KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk(11)
Wat nu is, wortelt in het verleden; ook wat de financieele verhouding van Staat en Kerk aangaat. Er is een heele geschiedenis aan verbonden.
De geestelijke goederen, die door Roomschen voor Roomsche doeleinden bestemd zijn en na de Reformatie zonder bezitter en zonder bestemming kwamen, zijn door de Staten onder beheer genomen en gebruikt gedeeltelijk voor kerkelijke, gedeeltelijk voor andere doeleinden. Men was algemeen van oordeel, dat de geestelijke goederen tot heilig g e b r u i k (ad pios usus) moesten aangewend blijven, maar de Staten hebben zich in den loop des tijds niet altijd aan bovengenoemd beginsel gehouden en uit de inkomsten dier goederen tal van zaken bekostigd, van welke het „heilige" karakter moeilijk valt in te zien. De Overheid kon dikwijls aan de verleiding om deze geestelijke goederen en ook kloostergoederen en pastoriegoederen, ten eigen bate, d.w.z. tot nut van het land te gelde te maken, geen weerstand bieden. Zoo hebben de Staten vele geestelijke goederen tot allerlei doeleinden aangewend om te geraken uit den geldnood, waarin zij ten gevolge van den oorlog verkeerden. Daarbij werden de geestelijke goederen eensdeels verkocht voor allerlei landsdoeleinden — tot afbetaling van de leeningen enz. — anderdeels gestort in de geestelijke kantoren.
De „geestelijke goederen en fondsen", ook in art. 4 van de Staatsregeling van 1798 genoemd, waren de bezittingen die in de dusgenaamde „Geestelijke Kantoren" waren begrepen. Het meest bekende van die geestelijke kantoren is dat van Delft geweest, dat z'n oorsprong dankt aan een resolutie, den 16den Januari 1577 door de Staten van Holland genomen: dat de predikantstractementen op de dorpen uit de pastoriegoederen zouden worden betaald, die alle onder één ontvanger zouden worden gesteld. Zoo werden de pastoriegoederen, die vóór de Reformatie onder de geestelijke jurisdictie van den Bisschop stonden en plaatselijk gevestigd waren, na de Reformatie door de Staten ondergebracht onder beheer van een „geestelijk kantoor".
Er is dus wonderlijk gescharreld met bezittingen en goederen die naar Gereformeerd Kerkrecht aan de plaatselijke Gereformeerde Kerk hadden moeten toegewezen zijn door een Gereformeerde Overheid. De Staten hebben er nu echter mee gedaan wat ze wilden. Zoo werd bij resolutie van den 2den Juni 1575 de goederen van vele kloosters binnen en buiten Leiden tot onderhoud van de nieuw opgerichte Hoogeschool aldaar aangewezen, zooals de inkomsten der broederschapsgoederen van de Kerken der stad Utrecht een zestigtal jaren later zouden worden besteed voor het onderhoud der pas geopende Illustre School. De goederen van het Predikheerenklooster, dat door den Raad der stad Utrecht opgeheven werd, werden gedeeltelijk met het vermogen van het Weeshuis vereenigd. Andere goederen binnen Amsterdam werden weer gebruikt tot betaling van de schulden der stad.
Bij dat al waren de Staten de „voedsterheeren van de ghemeynte Christi" en voelden zij zich verplicht om in de bezoldiging der predikanten te voorzien. Was er dus niet genoeg uit de geestelijke goederen of uit de pastoriegoederen, dan moest maar door belasting enz. door de Staten gezorgd worden, dat uit de publieke kas werd bijbetaald.
Het scharrelen door de Staten met de geestelijke goederen, de kloostergoederen, enz., die de Staten bona vacantia noemden — d.w.z. goederen zonder bezitter — vverd door iemand als V o e t i u s niet goedgekeurd. Hij heeft krachtig bestreden de voorstelling alsof de Staten met die goederen eigenlijk mochten doen wat zij wilden. 't Waren volgens hem geen „heerlooze goederen" (bona vacantia) geworden. Er lag op die goederen, volgens Voetius, net servituut, dat ze voor heilige doeleinden (ad pios usus) moesten worden gebruikt en krachtens het publieke karakter der Gereformeerde religie kwamen ze aan de Gereformeerde gezindheid toe. Die „heilige" (pieuze) goederen en fondsen kwamen toe aan de publieke Kerk in dezen lande, zijnde volgens het recht van die dagen de Gereformeerde Kerk!
Jammer dat de Overheid in de 16e eeuw zoo weinig begrepen heeft dat, naar Gereformeerd Kerkrecht, de plaatselijke gemeente het lichaam was om den eigendom en het bezit van de goederen te hebben. Dan had de Overheid, die zich als voedsterheer der Kerk voelde, aan de Kerk kunnen geven en laten wat de „heilige" bestemming der goederen nu was, om dan vervolgens, zoo noodig de Kerken te helpen financieel in de predikantstractementen enz. Men had de „heilige" goederen (ad pios usus gegeven en bestemd) niet zelf in eigendom en beheer moeten nemen, om ze te bestemmen voor onderwijs, armenzorg, afbetaling van oorlogsschulden enz. enz.. De Gereformeerde Overheid in dien gereformeerden tijd had gereformeerd moeten handelen en de goederen aan de Kerken moeten geven en laten — zonder meer! De G e r e f o r m e e r d e K e r k was toen de publieke, de heerschende, de bevoorrechte Kerk en daar had men ook wat betreft de geestelijke goederen, die een „heilige" bestemming hadden, (en geenszins voor oorlogsschulden enz. bestemd waren) rekening mee moeten houden. Dat eischte het recht van dien tijd!
Daarbij is de „roof" van geestelijke goederen en fondsen, door de Staten gedaan, in naam veel grooter dan de daad is geweest.
Ongetwijfeld zijm vele geestelijke goederen door de Staten verkocht, maar de opbrengst daarvan was bij lange na niet toereikend om de bezoldiging der predikanten te voldoen. Reeds in 1577, bij de oprichting van het geestelijk kantoor te Delft, werd door de Staten, die dit tekort voelden, bepaald, dat het tekort door omslag over de ingezetenen in de gemeente enz. gevonden moest worden. En dat was noodig, want als de ontvanger in het tweede jaar van zijn beheer niet reeds krachtig ten behoeve van zijn kantoor uit de belasting enz. was gesteund geworden, dan zou hij toen reeds voor een groot gedeelte de tractementen aan de predikanten niet hebben kunnen uitbetalen en het tractement van de dorpspredikanten was toen — 240 gulden per jaar! De inkomsten door belasting, die betaald moest worden o.a. bij den verkoop van turf, zijde, wol, laken, enz., bedroegen weldra ruim 6000 gulden méér dan de ontvangsten uit de pastorielanden waren! Bewijs, dat de geestelijke goederen lang niet zooveel van waarde waren als men dikwijls, zonder eenig bewijs, beweert. Ze waren niet groot genoeg om de predikanten te onderhouden en de Overheid kwam tusschenbeide om een belangrijk deel bij te passen in kwaliteit van voedsterheer der Kerk, waarvoor dan alle burgers belasting enz. moesten betalen.
Had men de geestelijke goederen enz. aan de plaatselijke Kerken gelaten, dan had men ook veel zuiverder toestand gekregen. Dan wist men precies waar de Kerk aan toe was in haar eigen bezit en de subsidieering van Staatswege kon dan een afzonderlijke kwestie zijn, terwijl men nu altijd weer komt met die geestelijke goederen van vroeger, die door den Staat van de Kerk „gestolen" is; iets wat onmogelijk meer is uit te zoeken.
Intusschen blijft het waar, dat de Kerken van hare goederen hebben moeten missen — terwijl aan den anderen kant de Kerken van de Staten voor veel grooter deel, krachtens het toen geldend recht, subsidie ontvingen uit de publieke kas. Hoe zuiverder en eerlijker men in deze de kwestie stelt, hoe gemakkelijker het zal vallen uit den warwinkel nog eens uit te komen.
De werkelijke toestand is dus vroeger overal geweest: dat de tractementen der predikanten in den tijd der Republiek krachtens het toen geldend recht voor een groot deel uit de publieke kas betaald werden, waarvoor alle burgers moesten opbrengen In den vorm van belasting enz., terwijl aan den anderen kant de Overheid dikwijls voor een grooter of kleiner deel van de geestelijke, soms van de kerkelijke goederen, voordeelen trok.
Geleerden van een principieel verschillend beginsel zijn dan ook tot dezelfde slotsom in deze gekomen. T h o r be c ke, de liberale grootmeester, sprak in zijn A a n t e e k e n i n g o p d e G r o n d w e t (II, blz. 222) uit, dat de inkomsten thans (d.i. bij invoering der Grondwet) door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten zoowel in verscheidenheid van posten als hoogte van sommen, slechts voor een k l e i n d e e l kunnen zijn goed gemaakt uit de opbrengst der vorige g e e s t e l ij k e g o ed e r e n. En de anti-revolutionaire p r o f. G r a t a m a bevestigde insgelijks: Geen gelden worden thans aan de Kerkgenootschappen betaald als last klevende op of als vergoeding voor aan zijn bestemming onttrokken kerkelijk goed. Ze worden uitsluitend betaald op grond van art. 168 der Grondwet (thans art. 171). Krachtens de toekenning dus door den Grondwetgever. In geen geval kan ik hier verkregen rechten erkennen". (Prot. Bijdragen, 11e jaargang. Rotterdam 1871, blz. 150, 151).
Bescheidenheid zal ons hier passen.
Waarbij toch de handelwijze van de Staten in de 16de eeuw blijft te veroordeelen als in strijd met het toen geldend recht, om aan de publieke Kerk, aan de Gereformeerde Kerk, te onthouden de goederen die voor een „heilig" doel gegeven waren!
De eenige, ware, publieke Kerk kwam in aanmerking om als bezitster te genieten van de geestelijke-, van de pastorie-, van de kerkelijke goederen, in het algemeen van de goederen die in den Reformatietijid veranderden van doel — welk doel was en blijven moest een heilig, geestelijk, kerkelijkreligieus doel! Hierin heeft Voetius geenszins ongelijk gehad, al was hij „maar" een theoloog en geen jurist.
(Wordt voortgezet).
De Haar-Oorlog.
We moeten eerlijk zijn. Hoe dikwijls moet er later niet worden bekend, dat men zich vroeger druk gemaakt heeft over iets, dat toch inderdaad de moeite niet waard was, om er over te twisten! Natuurlijk wordt hiermee volstrekt niet gezegd, dat we „alles maar goed moeten vinden." Integendeel! Maar we moeten toch ook bekennen, dat er dikwijls gestreden wordt over dingen, die 't niet waard zijn, dat er zooveel drukte over gemaakt wordt; en die 't volstrekt niet verdienen, dat er „kwesties" van gemaakt worden, en dat er verwijdering onderling door ontstaat. Wat dat betreft moeten we het met „de christelijke vrijheid" een beetje durven wagen en moet er soms een „heilige onverschilligheid" komen, als men door haarkloverijen den boel op stelten wil zetten of uit elkaar wil slaan. Wat is er dikwijls een „onheilig vuur" dat brandt; wat is er dikwijls een zucht om verdeeldheid te zaaien! En dat, waar we elkander in den grooten strijd onzer dagen zoo zeer van noode hebben!
We denken in dit verband aan den „Haar-Oorlog" ' die hier vroeger geweest is. „De Heraut" herinnerde er ons aan. En uit het artikel van de hand van Prof. Dr. H.H. Kuyper nemen we hier — zakelijk — een en ander over.
Kort na de Dordtsche Synode, die in 1618 —'19 is gehouden — zegt ,,De Heraut" — is hier een hevige strijd gestreden, die heel de kerkelijke wereld in beroering bracht, waaraan de beroemdste theologen en professoren in de letteren hebben deelgenomen. De gewoonte was uit Frankrijk hier in Nederland overgenomen, dat de mannen lang haar gingen dragen of zelfs hun hoofd versierden met pruiken. De baard werd toen afgeschoren. Wat gaf dat een beroering in de gelederen van onze Gereformeerden! De kansels weergalmden van de banvloeken tegen de lange haarlokken van de mannen. De bekende Zeeuwsche theoloog U d e m a n schreef een tractaat over A b s a l o m 's h a a r. De Utrechtsche theologische faculteit, met Voetius aan het hoofd, koos partij t e g e n de Leidsche faculteit voor de lange haren. Breede tractaten over de haren verschenen in die dagen.
Schotel geeft in zijn boek K e r k e l ij k e e n w e r e l d l ij k e k l e e d i n g breede beschrijving er van in negen hoofdstukken. Voetius CS. betoogden, dat 't dragen van lange haren door de mannen in strijd was met Gods Woord en noemde vooral 1 Cor. 11: 14 : „Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zoo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?" Men haalde er ook zelfs Openb. 9:8 bij aan, waar staat: „En zij hadden haar als haar der vrouwen; en hunne tanden waren als tanden der leeuwen". Men had er niet tegen, dat de man een baard droeg, want 't scheermes was een uitvinding van Sodom, zei men; en door het afscheren van den baard werd het verschil tusschen man en vrouw weggenomen, beweerde men!
Maar vijftig jaar later ziet men alle godzalige leeraars met pruiken en de baard is afgeschoren. Neem de portretten van W i 1 h e l m u s a B r a k e l, H e l l e n b r o e k, A e g i d i u s F r a n k e n en anderen maar eens voor u! S c h o r t i n g h u i s, de bekende schrijver van „Het innige Christendom", droeg zelfs een pruik van bizonder soort, met „zeven batterijen", zooals het heette.
't Is dus wel wonderlijk gegaan. Eerst de lange baard en het scheermes is een satanische uitvinding, om het onderscheid tusschen man en vrouw weg te nemen. B o g e r m a n, de voorzitter van de Dordtsche Synode en de kampioen der Gereformeerden, had „de schoonste baard van Europa". En later wordt de baardeloosheid het teeken der rechtzinnigheid — gelijk men het nog veelszins in een dominé of candidaat veroordeelt, wanneer hij baard of (en) snor heeft!
Men haalde bij alles bijbelteksten aan. Zoo zei men, dat men z'n haar niet mocht afknippen, omdat Matth. 10: 30 zegt : „ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld". Men moest ze laten groeien en ze niet afscheren of ze verbergen onder een pruik. Omgekeerd gebruikte men als tegen-argument tegen lange haren bij den man 1 Cor. 11: 14, waar staat: dat de natuur zelve leert, dat de man kort haar dragen moet.
Doch anderen gingen weer vragen: welke natuur leert dat? De natuur van den man, die de haren op het hoofd en in baard en snor doet groeien? Bogerman dacht er anders over dan Brakel. En de Nazireërs onder Israël droegen hun haren lang; geen scheermes mochten ze over hun hoofd laten gaan.
Is een scheermes dus een zondig werktuig? Mogen predikanten baard en snor niet laten groeien, zooals de natuur aangeeft?
Voetius CS., die tegen de lange haren waren, zeiden, dat „de natuur" in 1 Cor. 11: 14 op te vatten was als een „van God in de natuur zelve gegeven ordinantie"; en zij zeiden, dat het dus een goddelijke ordinantie was kort haar te dragen. Maar C a l v ij n is het hiermee heelemaal niet eens. Want in zijn verklaring van 1 Cor. 11: 12 zegt hij: „De historiën leeren ons, dat oudtijds overal de mannen lang haar droegen. Het gebruik van barbiers is te Rome eerst laat ingevoerd". Waarom spreekt Paulus dan in 1 Cor. 11: 12 van „de natuur"? C a 1 v ij n zegt: „Omdat in Griekenland in Paulus' dagen het voor weinig mannelijk werd geacht de haren lang te laten groeien en degenen, die dit deden, voor verwijfd werden gehouden, daarom houdt de Apostel deze gewoonte voor „de natuur" en — waarschuwt er tegen".
Paulus is dus tegen de gewoonte van die dagen in Griekenland, toen de verwijfde mannen met lange haren liepen en zegt dat dit voor de christenen een oorzaak moet zijn, om niet het haar te laten groeien; hij vindt het leelijk.
Zoo schrijft hij daar ook, dat de vrouwen met gedekten hoofde, gesluierd, in de gemeente moeten komen; niet om daarmede een voor altoos geldenden regel aan de vrouw voor te schrijven, maar — zoo zegt Calvijn — omdat het afleggen van dien sluier in die dagen een teeken was van ,,een zondige emancipatiezucht", een zich „gelijk willen stellen met den man", en dat wilde Paulus niet, dat verbood de Apostel.
Calvijn zegt, men moet hier niet aan den vorm waarin het door den Apostel wordt uitgedrukt, blijven hangen, waar het om gaat is, zoo zegt hij, dat de onderscheiding door God tusschen man en vrouw gesteld, niet mag worden weggenomen. Als het dus geen gewoonte is, dat de vrouw een sluier of hoofddeksel draagt, ziet niemand daarin een zucht om met den man gelijk gesteld te worden en is het dan ook niet noodig te zeggen, dat de vrouwen gesluierd in het midden van de gemeente moeten komen. De Apostel waarschuwt alleen, dat de vrouwen niet zullen trotseeren„de natuur" of „de gewoonte van den tijd", met het doel den man gelijk te worden.
Lange of korte haren, baard of geen baard, is dus onderhevig aan de gewoonte van den tijd, wat wel altijd het geval zal blijven en waarin op zichzelf genomen niets verkeerds zit. Onze ruwe voorvaderen, de Batavieren, waren zeker niet „verwijfd" en droegen toch lange haren, zooals de Romeinsche geschiedschrijvers ons mededeelen. En Bogerman droeg een langen baard en Brakel een lange pruik.
Het zit dan ook niet zoozeer in de haren, noch bij den man, noch bij de vrouw. De vlechtingen des haars kunnen gevaarlijk n zijn — zie 1 Tim. 2: 9, terwijl de korte haren bij de vrouw een symptoom van „een zondige emancipatiezucht" kunnen wezen, maar ook een kwestie van smaak en gevoel. Zoo min de man om zijn baard of kaal geschoren gezicht geoordeeld en nog veel minder veroordeeld mag worden, zoo min mag men de vrouw naar de vlechtingen des haars of naar de korte haren oordeelen of veroordeelen. „Het edelste sieraad der vrouwen, die de godvruchtigheid belijden, bestaat nog altoos, niet in uiterlijken opschik, maar in haar goede werken". Hiermee hebben we het artikel van prof. Kuyper heel vrij, maar zakelijk, weergegeven.
Ook naar onze meening moet men voorzichtig zijn met het oordeel over dingen, die van buiten zitten en met den tijd verwisselen.
Wij weten bij ervaring, hoe men oordeelde over het afleggen van steek en kuitbroek. Met deze dingen werd — zoo oordeelden velen — „de oude waarheid" weggedaan. Met zekeren onnatuurlijken eerbied keek men nog naar den enkeling, die met steek en kuitbroek, met lage schoenen met zilveren gespen en zwarte ebbenhouten stok wandelde langs 's Heeren straten. En de hooge hoed was modern en een teeken van afval en ontrouw aan de waarheid!
Zoo is het met de toga gegaan. Baälsjas voor den een, ambtsgewaad voor den ander. Zoo is het met baard en snor gegaan. Bij velen onmogelijk om met een baard en snor een prediker der waarheid te kunnen zijn. Zoo is het met de domine's, die een fiets hadden, gegaan. Onmogelijk om een gezant van Christus te wezen! Zoo gaat het met gekleede jas en kort jas; met witte en zwarte das; niet boord of gesloten vest, met het al of niet dragen van een ring, enz, enz. Er is al wat strijd gestreden en wat Ieed geleden.
Is het ook altijd de goede strijd des geloofs?
Psalm 23.
Psalm 23 is zoo'n mooie Psalm. „De HEERE, mijn Bonds-God, is mijn Herder! Niets ontbreekt mij. Hij doet nederliggen in weiden van jong groen, Hij voert mij naar rustige wateren; Hij verkwikt mijne ziel. Hij leidt mij in rechte wegen om de wille Zijns Naams. Al moest ik ook gaan door een stikdonker dal, toch vrees ik geen onheil, wam Gij, HEERE, mijn Bonds-God, Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die troosten mij. Gij richt voor mij een disch aan, voor 't oog mijner benauwers! Gij zalft met olie mijn hoof ! mijn beker is overvloeiende! Goedheid en genade volgen mij, mijn levenlang, en ik zal wonen in des Heeren huis in lengte van dagen".
Als wij Psalm 23 met een enkel woord willen karakteriseeren, zeggen we: De HEERE is mijn Herder! We kunnen ook zeggen: De HEERE is mijn Herder en Gastheer. We kunnen ook zeggen: De HEERE is mijn Herder, Gids en Gastheer.
Eerst komt in den Psalm, een lied van David, uit, dat de HEERE is de goede Herder; dan dat Hij is de betrouwbare Gids, eindelijk dat Hij is de milde Gastheer. De goede Herder, de God Israels, verzorgt Zijn schapen zóó, dat zij de beste weiden krijgen, dat zij gedrenkt worden aan stille stroomen, rustig en goed. Hij zorgt er voor, de God des eeds en des verbonds, dat Zijn kinderen wél verzorgd worden. Daarbij leidt de HEERE als een betrouwbaar Gids Zijn kinderen in zulke wegen, dat zij voeren tot het gewenschte doel. Dat doet Hij om Zijns Naams wil, opdat Hij er door groot gemaakt zal worden en Sion het goed zal hebben voor tijd en eeuwigheid. Wel gaat het dan soms anders dan aangenaam is voor het vleesch, soms door nood en dood henen; maar de HEERE zal het in alles wèl maken! Hij zal ons leiden naar Zijn raad en daarna opnemen in heerlijkheid! Zijn vertroostende nabijheid zal Zijn kinderen sterken, ook als alle dingen tegen zijn.
Hierbij is de HEERE voor Zijn volk de milde Gastheer, Die de reizigers zalft met olie tot sterkte en vroolijkheid en de pelgrims noodigt aan den welvoorzienen disch, waar ze, ten spijt en ten aanschouwe van de vijanden van Gods volk, wèl verzadigd worden.
Dat wetende, dat de HEERE is de goede Herder, de betrouwbare Gids en de milde Gastheer, zingt de dichter het uit, dat hij voor de toekomst niet vreest. De HEERE zal zijn eeuwig deel en goed zijn en in kinderlijk Godsbetrouwen zegt hij, dat hij in lengte van dagen in des Heeren tempel zal wonen om God te loven.
Dat lied is in onzen Psalmbundel aldus vertaald:
De God des heils wil mij ten Herder wezen;
'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar te vreezen.
Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,
Aan d' oevers van zeer stille waat'ren leiden.
Hij sterkt mijn ziel, richt, om Zijn Naam, mijn treden
In 't effen spoor van Zijn gerechtigheden.
Ik vrees niet, neen; schoon ik door duist're dalen
In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen;
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden;
Uw stok en staf zal mij altoos behoeden:
Gij troost mijn ziel en richt, in mededoogen
De tafel aan, voor mijner haat'ren oogen.
Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien
En van Uw heil mijn beker overvloeien.
Het zalig goed, mij door Uw gunst gegeven
Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven
Zoodat ik in het heilig huis des HEEREN,
Een lange reeks van dagen, blijv' verkeeren.
De onberijmde Psalm in onze Statenvertaling is natuurlijk een vertaling van het oorspronkelijke, voor zoover het oorspronkelijke ons bekend is. Elke vertaling is menschenwerk en voor verbetering vatbaar, hoewel de Heere ongetwijfeld in de Staten-Vertaling aan Zijn Kerk in dezen lande een goede gave Zijner genade en liefde heeft gegeven, welke wij wel mogen waardeeren! Van die vertaling in proza is in de moderne Psalmberijming een lied gemaakt om te zingen. Ook dat is menschenwerk en voor verbetering vatbaar, gelijk ook de zangwijze bij die Psalmberijming gegeven, menschenwerk is en voor verbetering vatbaar is en blijft. Telkens zal wel weer een andere vertaling en een andere berijming noodig zijn.
Vergelijk wat wij n u hebben maar eens met de psalmberijming van Petrus Datheen. Wat toen goed was, kunnen we nu niet meer gebruiken.
In het Psalmboek van D a t h e e n luidde Psalm 23 aldus:
Mijn Godt voedt mij, als mijn Herder gepresen,
Dies sal ick geenes dinghs behoeflick wesen.
In 't groene gras seer lieflick hij mij weydet:
En aan dat soet water hij mij geleydet.
Hij verquickt mijn ziel, die seer is verslegen:
Om syns Naems wil leydt hij mij in sijn wegen.
Al ware 't schoon dat ick in 't dal des doodts ginge
En dat my des doodts schaduwe omvinge
Ik vreese niet, gij zijt bij mij gestadigh;
en Gij troost mij met uwen staf genadigh.
Gij maeckt ryck met goeden seer velerhanden
Mijn tafel voor d' oogen mijner vijanden.
Gij zalft mijn hooft met rieckend' oly goedigh,
Gij schenckt mij den beker vol overvloedigh,
Gij zult doen dat uwe gunst, o Heer krachtigh,
Mijn leven langh bij mij steedts blijft eendrachtigh:
Zodat ick hoop eeuwighlick vast te woonen
In Godts Huys, 't welck niet is om verschoonen.
Leggen we de berijming van Petrus Datheen — vroeger zoo zeer geliefd — naast uit onzen Psalmbundel, dan zal wel niemand kiezen voor de eerste — vroeger wel — maar ieder zal dankbaar de tegenwoordige berijming aanvaarden. Wij hebben dan ook geen behoefte aan een andere en betere vertaling.
Noch lied no 264 uit het Duitsche Gesangbuch van de Ev. Brüderverein: God ist mein Hirt, nie werd' ich Mangel haben enz., noch Gezang 198: De, Heer is Mijn Herder! 'k Heb al wat mij lust, enz. begeeren we op 't oogenblik in de plaats van onzen rijmpsalm 23: „De God des heils wil mij ten Herder wezen:
'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar te vreezen".
Maar we zouden o! zoo graag bij onzen tegenwoordigen rijmpsalm een andere en betere z a n g w ij z e hebben! Nu past de zangwijze van Gezang 198 absoluut niet bij de woorden van onzen psalm 23. 't Heeft dus geen zin om met Prof. Obbink, te zeggen: zingen jullie maar gerust Gezang 198! Dat probleem moet men trouwens op een andere manier behandelen, wil men er wat van maken voor de toekomst! En in dat verband vermelden we hier wat dr. Callenbach van Rotterdam onlangs in de Rotterd. Kerkbode schreef. Die zou, om alle kwesties van copyrecht op de gezangen en ook om de gezangenbundel met ongeveer 300 gezangen te vereenigen en het gezangen-vraagstuk te vergemakkelijken, een nieuw Kerkboek willen doen samenstellen met de 150 psalmen, gewijzigd overgenomen, om niet onnoodig stof op te jagen en dan een bundel uitgezochte Nieuw-Testamentische liederen van b.v. 100 nummers. Dan was ook de kwestie van oude en nieuwe gezangen weg. Iets dergelijks zou overwogen kunnen worden.
Maar dat nu even terzijde gelaten.
Waar wij het over hadden was d i t: is er bij den 23sten Psalm, zooals wij die hebben, niet een betere zangwijze te vinden? Want de tegenwoordige is eenvoudig onbruikbaar.
En dan wees men ons op de zangwijze van Lied 264 uit het bovengenoemd Duitsche Gesangbuch, wat heel precies met onze berijming klopt. Dan konden we Psalm 23 weer zingen; wat we nu, helaas! niet behoeven te proberen. Komt er dus nog eens een nieuw Kerkboek, dan adviseeren wij voor Psalm 23 de zangwijze uit den Duitschen liederenbundel No 264 te nemen. 't Zou een kleine moeite zijn, maar 't moest algemeen worden goedgevonden en aangenomen. Dan zou men spoedig niet beter weten of het hoort zoo.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's