MEDITATIE
Eenzaam en Ellendig.
Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. Psalm 25 vers 16.
„Wend u tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig". Welk een diepte van ziels-ellende ligt in deze bede van David vertolkt! Rondom hem waren machtige vijanden die zijn ondergang zochten. Hun aantal nam gestadiglijk toe en het getal zijner vrienden verminderde steeds.
Dat deed hem in banige vreeze klagen: ,,Ik ben eenzaam".
Maar kende David dan den grooten Vertrooster en Helper der eenzamen niet? O zeker! David had immers zelf meermalen Zijn hulp ervaren. Bij zijn harp had hij tevoren gezongen van de trouw van dien God. Hij wist het, dat hij met de hulp van dien God over de muren kon springen van iedere vijandelijke veste en dat hij met dien God door iedere bende kon dringen.
Leefde dan die God van David niet meer? Lezer(es), die God leefde nog, zooals Hij ook heden nog leeft, maar David miste bij oogenblikken de vertroosting van de beloften Zijner hulp. Daar werd een strijd gestreden in Davids ziel. In dezen zelfden psalm spreekt hij ook zijn sterk en heerlijk Gods-betrouwen uit en toch — het andere oogenblik klaagt hij zijn smart en vreeze uit. Het ging hem als Elia in de bangste uren van zijn leven. Toen Elia, vluchtend voor de wraak van Izebel, in de eenzaamheid der woestijn terneder zonk en met afgemat hart den Heere bad, dat zijn ziel zoude sterven — toen leefde diezelfde God eveneens. Toch was Elia eenzaam. Zoo was ook Jona in later eeuw eenzaam, toen hij buiten de poorten van Ninevé aan den voet van den wonderboom neerzonk en niets meer begreep van zijn God, Die in Zijn groote barmhartigheid over Ninevé het oordeel afwendde, dat Jona toch op Zijn bevel aan die stad had moeten aanzeggen.
Zoo was ook David eenzaam. Hij had de heerlijkste beloften van God ontvangen en nu niets dan vijanden rondom! Dit deed hem eenzaam zijn. Het was, alsof God hem had verlaten en Hij niet meer gedachtig was aan Zijn genade. En nu rijzen voor Davids geest de zonden op, welke hij tegen God had misdaan. Hoor hem in dezen psalm maar klagen: „Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen. Aanzie mijne ellende en mijne moeite, en neem weg alle mijne zonden". Juist die zonden drukten zijne ziel zoo terneder. Als hij alleen door vijanden was omringd geweest en er was geen scheiding geweest voor zijn besef tusschen God en zijne ziel vanwege die zonden, dan zou David ook hebben kunnen zeggen ten opzichte van de menschen: „ik ben eenzaam", maar dan had hij er aan toe kunnen voegen: ,,doch met God gemeenzaam". Juist om de wille zijner zonden echter is het nu niet enkel: „ik ben eenzaam", maar ook ,,ellendig".
Verstaat ge het, lezer, dat daarom deze innerlijke eenzaamheid en geestelijke ellende alleen worden gekend in hare diepten door de kinderen Gods? Alleen de ziel, die eenmaal rijk is geweest in haren God, kent deze ellende. Wie altijd voor de dingen der wereld geleefd heeft, heeft nimmer den rijkdom gekend van het leven met God; heeft nooit gesmaakt den verborgen omgang met God, waarvan de dichter ook in dezen zelfden psalm gewaagt.
Hoe eenzaam het kind der wereld zich ook bij tijden mag gevoelen, als het zich in stille uren alleen tegenover den dood en de eeuwigheid ziet geplaatst — toch is dit niet die smartelijke ellende, waarvan David hier spreekt. Neen, hier is de eenzame ellende van het hart, dat tevoren de hoogste vreugde heeft gesmaakt door de vertroostingen Gods en nu die vreugde des heils moet missen. Dit is de eenzame ellende van een zondaar, die uit genade eenmaal mocht juichen in de barmhartigheden Gods en die een voorproef mocht smaken van de eeuwige zaligheid. Het is de eenzame ellende van een zondaar, die het mocht weten, dat de poorten der hel voor het volk van God zijn toegegrendeld en den Satan de kop is vermorzeld, ook voor hem. Het is de eenzame ellende van den zondaar, die dit alles mocht weten en die een blik mocht werpen op de witte kleederen en de gouden harpen daarboven, — maar die straks niets om zich heen ziet dan zonde en schuld, dan een heirleger van den Satan en van een vijandige wereld. Uit zulk een hart klimt de klacht op tot God: „ik ben eenzaam en ellendig! Wend U tot mij en wees mij genadig".
Lezer of lezeres, kent ge deze eenzaamheid en ellende? Ik vraag u dus niet, of gij de ellende der eenzaamheid hebt leeren kennen, omdat gij nu misschien arm zijt naar de wereld, terwijl gij tevoren rijk waart aan geld en goed en daarom thans door uw wereldsche vrienden zijt verlaten. Ik vraag u ook niet, of ge eenzaam en ellendig zijt, omdat ge misschien op het ziekbed zijt neergeworpen. Evenmin vraag ik u, of ge eenzaam en ellendig zijt, omdat uw hart wellicht zat is geworden van de dingen der wereld, die niet bevredigen konden en misschien levensmoede 't uur van uw geboorte vloekt. Maar ik vraag u, of het u zoo eenzaam en ellendig is als den verloren zoon, toen hij verarmd en verlaten aan het huis zijns vaders dacht, waar het goede en de weldadigheid hem hadden omringd. Is het u zoo eenzaam en ellendig als het David was, omdat ook uwe ziel eenmaal van vreugde opsprong in uw Verlosser, in uw God, terwijl gij nu Zijn lieflijk-omhelzende armen niet meer gevoelt om uw ziel?
Dan is het donker voor uw ziel, want dan hebt ge geen oog voor den balsem van Gilead, welken de Heere u aanbiedt. Dan hebt ge geen oog voor het goud der genade, dat ook heden schittert in des Heeren hand. Dan ziet ge niet in uw ellende, dat het rondom u vol is van vurige paarden en wagenen om u te verlossen uit de hand van uw grooten vijand. Dan ziet ge het kruis op Golgotha niet, dat daar spreekt van verzoening en ge bemerkt den stroom der genade niet, die daar ontspringt aan den voet van dat kruis. Toch is die stroom daar! Toch is die balsem daar, ook voor de wonde uwer ziel, want het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden en Zijn Geest brandt alle ongerechtigheid weg. Zie het aan David! Nu mocht hij ook al klagen: ,,Ik ben eenzaam en ellendig!"
— straks mocht diezelfde David getuigen: „Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij, maar onze overtredingen — die verzoent Gij". Laat uw hulpeloosheid u des te meer uitdrijven tot den eenigen Redder. Menschenkinderen kunnen u niet helpen. Al het goud der aarde kan u niet baten. Alleen Hij, Die Zich thans voor uw ziel verborgen houdt, kan u verlossen.
Maar bid dan met David om Zijne genade.
„Wees mij genadig" — zoo bad de dichter.
„Wees mij genadig" — zoo smeeke ook uwe ziel!
Laat het u vertroosten, dat die genadekreet der ellendigen en nooddruftigen zulk een sterke macht heeft op het hart des grooten Ontfermers, niet om de wille van die bittere klacht zelf, maar om de wille van den arbeid der eenzame ellende van den Heere Jezus Christus. Op grond van dien arbeid der verlossing, wendt de Heere zich tot de ziel, die Hem roept.
En klaagt ge dan nu:
„Eenzaam ben ik en verschoven, Ja, d' ellende drukt mij neer",
straks zingt ge met al Gods verloste volk terwijl uw oog tranen schreit van vreugd' en zieleweelde:
„Nooddruftigen zal Hij verschoonen;
Aan armen, uit gena,
Zijn hulpe ter verlossing toonen;
Hij slaat hun zielen ga.
Als hen geweld en list bestrijden,
Al gaat het nog zoo hoog.
Hun bloed, hun tranen en hun lijden
Zijn dierbaar in Zijn oog".
Zeist B.N.B.Bouthoorn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's