelijken en de minder duidelijke dingen door de meer duidelijke te verklaren — dan gaat men op dat stramien natuurlijk doorborduren. Men hoort dan in de verte het geroep: de Bruidegom komt! En nu moeten alle kerkmuren vallen en alle secten moeten saamvloeien en het volk des Heeren van alle tijden en alle plaatsen zal van de Kerk en van de secte verlost worden en het zal den Zoon tegemoet gaan in de lucht, op de stem eens aartsengels en des bazuins Gods. (blz. 3). Dat is de vervulling van Openb. 22: 20 : „Amen! Ja, kom, Heere Jezus!" (blz. 4).
Dan komt later de  V e r s c h ij n i n g des Heeren, van den Zoon des menschen, op de wolken. Dat is het tweede gedeelte en dan zullen de heiligen op aarde verschijnen. Als de Zoon van God neemt Christus de Zijnen op in den hemel; als de Zoon des menschen verschijnt Hij met Zijn heiligen op aarde ten oordeel (Matth. 24 : 23), om Zijn Koninkrijk op te richten door de uitoefening van het oordeel. En dan zegt Dr. Rosier „Niettemin worden die twee gedeelten van elkander gescheiden door een tusschentijd, vol van ontelbare wendingen en ontknoopingen, die al de profetische gebeurtenissen en oordeelen omvat, welke aan de vestiging van het Duizendjarige Rijk van Christus voorafgaan", (blz. 5).
„De Komst des Heeren zal dus de geloovigen inleiden in de h e m e l s c h e heerlijkheid; Zijn  V e r s c h ij n i n g, begin van de Duizendjarige Regeering van gerechtigheid en vrede, zal Israël en de volken inleiden in de  a a r d s c h e  heerlijkheid."
„Die twee zijden van de waarheid — n.l. de  K o m s t  des Heeren en de  V e r s c h ijn i n g  des Heeren — moeten goed onderscheiden worden. En het is te vreezen, dat de tegenwoordige opwekking (in 1918 enz.) zoo waard om met groote vreugde begroet te worden door allen, voor wie de Komst des Heeren sedert lang de levende hoop is, wordt verzwakt, als deze beide zijden der waarheid niet worden gekend en gehandhaafd". „Des Christens hoop is de  K o m s t  des Heeren in genade, wel verbonden met de  V e r s c h ij n i n g  des Heeren in heerlijkheid, maar nochtans gescheiden er van door al de oordeelen, die aan het Duizendjarige Rijk voorafgaan. (1 Thess. 1 : 3 en 10; Col. 1 : 27; 3:4; 1 Joh. 3 : 2 en 3.)" (blz. 7).
,,De Verschijning des Heeren zal de inleiding zijn (door het oordeel) van Zijn Rijk van vrede en gerechtigheid op aarde; zij is ook de verlossing der aardsche heiligen, Joden of Heidenen, die, nadat zij door de groote verdrukking zijn heengegaan, zullen deel hebben aan het Koninkrijk van Christus." (blz. 7).
Dr. Rosier zegt, dat vroeger die onderscheiding van de komst des Heeren en Zijn verschijning niet gemaakt werd en betreurt dat. Men sloeg die komst van Christus eenvoudig over. „Er werd alleen gedacht aan één groote eindgebeurtenis en bestreden werden de twee opstandingen (die der rechtvaardigen eerst en der onrechtvaardigen later) waaromtrent de Schrift zoo duidelijk spreekt", (blz. 10). „De  V e r s c h ij n i n g  des Heeren heeft niets te maken met het oordeel der d o o d e n en nog minder met het oordeel der geloovigen (want die komen niet in het oordeel; Joh. 5: 24). Die verschijning vindt plaats om het oordeel te doen komen over de levenden, dat zijn: de volken, die Satan straks bijeen vergadert tegen Christus. Openb. 19: 11—21." (bl. 11)
Eerst komt de Heere dus de Zijnen wegnemen van de aarde, om ze bij Zich te hebben en dan komt Hij met hen op aarde in Zijn v e r s c h ij n i n g. Als Hij  k o m t, zullen alleen Zijn heiligen Hem zien; de wereld zal het niet zien, want het zal geschieden in een punt des tijds; maar Zijn heiligen zullen Hem zien als Hij komt en zullen opgenomen worden in de wolken, Hem tegemoet in de lucht.
Bij de  v e r s c h ij n i n g  zal het anders toegaan. Dan zal Hij Zelf komen met de wolken en aller oog zal Hem zien. Openbar. 1: 7.
Bij Zijn  k o m s t  zullen alleen de Zijnen Hem zien, zooals Hij is en Hem gelijk zijn. Bij Zijn verschijning zullen allen Hem zien en met het oordeel over de levenden zullen de heiligen die bij Hem zijn deelen in Zijn heerlijkheid.
,,En tusschen 's Heeren  K o m s t en  V e r s c h ij n i n g vinden bijna al de profetische gebeurtenissen plaats: Satan wordt op de aarde geworpen, zoodra de heiligen (bij de komst van Christus) opgenomen zijn in den hemel; het Romeinsche Rijk wordt hersteld met zijn tien koningen en zijn keizerlijk hoofd; het ongeloovige Joodsche volk keert naar Palestina terug om daar onder het juk te vallen van den Antichrist, den valschen profeet, den mensch der zonde, die eerst dan zal geopenbaard worden. Het is dan de ure der verzoeking, die zich over de geheele aarde uitstrekt, de groote verdrukking, de bizondere benauwdheid voor het overblijfsel van Israël; de openbaring van de macht en daarna de val van het groote Babyion enz." (blz. 13). (De groote opstand van Gog en Magog — zegt Dr. Rosier — zal na het Duizendjarige Rijk plaats vinden, Openb. 20; 7—9 ; waarna Satan voor eeuwig in den poel des vuurs wordt geworpen).
,,Zoo wordt naar de Komst des Heeren uitgezien. Zij overtreft in gewicht iedere andere gebeurtenis. Want dan zullen wij Hem zien, onzen dierbaren Verlosser, als de blinkende Morgenster, in den glans van Zijn hemelsche schoonheid; en dan zullen wij Hem gelijk zijn". „Die des nachts slapen en des nachts dronken zijn, zullen die Ster niet zien. De wereld aanschouwt de Morgenster niet. En de Gemeente zal niet gevonden worden als zij opgenomen is in de wolken, in de lucht; evenmin als Henoch na zijn opneming en Elia na zijn hemelvaart gevonden werden toen men hem zocht" (blz. 14).
En dan komt de  v e r s c h ij n i n g des Heeren. Die is óók van groot belang. ,,Welk een vreugde zal het zijn voor de Zijnen, als de Heere zal opstaan als de Zon der gerechtigheid; Hem te aanschouwen in Zijn Majesteit en met Hem verbonden te zijn als Zijn metgezellen in heerlijkheid, als Zijn geliefde Bruid op den troon Zijns Koninkrijks!" (blz. 14).
Met een bede eindigt Dr. Rosier zijn boekje; waarvan het slot luidt: „Geef ook aan al Uw vrijgekochten de kracht en den moed om vast te houden wat zij hebben. Uw Woord en Uw Naam, tot op Uw komst, o Heere! En te wandelen in heiligheid met het oog op Uw verschijning, opdat zij niet hun kroon zouden missen, op den dag, dat Gij zult geopenbaard worden! Amen."
Veel is ons sympathiek in deze woorden.
Maar die onderscheiding in  K o m s t  en  V e r s c h ij n i n g  des Heeren wil ons niet bevallen en van een Duizendjarig Rijk tusschen die  k o m s t  en die  v e r s c h ijn i n g  des Heeren willen we niet weten. We willen hierop het licht van Gods Woord nog eens doen vallen. Maar dan in een volgend artikel.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's