De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFTVERKLARING

6 minuten leestijd

Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.1 Timotheüs 6 vers 12.

1 Timotheüs.
84
Openbare b e l ij d e n i s  en  i n n e r l ij k e  s t r ij d. Wij hebben dus gezien dat het eene zinledige plechtigheid is, als men de „nieuwe lidmaten" aanneemt en bevestigt alleen op een uiterlijke verstandelijke kennis der Waarheid. Een kerkeraad mist het recht om zulken tot de openbare belijdenis en tot het Heilig Avondmaal toe te laten. En als men dan daartegen wil aanvoeren dat men de „nieuwe lidmaten" aanneemt slechts als leden van de „uitwendige kerk", dan heeft men zich geen rekenschap gegeven van hetgeen onder dit laatste verstaan wordt. De uitwendige zijde van de Kerk van Jezus Christus is van te groote beteekenis dan dat wij lichtvaardig daarmede zouden omgaan.
Het zich kalm en eerlijk indenken van het ,,leerstuk van de Kerk" verbiedt elken leeraar en elken kerkeraad z.g. „doode leden" aan te nemen en te bevestigen.
Maar hoe dan? Het is meestal gemakkelijker te zeggen wat het niét mag zijn, dan wat het wél moet wezen. En ik geloof dat er bijna geen zaak is die zooveel „hoofdbrekens" geeft in de bediening van het amtot dan die van de aanneming. De oorzaak hiervan zal wel zijn dat de praktijk zooveel teleurstelling laat zien in hetgeen men zich zuiver naar de Heilige Schrift heeft voorgesteld. Toch mag dit geen belemmering geven om steeds aan de Schriftuurlijke, echt Gereformeerde voorstelling vast te houden. 't Gaat den verkeerden kant uit als men zich schikt naar de vaak droevige, door-en-door-ziekelijke kerkelijke toestanden. Indien men dit doet, raakt men het stuur kwijt, laat men het roer los en het scheepje van de Kerk wordt dan door allerlei stroomingen her-en derwaarts gevoerd, zonder dat men weet waar het eens belanden zal.
In ieder geval moet de opengeslagen Bijbel het compas zijn van een ieder die aan het stuurrad staat met dit vaste heilige voornemen: ik houd koers.
Maar nu ter zake. Naar de Schriftuurlijke opvatting is de aanneming en bevesti­ging der nieuwe leden steeds geweest: een toegang vragen tot het Heilig Avondmaal, van de zijde der nieuwe leden, en den toegang ontsluiten tot den disch, van de zijde van den Kerkeraad.
Zóó alleen heeft deze zaak haar ernstige, rijke en zinvolle beteekenis. Natuurlijk moet er dan bij de nieuwe lidmaten iets meer zijn dan een uit het hoofd geleerde les en eenige uiterlijke kennis der Waarheid. Toegang vragen tot het Heilig Avondmaal kan er niet zijn, zonder dat men zich vanwege zijn zonde mishaagt en zich voor God verootmoedigt en zijn leven buiten zich zelf in Jezus Christus, den eenigen Zaligmaker zoekt. Wie nu van de veronderstelling uitgaat dat deze „vragende zielsgesteldheid" er bij jonge menschen van 20 tot 30 jaar niet kan zijn, staat gewis hopeloos verlegen en kan hen dan ook niet aannemen. Maar dit is toch wel het minste dat voor den toegang tot het Heilig Avondmaal gevraagd moet worden. In sommige streken van ons Vaderland leeft deze beschouwing ook in het midden der gemeente, b.v. in Friesland, zoodat men daar geen openbare belijdenis aflegt als men niet voor zich zelf „klaar" gekomen is in het stuk van het Heilig Avondmaal. En inderdaad, al wacht men soms wel zeer lang eer men tot „dien stap" overgaat, terwijl helaas velen daartoe nimmer komen, zulk een gemeente heeft een veel meer Schriftuurlijke ligging dan zoo velen in ons land, die zich beroemen op hun zuiverheid in de leer, maar wier zoo goed als ledige avondmaalstafel een droevig bewijs is van hare doodigheid. Er hangt zooveel van af hoe een gemeente van jaar tot jaar, tientallen jaren achter elkaar, wordt opgevoed en onderwezen in de rijke Waarheid van het Evangelie. Als de weg der bekeering wordt gepredikt en niét het Evangelie der genade, maar wel de bekeeringsweg naar een bepaalde methode, zóó, dat de „verootmoediging des harten" eerst mogelijk is na een zeer langdurigen weg van ontdekking, als bovendien „het zoeken van het leven buiten zich zelf in den Heere Jezus Christus, den eenigen Zaligmaker", jaar in jaar uit wordt voorgesteld als eene zaak die het deel wordt van Gods kind aan het eind, van de lange baan, vaak eerst op zijn sterfbed, ja dan hebben zulke leeraren wel den naam dat zij den weg ten hemel niet gemakkelijk maken, maar dan is dit geen Gereformeerde prediking; dan wordt de gemeente niet in de Waarheid onderwezen en opgebouwd, maar dan wordt er een methodisme gekweekt dat tot groote schade is voor menige ziel en voor het gezonde kerkelijke leven. Dan is het geen wonder dat, als zulke voorwaarden den volke worden voorgehouden, de tafel des Heeren ledig is, zelfs de ouderlingen niet durven toetreden en menige eenvoudige ziel daarvan wreed wordt weggeslagen. Dan is het geen wonder dat jonge menschen er niet aan denken om ,,toegang te vragen tot het Heilig Avondmaal". Zij zijn er op de catechisatie ook niet op voorbereid en in die zaak onderwezen. Zij worden er stelselmatig „buiten gezet". En willen zij toch op hun tijd van de catechisatie af, dan moeten zij, zooals het toch behoort, lidmaat worden, maar dit geschiedt geheel los van het Heilig Avondmaal. — Nu vind ik bij zulk een „zware methodistische" prediking in de kerkelijke praktijken een groote inconsequentie, n.l. bij het sacrament van den Heiligen Doop. Hierbij verloochent men , als met een slag heel z'n methodisme en voor allen wordt de poort van den Doop wijd open gezet. Daarin worden de ouders als geloovigen beschouwd en worden de kinderen (dezelfde die later openbare belijdenis afleggen) erfgenamen van het rijk Gods genoemd en van Zijn verbond. Men laat ook alle ouders belijden dat die kinderen als „lidmaten der gemeente" gedoopt worden. Deze zaak is in zulke methodistisch opgevoede Gereformeerde gemeenten nog een zeer gelukkige inconsequentie, die nog altijd de menschen tot nadenken noopt, ook al worden zij in dit laatste vanaf den kansel en op de catechisatie niet voorgegaan. Dit is in ieder geval vast en zeker: zoodra in een gemeente de ouderen en de jongeren hunnen doop gaan begrijpen, en de verbondsgedachte niet eenzijdig, maar naar de Heilige Schrift verstaan wordt, gaat daarvoor de eenzijdige methodistische prediking wijken en komt er een rijke Evangelieprediking, waaraan ook de jongere menschen iets hebben. Bij zulk een prediking worden deze laatsten er niet stelselmatig buiten gezet! Naar het oude, mooie doopsformulier worden zij dan onderwezen in een reeds bestaande betrekking tusschen hen en den God des Verbonds. Daardoor rijst hun ook een licht op over het afleggen van de openbare belijdenis des geloofs. Een volgenden keer hierover meer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's