FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
14)
„'t Zal moeilijk zijn, Jans, maar het kon niet anders. Zij moet toch haar broer helpen, en Hein .........." Anna zweeg en een droeve trek kwam op haar gelaat; zij werd onrustig, de wonde in haar hart ging weer open, maar Jans wist daar niet van, anders had zij niet gezegd:
„Hein is niet gelukkig in zijn huwelijk, hé ?En Oom zegt dat hij afgeweken is, dat hij zijn geloof heeft verloren en nergens meer van weten wil".
„Dan moeten wij wel voor hem bidden, Jans".
„Voor Hein bidden?" Daar had zij niet aan gedacht, maar An had gelijk. Die An toch! Hoe goed is zij! Die zou het wel doen. En zij?
„O An, wat ben je toch goed !"
„Och Jans, spreek toch zoo niet. Ik ben zondig en schuldig, meer dan gij denkt. Maar ik weet waar ik mijn toevlucht moet zoeken, maar Hein?" En zij sprak dien naam zoo uit, dat Jans haar verwonderd aanzag, maar vóór zij kon denken wat dat beteekende, kwam er afleiding. Er sloeg iets tegen het venster, zoodat beiden opzagen en Jans verschrikt vroeg: „Wat is dat?"
Het was een duif, die tegen het gesloten raam vloog.
„Vader is zeker uit", zei An, „hij heeft de duiven vergeten. Zij krijgen altijd wat voor zij in haar til gaan. Die komt mij roepen. Ik ben anders ook op het plat en dan komen zij wel bij mij om wat rijst of zoo. Wil je Mina even roepen? Die zal ze wel wat geven".
Inplaats van Mina, kwam moeder, met een glas melk.
„Ge moet ook weer innemen, kind. Hoe gaat het nu; wat beter?" ,,Nog al 't zelfde, moe. Maar de duiven moeten wat hebben".
„Dat kan nog wel. An. Vader zal zoo wel thuis komen en anders zal ik 't wel doen; 't is nog niet zoo laat". Neen, zij had het niet te druk gemaakt met Jans, maar zou nu wat gaan rusten.
Jans ging heen; „dag An, beterschap!" „Dank je wel, kom gauw eens weer?" „'k Zal het doen, hoor, dag!"
Weder was Anna alleen. Hare gedachten gingen naar Den Haag en in haar binnenste wilde het maar niet rustig worden, totdat zij omhoog zag en voor Hein en zijn zieke vrouw en kinderen bad.
De duiven kregen haar voedsel Daar moest ook voor gezorgd worden. Hoeveel genot had Anna met hen, als zij 's zomers buiten lag in haar ruststoel onder den lindeboom, en de duiven dikwerf dicht bij haar kwamen, tot op haar stoel om uit haar hand een of ander te pikken. Of als haar stoel op het platte dak van de bijkeuken werd gezet, wanneer zij te moe was om de trap af te gaan, hoe wisten de duiven haar daar te vinden!
't Was een goed plekje voor de zieke. De lindeboom beschermde haar voor Noord- en Oostenwind en breidde ook een tak over den hoek van het dak, waarvan de duiven gaarne gebruik maakten om naar de zieke te trippelen, alsof zij haar stil wilden naderen en door vleugelgeklep niet verschrikken.
*
Jans kwam thuis. Dominé Stevens zat bij oom en tante te praten. Ze hadden het over Anna van den smid. De predikant prees haar. Zij was vader en moeder vooruit; zij voedde de kinderen op, ten minste wat het innerlijke, het beste betrof; zij was de Maria in huis, die het goede deel gekozen had. Zij had veel lief en werd bemind. Maar zij zou er niet lang meer zijn, dacht hij, ofschoon bij den Heere was alles mogelijk, Hij kon haar genezen.
„Hoe was het nu met haar, Jans?" „Zij is erg ziek, Dominé, en weet dat ook wel. Zij sprak van sterven, en kon niets meer zeggen ........ " Jans kon niets meer zeggen.
„Zij heeft zich aan den Heere overgegeven, Jans. Dat moeten wij allen doen, altijd weer. In onze gezonde dagen. Dan zullen wij ook ondervinden dat de Heere het altijd wèl maakt, wat er ook geschiedt".
Het was Zondagmiddag en zeer stil in de smederij. Moeder, Mina, Kobus en de knechten waren naar de kerk, Zeelman was bij Anna thuis gebleven. Dat deed hij gaarne, want hij hield zeer veel van haar, alsof ze zijn eigen dochter ware. Zooveel verdriet als hij van Willem had gehad, zooveel plezier had hij van haar. In hare gezonde dagen was zij het zangvogeltje in huis geweest, moeders hulp in de huishouding en een leermeesteres voor de kinderen, die hen hielp met hun lessen, met hen speelde, zong en ook menigmaal tot hen sprak van Gods Woord en dienst, zooals vader en moeder het niet konden, althans niet deden.
Nu zong zij niet meer, lag al lang ziek en kon ook zoo goed als niets meer doen van alles wat zij vroeger deed.
Maar spreken kon zij nog wel en dat deed zij gaarne; ook met vader, van wie ook zij veel hield. En de smis hoorde gaarne naar haar, vooral in den laatste tijd, want het scheen wel of haar geest sterker werd naarmate haar lichaam afzwakte. Zij kon onverwachts iets zeggen waaraan hij nimmer had gedacht, dat hem tot nadenken bracht, ineens een andere kant deed uitzien of ook als een lichtstraal viel op het donker.
Evengoed als moeder, had zij gemerkt dat vader anders was geworden, veel stiller dan vroeger, dat er iets was wat hem hinderde en zijn leven versomberde. Zij meende dat het, evenals bij haar moeder, zorg en vreeze voor haar was, dat zij niet weer beter werd, maar wel zou sterven. Moeder durfde daar niet over te spreken en zij ook niet met haar, maar waarom sprak vader er niet met haar over?
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's