GEESTELIJKE OPBOUW
Het duizendjarig Rijk. (15)
Voor Stanley concentreert zich het duizendjarige vrederijk in Jeruzalem, in het land der Joden, waar Christus, omringd van de christelijke gemeente, op aarde heerschen zal over Israël. Jes. 62 spreekt voor hem daar zóó duidelijk van, dat geen twijfel over blijft!
,,Tot aan het einde van dit hoofdstuk" 7, zegt hij op blz. 11 van zijn boekje, „vinden wij nog verschillende bijzonderheden, die gedurende de duizendjarige heerschappij van Christus zullen vervuld worden. De dagen des menschen, zoo lezen wij, zullen zijn als de dagen eens booms. Nochtans zullen dood en zonde blijven bestaan. Wie honderd jaar oud zijnde, sterft, zal een jongeling genoemd worden, maar een zondaar, hoewel honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden! Thans zien wij den goddelooze vaak in voorspoed, aanzien en eer leven; maar dan zal de Zoon hem aanstonds oordeelen; want gedurende de zalige heerschappij der gerechtigheid zal elke zonde terstond worden gestraft."
Wie gedurende het duizendjarige rijk de aarde zullen bewonen?
„Ten tijde van den zondvloed", zegt Stanley blz. 12, „werd een zeer klein overblijfsel te midden des oordeels gespaard en toch waren het die acht zielen, die weldra de aarde weder bevolkten. Zoo zal ook een overblijfsel van Israël aan de oordeelen ontkomen en zij zullen de blijde boodschap des Evangelies brengen aan de Heidenen, die het nog niet hadden gehoord (en het dus ook niet verworpen hebben) en die dus niet gelijk de andere volkeren zijn geoordeeld, omdat deze den wil Gods kennende, dien niet hebben gedaan. D e e e r s t e v r u c h t van dit getuigenis zal zijn de wederkeering van al de kinderen Israels naar hun land: „En zij zullen al uwe broeders uit alle Heidenen den Heere ten spijsoffer brengen, op paarden en op wagens en op rosbaren en op muildieren en op snelle loopers, naar Mijnen heiligen berg toe, naar Jeruzalem, zegt de Heere, gelijk als de kinderen Israels het spijsoffer in een rein vat brengen ten huize des Heeren!" (Jes. 66 vs. 20).
„Hoe is 't mogelijk", zegt Stanley, „dat velen dit op de gemeente van Christus toepassen! Worden zondaars op muilen en op paarden tot de gemeente toegebracht? Is hier niet duidelijk sprake van de k i n d e r e n I s r a e l s, als zij tot hun gezegend land wedergebracht zullen worden in den aanvang van het d u i z e n d j a r i g e r ij k?"
Ook Jeremia spreekt op dezelfde wijze van het duizendjarige rijk en de Joden — zegt Stanley blz. 12. „In Jeremia 23: 5 en 6 lezen we: „Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal, Koning zijnde, regeeren en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn Naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE onze Gerechtigheid."
Dat wordt door Stanley zóó maar op het duizendjarige rijk op aarde toegepast. „Want" — zoo zegt hij — „van Wien anders kan dit gezegd worden dan van Christus, die eenmaal als Koning over Israël heerschen zal? Het dunkt ons boven, alle bedenking, dat deze woorden op Israël in e i g e n l ij k e n zin betrekking hebben; want de volgende verzen vermelden, hoe het verstrooide volk uit alle landen zal vergaderd worden, om in hun eigen land te gaan wonen." (blz. 13).
Palestina zal dan buitengewoon vruchtbaar zijn, zooals Ezechiël 35 duidelijk zegt. " Indien de profetieën omtrent de v e r w o e s t i n g des lands zoo woordelijk zijn vervuld, mogen wij dan niet verwachten, dat de beloften van zegen en welvaart even zeker zullen vervuld worden? „Dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van Eden; en de eenzame en de verwoeste en verstoorde steden zijn vast en bewoond. Ik, de Heere, heb het gesproken en zal het doen." (Ezech. 36: 35). „Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid! En Mijn tabernakel zal bij hen zijn en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn." (Ezech. 37 : 26, 27),
De oordeelen Gods zullen komen over de volkeren in het Westen en over die van het Noorden — zegt Stanley —-en we zien de macht van Rusland groeien (Mesech = Moskou), welk rijk zich zal blijven uitbreiden, totdat Perzië, Ethiopië en Lybië enz. aan zijn gebied zijn onderworpen. En wanneer dan de kinderen Israels weder als een volk zijn bijeengebracht, dan zal deze ontelbare menigte optrekken tegen Israël. Maar Ez. 39 beschrijft de verdelging van deze vijandige legers! Dan zal de Heere Zich aan Zijn oude volk openbaren: „En die van het huis Israels zullen weten, dat Ik, de Heere, hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan." (vers 22).
De tempel zal dan herbouwd worden, wat — volgens Stanley — in de laatste hoofdstukken van de profetieën van Ezechiël tot in bizonderheden beschreven is. Christus zal dan een roemrijken intocht in den tempel doen! „En zie, de heerlijkheid des Gods van Israël kwam van den weg naar het Oosten; en Zijne stem was als het geruisch van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijne heerlijkheid. En de heerlijkheid des Heeren kwam in het huis door den weg der poort, die den weg naar het Oosten zag. En de Geest nam mij op en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet de heerlijkheid des Heeren had het huis vervuld". (Ezech. 43 vers 2, 4, 5).
„Aldus" — zegt Stanley blz. 14 — „wijst ons Ezechiël op de duizendjarige heerschappij en de heerlijkheid van Christus' rijk op aarde en in Zijn tempel te Jeruzalem".
Ook Daniël — zegt Stanley — spreekt van het duizendjarige rijk. Hij spreekt van de vier rijiken, waarvan het vierde het Romeinsche rijk is, dat echter in den vorm, waarvan Daniël spreekt, nog nooit bestaan heeft, n.l. in den vorm van t i e n t e e n e n, welke beteekenen t i e n K o n i n g e n o f K o n i n k r ij k e n. Dat zal dus nog moeten komen in dien vorm; en het zal zich dan onderscheiden door goddeloosheid en godslastering. (Openb. 17 vers 8, 11). Het zal een rijk zijn met een wettig Koningschap (ijzer) vermengd met de souvereiniteit des volks (modderig leem), en daardoor krachteloos en onhoudbaar. Tien nationaliteiten of rijken zullen vereenigd worden onder één Keizerlijk hoofd en dan zal de gemeente des Heeren worden opgenomen haren Heere tegemoet en dan zal het duizendjarig rijk op aarde komen. „In de dagen van de Koningen (of Koninkrijken) zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk worden overgelaten, het zal al die Koninkrijken vermalen en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan". (Dan. 2 vers 44).
Christus zal de vijandige machten slaan en verdelgen straks als Hij komt om Zijn rijk te vestigen. Tien Koninkrijken — tien horens — zullen komen (Dan. 7). maar Christus zal ze verdelgen. (Openb. 13 en 17), Die tien Koninkrijken zullen zich kenmerken door wreedheid, onderdrukking en verwoesting, maar als het zal schijnen dat zij heerschappij voeren over alles, zal de Zoon des menschen komen met de wolken des hemels. In Dan. 7 vers 14 lezen we: „En Hem werd gegeven heerschappij en eer en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eeren zouden. Zijne heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden". (Zie ook vers 22). „En dan zal het rijk en de heerschappij en de grootheid der Koninkrijken onder den ganschen hemel gegeven worden den volke der heiligen der hooge plaatsen, welks rijk een eenig rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eeren en gehoorzamen" (vers 27).
De volgorde zal dus zijn: De wederoprichting van het Romeinsche Rijk in tien Koninkrijken vereenigd, en de goddeloosheid, waardoor het zich zal kenmerken; dan zal Christus komen om dat rijk te oordeelen en te verdelgen; en daarna de oprichting van het duizendjarige rijk.
Ook de profeet J o ë l beschrijft het optrekken van de heidensche legerbenden; daarna het oordeel over hen; en eindelijk de heerschappij van Christus te Jeruzalem (Joël 3 vers 9, 21). „En gijlieden zult weten, dat Ik, de Heere, uw God ben, wonende op Sion, den berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan. En het zal te dien dage geschieden, dat de bergen van zoeten wijns zullen druipen en de heuvelen van melk vlieten, en alle stroomen van Juda vol van water gaan" (vers 17 en 18).
Bij A m o s staat: „Te dien dage zal Ik de vervallene hut van David weder oprichten en Ik zal hare reten vertuinen en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds" (Amos 9 vers 11). Daarna wordt de bijzondere vruchtbaarheid en welvaart beschreven, die gedurende duizend jaren het land zal verblijden.
O b a d j a zegt; „Op den berg Sions zal ontkoming zijn en hij zal een heiligheid zijn", (vers 17).
M i c h a herhaalt, wat reeds Jesaja had aangekondigd en beschrijft, in de eerste 8 verzen van het 4de hoofdstuk, met treffende woorden de duizendjarige heerschappij van C h r i s t u s o p a a r d e. „De Heere zal Koning over hen zijn op den berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid". (Micha 4 vers 7).
En dit zegt hij niet — zoo verklaart Stanley — van de gemeente der geloovigen, want in het 8ste vers lezen we: „Gij, Ofel der dochter Sions! tot u zal komen, ja daar zal komen de vorige heerschappij, het Koninkrijk der dochteren van Jeruzalem".
Ook Z e f a n j a spreekt van de schrikkelijke oordeelen, die de duizendjarige heerschappij, welke hij in al haar heerlijkheid breedvoerig beschrijft — zegt Stanley — zullen voorafgaan. De dag der wraak wordt beschreven (hoofdstuk 1 en 2). Dan wordt (hoofdstuk 3) gesproken van het overblijfsel van het huis Juda (3 vers 8, 9) en daarna — zegt S t a n 1 ey — volgt een aanwijzing van Gods teedere zorg voor het ellendige en arme volk, het overblijfsel van Israël, dat op den naam des Heeren betrouwt en door Hem wordt bewaard en beveiligd, totdat het in de ure der verlossing heeten zal: „Zing vroolijk, gij dochter Sions! juich, Israël! wees blijde en spring op van vreugde van ganscher harte, gij dochter Jeruzalems". En dan volgen nog de woorden die den luister en de zaligheid van de duizendjarige heerschappij beschrijven (volgens S t a n 1 ey): „De Heere, uw God, is in het midden van u, een Held, die verlossen zal; Hij zal over u vroolijk zijn met blijdschap; Hij zal zwijgen in Zijne liefde. Hij zal Zich over u verheugen met gejuich". (Zef. 3 vers 17).
Ook worden dan nog genoemd Z a c h a r i a 12 vers 10 en 13 vers 6; en bizonderlijk hoofdstuk 14. Daar wordt gezegd, dat de Heere komt en dat Zijne voeten staan op den Olijfberg enz. Alle volken moeten te Jeruzalem komen: „En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle Heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken, om aan te bidden den Koning, den Heere der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten".
Zoo wordt — zegt Stanley — hier duidelijk de waarachtige, persoonlijke regeering van Christus, als Koning te Jeruzalem, beschreven! (blz. 19).
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's