De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Het gebed

8 minuten leestijd

"Want zie, hij bidt". Handelingen 9: 11c

De oude Grieken noemden den mensch anthrôpos of in onze taal den naar boven ziende. 'n Veelzeggende benaming en tevens rijke gedachte! Een der edelste verrichtingen van den mensch, hem in onderscheiding van alle andere schepselen uitsluitend eigen, is toch voorzeker die, wanneer hij, het aardsche vergetende, zijne ziel tot den Ongeschapene, tot God verheft, en in het vertrouwend gebed al zijne nooden en behoeften aan Hem opdraagt. Geene handeling van den sterveling brengt hem in nadere betrekking tot het hoogste Wezen, geene is meer met zijne onsterfelijke, eeuwige ziel verwant; geene eindelijk geeft ons een duidelijker inzicht in zijne betrekking tot het Opperwezen, dan de wijze, den inhoud van dat gebed. Het gebed is de ademtocht der ziel, zonder welke zij niet leven kan. 'n Biddend leven is dan nog steeds het juiste kenmerk van bijzondere genade. Dit leven nu schuilt in Hem, die zich de ware Wijnstok noemt, den Christus. Vanuit dien Wijnstok vloeit het in zijne ranken. Dies — het kan niet anders! — worden zij vruchtdragend onder het opzicht van den Vader, den hemelschen hovenier. Ja, Hij reinigt ze. Waartoe? opdat zij meer vrucht dragen. Gereinigd door het woord, dat Christus tot hen heeft gesproken.
Wij willen dit nog nader beschouwen naar aanleiding van Handel. 9 vers 11c: »Want zie, hij bidt«.
De man, van wien de Heilige Schrift hier spreekt is, gij weet 't, Saulus van Tarsen. Tot hoofdstuk 13:9 noemt Lukas hem Saulus en voortaan Paulus. De eerste naam is 'n Hebreeuwsche; de tweede 'n Romeinsche. Van waar deze naamsverandering? Sommigen meenen vanaf zijne bekeering op den weg naar Damascus. Toch is deze meening niet geheel en al juist, daar Lukas hem ook na zijne bekeering Saulus noemt. Anderen brengen zijne naamsverandering in verband met de bekeering van den Stadhouder Sergius Paulus (Hand. 13), onder zijnen dienst toegebracht, alsof de apostel den naam van Paulus sinds dien tijd, tot herinnering aan 's Heeren groote genade in dezen betoond, zou hebben aangenomen. Nog anderen oordeelen, dat hij beide namen, naar de gewoonte der Joden van die dagen, gedragen heeft, van hen, die onder het Romeinsche gebied verstrooid waren, een Joodschen en Romeinschen naam en dat hij, na de bekeering van Sergius Paulus, met den Romeinschen naam Paulus is genaamd geworden, omdat hij sedert dien tijd den onnaspeurlijken rijkdom van Christus door het Evangelie onder de H e i d e n e n  op eene nadrukkelijke wijze verkondigd heeft. En eindelijk nog anderen, door onderscheidene uitleggers der Heilige Schrift uitgesproken, willen, dat hij later Paulus, dat is: „de Kleine" is geheeten, om daardoor aan te toonen, dat in hem Psalm 68 vers 28 is vervuld geworden. Maar genoeg. Van dezen krachtdadig bekeerden man teekent ons de Waarheid aan: „Want zie, hij bidt".
Zoo vond hem Ananias, de van God tot hem gezonden discipel: 'n vloeker, 'n bidder, o wonder Gods! Hij, die gedurende drie dagen niet zag, voordien wanend niet blind te zijn, werd blind. Hij, die met de verfijnde goddeloozen zijner dagen in zijn woorden en daden, voordien het lied uit Noach's dagen: „Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij" als uit den treure zong, at niet en dronk niet, werd vastende. Want zie, hij bidt, het oog des geloofs schreit, ja weent naar omhoog.
Of lag daar voor Paulus ook niet de belofte uit Jeremia's dagen: „Zij zullen komen met geween, en met smeekingen zal Ik hen voeren aan waterbeken in een rechten weg — ook hier in de straat, genaamd de Rechte! — waarin zij zich niet zullen stooten; want Ik ben Israël tot een vader en Ephraïm is mijn eerstgeborene". En heeft niet Hij, die ons in alles gelijk werd, uitgenomen de zonde, de medelijdende Hoogepriester, de Wijnstok, 'n biddend leven geleid, inzonderheid in dien gewichtigen nacht, waarin Zijn lijden aanving voor Zich en de Zijnen; in dien nacht gebeden met sterke roepingen en tranen, toen Hij in het bitterste zielelijden als een worm in 't stof kroop, totdat Hij den geest gaf? In dezen nu zijn de ranken lotgemeen met den Wijnstok, de leden met het lichaam. Paulus, de kleine, hij kruipt als 'n worm in het stof, ook bij hem sterke roepingen en tranen, doch dit alles uit Hem die hem zocht en kocht. De Geest des Vaders èn des Zoons zou het uit het Zijne (uit dat van Christus) nemen en het hem verkondigen. In dien weg nu, Geliefden, tranen van droefheid ..... ..... èn van blijdschap! Droefheid als de ware bidder opkomt uit het ware fundament des gebeds, zijn ellende, als hij den Sinaï, den rookenden en bliksemenden berg, aanraakt en sterft, blijdschap, als hij Christus slechts in den zoom Zijns kleeds mag aanraken om te worden genezen. Gaan de oogen van den waren bidder open in God, hoe ziet hij zich van God gescheiden, hoe wordt hem dit een oorzaak van groote droefheid, een droefheid, gelijk Paulus zelf ervoer, naar God, die eene onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid. Deze droefheid wordt dan zoo groot, dat, al belooft iemand hem de geheele wereld met al wat er in is, zoo kan dit in stee van zijn droefheid te verminderen, slechts vergrooten en verzwaren. Het spreekt hem slechts van schade voor zijne ziel. Zulk 'n weenende bidder mag terecht vergeleken worden bij een zoon, wiens vader verre van hem is en die nochtans Hem zoo noodig heeft, dat hij geen uurtje buiten Hem kan. In dien weg schreit hij nacht en dag den Heere achterna en zucht onuitsprekelijk in den Geest: „Och, mocht ik God weer tot mijn deel hebben". En toch, „uwe droefheid zal in blijdschap veranderd worden".
Onze vaderen smeekten steeds om „licht en gezicht", of met den dichter: „Zend, Heer', Uw licht en Waarheid neder!" Het eerste is 't werk des Geestes op het Woord; het tweede is het Woord zelf. Gods Woord is toch zoo'n sierlijk schrift. Geen schooner is er. Blijft de Geest uit, de sierlijkheid en schoonheid der Waarheid ligt in nachtelijk duister. Hoe doodend is dan de letter. Komt de Geest, het licht evenwel op en in de letter, wat is zij schoon, hoe leeft dan de Waarheid. Hoe helder brandt dan de kandelaar in vaak akelig duister! Ja, roept de schreiende bidder in verwondering uit, vat krijgend aan wat God belooft, zelfs aan wat Hij bedreigt: bij deze dingen leeft mijne ziel. Hij is in onderhandeling met God. Deze onderhandeling heeft dan ook slechts maar één doel: met God samen te gaan of voortaan met, in en voor Hem te leven, staande niet alleen naar dit of dat gebod, neen, maar naar alle de geboden Gods. Zoo worden Gods geboden bij Gods kinderen hunne gebeden, de spijs en drank in hun vasten en bidden. Droevig en nochtans blijde in den weg des gebeds!
Jezus stond zelf eens weenende bij Lazarus' graf. Hoe boog zich hier de levende Wijnstok over zijn doode rank. Weenend, biddend — dankend. Zijn woord gaat uit: „Lazarus, kom uit!" Het is als 'n hamer en 'n vuur, als de bliksem en de donder, die de donkere wolk van droefheid vaneen rijt. En Lazarus kwam uit, het lichaam uit de aarde, zijn ziel uit den hemel. Hoe? Jezus tegemoet, Jezus te voet. En zou 't ook in dezen weg, waar het gebed, volgens onzen Catechismus, het voornaamste stuk der dankbaarheid is, niet biddende zijn geweest? Zou de schare ook hier niet, ziende op den opgewekten, hebben uitgeroepen: „Want zie, hij bidt!" O, zeker, in den weg der levendmaking wordt het bidden aanbidden of 'n wegzinken in den Oceaan zonder bodem of oever, den Oceaan van 's Vaders liefde, den Christus!
Hier ligt dan de wolf uit Benjamin , als 'n lam aan 's Heeren voeten; de farizeër gaat onder in den tollenaar en deze, het hoofd leggend in den schoot, ziet nochtans in het geloof op naar boven, tot zijnen God. Deze wordt gerechtvaardigd en gaat alzoo heen naar zijn huis, meer dan die. De verloren zoon, in droefheid gekomen, wordt deelgenoot van zijns Vaders barmhartigheid, zoo luisterrijk getoond in de bruiloft des lams. Men behoort dan vroolijk te zijn, want deze uw broeder was dood en ziet, hij leeft, hij was verloren en ziet hij is gevonden. Dood in zonden en misdaden, levend in het verzoenend werk van Immanuël, verloren in zijn bondshoofd Adam, in zichzelf, gevonden in den opzoekenden Borg door Zijn levendmakenden Geest. Want ziet hij bidt. 'n Gebroken geest en 'n verslagen hart, de rechte offeranden Gods, zijn Gode dierbaar. En, wie zulke offeranden met zich brengt, als hij met zijne gebeden voor Gods genadetroon in Christus verschijnt, die zal — geen nood! — Gode aangenaam zijn!
Ach, betwijfelen we dan de genade des Heeren toch maar niet. Hij leere ons uit den biddenden Paulus en hetgeen hem wedervoer, dat de verhoogde Heiland ons hart kent. Ofschoon geen menschenoog ons ziet, wanneer wij in het eenzame vaak nederliggen. Zijn oog rust op ons. Niets ontmoedige ons in dezen weg, ook niet wanneer Jezus de Heere niet dadelijk onze bede verhoort. Zulks geschiedt menigmaal van Zijnentwege, opdat wij in ons bidden behoeftiger, armer, maar ook vuriger zouden worden. Zoeken wij den grond onzer vrijmoedigheid of voor de verhooring des gebeds of voor de echtheid onzer verzuchtingen niet in ons zelven, ook niet in eenige gemoedsbeweging of gestalte, maar alleen in de gerechtigheid des Zoons Gods. Dan wordt het ook bij ons eens waar, wat de dichter betuigen mocht:
„God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds. Geloofd zij God, die mijn gebed niet heeft afgewend, noch zijne goedertierenheid van mij!" —
B l e i s w ij k.                                                                                                                                                                      Ds. A. DEKKER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's