SCHRIFTVERKLARING
Strijd den goeden stryd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. 1 Timoth. 6 vers 12.
1 Timotheüs.
13
O p e n b a r e b e l ij d e n i s e n i n n e r l ij k e s t r ij d. Zoo hebben wij bij de aanneming en bevestiging der nieuwe lidmaten de twee uitersten af te keuren. Daar zijn er die bij de aannemelingen slechts een uiterlijk verstandelijke kennis veronderstellen, alsof bij hen van 't minste werk der genade geen sprake kan zijn. Het is dan geen hartezaak. Elk geestelijk element wordt geloochend. Op een verstandelijk toestemmen van de Waarheid worden de jonge menschen aangenomen. En in de bevestigingspreek wordt met nadruk er op gewezen dat zij er buiten staan. Zoo vernam ik dat een leeraar, die van dit beginsel uitging, wel den hierboven geplaatsten tekst gekozen had bij de bevestiging, maar zóó preekte alsof er geen nieuwe lidmaten in de kerk waren. Eerst nadat de leeraar „amen" gezegd had, werden den nieuwen leden de vragen voorgelegd. Er werd een vers toezongen en de wensch uitgesproken dat zij nog eens deel mochten krijgen aan datgene, wat zij nu slechts verstandelijk hadden beleden. Hiermede was alles afgeloopen. En als de nieuwe lidmaten goed geluisterd hadden, droegen zij de overtuiging mede dat er nog geen denken aan was zij den goeden strijd des geloofs streden en meeliepen in den geestelijken wedloop. De Kerkeraad had er blijkbaar ook voor gezorgd dat het Heilig Avondmaal niet kort daarop in de gemeente gehouden werd. De „nieuwe lidmaten" mochten anders eens denken dat zij aan den disch des Verbonds verwacht werden! — Zulk een aanneming en bevestiging is wel 't tegenovergestelde te noemen van de „Protestantsche confirmatie", waarover ik in mijn vorige stukje schreef. Op deze wijze wordt de Roomsche klip goed ontzeild. 'k Stem toe, zoo maakt men zich wel het gemakkelijkst van de zaak af en kan men rekenen op de instemming van vele eenvoudige zielen, die nu eenmaal het „leerstuk over de Kerk" nooit begrepen hebben, en in het „stuk over het genadeverbond" nimmer thuis geraakt zijn en die ook niet van plan zijn over deze door God geopenbaarde waarheden dieper na te denken dan zij tot hiertoe deden.
Maar de gemakkelijkste beschouwing is nog altijd de meest ware! De vraag is toch alleszins gewettigd: Is de zaak wel zoo eenvoudig als men zich wil voorstellen? Heeft een Kerkeraad, heeft een Leeraar wel het recht om zulke menschen „Openbare belijdenis" te laten doen, die niet anders dan eenige vragen uit het hoofd hebben opgezegd en een examen in Waarheidskennis hebben afgelegd? Tegenover eenvoudige zielen is men wel spoedig verantwoord, maar kan men het voor den Koning der Kerk verantwoorden den toegang tot het Heilig Avondmaal te ontsluiten aan hen, van wie van den kansel openlijk gezegd wordt dat zij slechts verstandelijk de Waarheid belijden? Immers, ook al verschuift men het Avondmaal tot maanden daarna, het recht tot den disch wordt gegeven. Dit kan het water van de zee niet afwasschen! Dat er „onkruid onder de tarwe" is, zegt ons de Heilige Schrift duidelijk, maar dat geeft geen Kerkeraad of Leeraar het recht het onkruid voor aller oogen aan te kweeken. Ook de Schrift spreekt er waarschuwend van dat er leden van de gemeente zijn die den naam hebben dat zij leven, maar zij zijn dood. Maar nu gaat het toch niet aan om een groep jonge menschen als doode leden aan te nemen, en aldus het kwaad van de gemeente van Sardis te sanctionneeren. Men dient zich toch af te vragen: waarom worden zulke menschen lidmaat? Alleen maar om van de catechisatie af te zijn of om stemrecht te kunnen uitoefenen? Als er slechts zulke oppervlakkige redenen zijn, dan kan men het even goed nalaten, en een Leeraar doet veel beter als hij zulke oppervlakkige dingen niet in de hand werkt, 't Is eigenlijk de grootste absurditeit (ongerijmdheid) — ieder die nuchter over de zaak nadenkt stemt het toe — om z.g. „doode leden" te gaan bevestigen. En wat sommigen schijnbaar zoo heel gemakkelijk doen, zooals die Leeraar waarvan ik hierboven schreef, is groote dwaasheid. Welke landman gaat openlijk onkruid aankweeken op zijn akker? Even dwaas doet een Kerkeraad die lidmaten aanneemt alleen maar op een uiterlijk verstandelijke kennis van het Evangelie. — Nu weet ik wel, wat men mij antwoorden wil. Men zegt: „zulke menschen worden lidmaat van de uitwendige Kerk; dit heeft met de levende gemeente van Jezus Christus niets te maken. En met dit eerste kan een ieder volstaan die de belijdenis toestemt en goed van levenswandel is". Maar dan antwoord ik: „Hoe komt ge er aan dat er eene „uitwendige Kerk" zou zijn, die niets te maken heeft met wat ge dan „inwendige Kerk" zoudt willen noemen? De Heilige Schrift geeft u niet voor het minste voet om zulk een opvatting te koesteren, veel minder nog om u met zulk een opvatting te dekken als ge „doode lidmaten" gaat bevestigen en onkruid openlijk gaat aankweeken. De Schrift zegt wel dat de Kerk van Jezus Christus eene uitwendige zijde heeft. De mooiste vergelijking vind ik die, als Christus' Gemeente met het menschelijk lichaam vergeleken wordt. De mensch bestaat uit ziel en lichaam. Het lichaam is dan de uitwendige zijde; de ziel de inwendige. Zij behooren, opdat wij een mensch zouden zijn, onlosmakelijk bij elkaar. Zoo heeft de Kerk ook eene uitwendige zijde, die alles te maken heeft met de inwendige zijde. Laat ons dit Schriftuurlijk begrip van de Kerk van den Heere Jezus Christus toch vast houden in onzen op kerkelijk gebied verwarden tijd, ook al roept een leger van conventikelmenschen en conventikeloefenaars het ons anders toe. De openbaring van de Heilige Schrift zal 't doen, en anders en daarbuiten niets. Is er dus eene uitwendige zijde van de Kerk, die voor de Kerk des Heeren van evenveel beteekenis is als ons lichaam voor onze ziel, dan heeft niemand het recht om ten opzichte van die uitwendige zijde oppervlakkige praktijken in de hand te werken en goed te keuren.
Een ,,Protestantsche Confirmatie", zooals in de Evangelische Kerk in Duitschland plaats vindt, kan onze goedkeuring niet wegdragen. Dan legt men veel te veel in de „aanneming en bevestiging". Maar men slaat tot een ander uiterste over als „aangenomen" wordt slechts op een uiterlijke verstandelijke kennis. Het zal moeten zijn: openbare belijdenis en inwendige strijd. Maar hierover een volgenden keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's