KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (12)
De Grondwetgever van 1798 ging uit van het beginsel: de Kenk moet hebben en houden wat rechtens haar eigendom en bezit is — verder moeten de Kerken voor zichzelf zorgen. De religie was geen t a k v a n S t a a t s d i e n s t meer. Tien jaar later wend het diametraal andere stelsel ingevoerd, hetwelk gebaseerd was op de beschouwing, dat de uitoefening der eerediensten van Staatswege behoort ondersteund te worden. Dit gebeurde bij het Besluit, den 2den Aug. 1808 door Koning Lodewijk Napoleon genomen en sinds is dat stelsel in beginsel gebleven zooals het was. Dat steunt dus op een besluit: dat de Kerken geldelijken steun zullen ontvangen; en dat besluit is genomen — we zeiden het vroeger reeds — omdat de Staat oordeelde, dat het v o o r d e n S t a a t g o e d is, als de godsdienst, als de Kerken gesteund en geholpen worden. Van rechten die de Kerken kunnen doen gelden is noch in 1808 noch later sprake. En dus kan de financieele steun van Staatswege aan de Kerken ook elk oogenblik weer ingetrokken worden, als de redeneering van de Overheid anders wordt dan in 1808 en later. Gaat men straks zeggen: de religie is geen tak van Staatsdienst en de Kerken moeten zich als eigen lichamen zelf onderhouden — d a n k a n d e f i n a n c i e e l e b a n d t u s s c h e n S t a a t e n K e r k o o k z ó ó w e e r d o o r g e s n e d e n e n v e r b r o k e n w o r d e n. Het Besluit van 19 Januari 1814 bewijst, dat men meende, dat Staatszorg voor den godsdienst noodig was en ook de Grondwetgever van 1815 meende dat; overigens is er noch toen, noch later een privaatrechterlijke verbintenis gelegd tusschen den Staat en de Kerkgenootschappen of gemeenten. Men ordeelde, dat het zoo behoorde te zijn en daarom deed men het zoo — maar daarmee uit. Wat de Overheid deed, deed zij uit zorg voor volk en land, maar natuurlijk kan men elk oogenblik tot een ander inzicht komen en zeggen, dat het voor land en volk beter is, dat de Overheid niet meer gelden uitbetaalt aan de verschillende Kerkgenootschappen, vooral ook omdat door den loop der dingen de moeilijkheden, zich vermeerderen en de grootste onbillijkheden ontstaan; niet 't minst ook, omdat moeilijkheden zijn geboren doordat de Overheid zich met kerkelijke zaken bemoeide en alles in een richting gedreven heeft, die een ramp is geworden voor Kerk en volk!
Wat is en blijft 1816 hierin een ongeluksjaar! Voor heel het Protestantisme, maar bizonder voor de Geref. Kerk van Nederland.
Want ten opzichte van de Roomschen wist de Regeering wel, dat zij moest oppassen en dat zij de handen moest thuis houden. Maar ten opzichte van de Protestantsche Kerken, bizonder van de Geref. Kerk, dorst de Regeering alles. Zonder dat de Grondwet eenige bevoegdheid daartoe gaf, legde de Koning aan de Geref. Kerken een organisatie op, welke geheel in strijd was met het wezen der Kerk, terwijl de Kerken niet eens tijd en gelegenheid kregen, om over deze allergewichtigste aangelegenheid te beraadslagen en bezwaren er tegen in te brengen. Met geweld werd de organisatie opgelegd en alles was door de Regering klaar gemaakt. De Kerken werden geheel onder de macht van den Staat gebracht. Van boven af werd de Kerk gereglementeerd, georganiseerd, geadministreerd. Waarbij de Staat gaarne alles inrichtte op kerkelijk en op religieus gebied, om te maken, dat er één publieke Staatskerk zou wezen, gesubsidieerd door den Staat en dan voor alle Protestanten een plaats biedend. Voor d i e Kerk met voor „elk wat wils", voor d i e Staatskerk, dat een volkskerk in optima forma zou worden, wilde de Regeering alles doen. Men wilde schade, vroeger geleden, vergoeden (Kon. Besluit van 1815) en men wilde de R ij k s t r a c t e m e n t e n v e r h o o g e n.
De gedachte, tijdens de Republiek (toen de Overheid zoo heerlijk veel over de Kerk te zeggen had) was, dat het b e s t u u r der Kerk bij den K e r k e r a a d berustte (behoudens de rechten van de Overheid!) en dat het b e h e e r der kerkelijke goederen enz. bij de O v e r he i d behoorde te zijn. En wel werd, na het terugtrekken van de Overheid in 1798, het recht van eigendom der locale Kerken, op de kerkelijke goederen en fondsen erkend — maar het beheer kwam niet aan de Kerkeraden, die toch bij de Gereformeerden de eenige bestuurder en vertegenwoordiger der Kerk is. Wel is dus bij de organisatie van 1816 het recht van eigendom der locale Kerken erkend. Het Algemeen Reglement op de kerkelijke organisatie van 1816 bepaalde dan ook, dat in de „administratie der kerk-, pastory-, kostery- en andere gemeentefondsen en de betrekkingen tusschen derzelver b e s t u u r d e r s en de K e r k e r a d e n door de bepalingen van het Algemeen Reglement geen veranderingen gemaakt werden" (Art. 1), m a a r het duurde niet lang of, na de organisatie van het b e s t u u r, werd ook de organisatie van het b e h e e r ter hand genomen. Van 1819—-'23 verschenen van 's Koningswege voor de verschillende provinciën: Reglementen op de administratie der kerkelijke goederen en fondsen. Deze goederen en fondsen bleven onder plaatselijke administratie (Kerkvoogdijen). Art. 10 luidde: ,,In alle gemeenten van meer dan 150 zielen is het opzigt over de Kerken, pastoryen en kosteryen, het beheer der kerkelijke eigendommen, fondsen en inkomsten en het regelen der benoodigde onkosten voor den eeredienst aan een Kollegie van Kerkvoogden toevertrouwd". Dus de kerkelijke goederen en fondsen bleven onder plaatselijke administratie, doch deze werden onder provinciaal toezicht gesteld. In elke provincie werden door de Overheid „Provinciale colleges van Toezicht" aangesteld, die zoowel wat hun saamstelling als hun werk betreft Staats-colleges waren. Voor het oog der menschen veranderde niet veel. Dat was „om geen onrust te verwekken". Maar zoowel de Synode als de Prov. Colleges van Toezicht stonden onder het gezag van den Koning en van den Minister van Eeredienst. Beide draden — die van het bestuur en het beheer — liepen zoo in één hand tezaam, niet in de hand waar ze hoorden, die des Kerkeraads, maar in de hand des Konings; terwijl toch de Grondwet noch tot de organisatie van het bestuur der Kerk, noch tot de organisatie van het beheer der kerkelijke goederen de bevoegdheid aan de Regeering des lands verleende. Ook de administratie der Diaconiegoederen werden bij Kon. Besluit van 1831—'33 geregeld. (In 1859 werd bij nieuw reglement de autonomie der Diaconieën weer erkend).
Als in 1825 de Synode de hand uitstak naar het beheer, werd zij niet ongevoelig door de Overheid op de vingers getikt. De Synode wilde, dat de Kerkeraden mede toezicht op en zeggenschap in het beheer der kerkelijke goederen zouden hebben, maar de Regeering weigerde dit Synodaal besluit goed te keuren; het moest teruggenomen worden; het punt in kwestie mocht zelfs niet in discussie komen!
Intusschen waren de z. g. n. „uitgezonderde Kerken" (o.a. Amsterdam), die bij de scheiding van Kerk en Staat in 1798 zichzelf geholpen hadden en a 1 g e m e e n e c o m m i s s i ë n in het leven geroepen hadden om het beheer van den Magistraat over te nemen, „vrij" in het beheer der plaatselijke kerkelijke goederen. Bij Kon. Besluit van 1810 waren zulke Kerkeraden in hun recht om zelf het beheer der kerkelijke goederen en fondsen te regelen, bevestigd. Maar de Regeering van Koning Willem I „heeft deze uitgezonderde gemeenten nooit met een goed oog aangezien", zegt mr. Heineken (Rechtstoestand der Kerkelijke goederen. Amsterdam 1873). En de Regeering heeft alles gedaan wat mogelijk is, om ook deze uitgezonderde gemeenten onder toezicht van de Prov. Colleges van Toezicht te krijgen; vooral in 1827. Zij weigerde voor de predikanten dezer gemeenten financiëelen steun uit 's lands schatkist te geven, zoolang niet de regeling van en het toezicht op het beheer onder de Prov. Colleges gesteld waren. In de dagen van de Afscheiding schreef de Regeering deze gemeenten nog eens extra aan bij Kon. Besluit van 2 Dec. 1836, bevreesd, dat de goederen zouden verdwijnen met degenen die zich afscheidden!
De Afgescheidenen konden dan ook later geen erkenning en geen vrijheid van godsdienstoefening krijgen, alvorens zij — de scheurmakers! — aan de R e g e e r i n g bevestigend hadden geantwoord, dat zij niet alleen van de organisatie, maar ook van de Kerk zich hadden afgescheiden en beloofd hadden nooit eenige aanspraak te zullen maken op toelage uit 's Rijks schatkist.
Zóó stelde de Overheid zich partij in kerkelijke zaken, ook wat betreft de kerkelijke goederen en de betaling van subsidie of toelage uit 's Rijks schatkist.
„Het Koninklijk gezag", zegt Groen, „werd er bij in de waagschaal, gesteld". Diep in de moeilijkheden zittend, werd eindelijk bij Kon. Besluit van 1847 de macht, die de Koning tot nog toe over de kerkelijke organisatie, en daardoor over de Kerken, uitgeoefend had, overgedragen aan het Staatscreatuur de „Synode". De gevangene — zegt Groen — werd aan den cipier verder overgelaten. En dus inplaats van vrijmaking der Kerken kregen we bestendiging der slavernij. Het Reglement van 1852 is van deze ongrondwettige machtsoverdracht der Regeering aan de Synode de vrucht.
(Wordt voortgezet).
De dwingende macht der Overheid en De liefdemacht van Christus.
In de geschiedenis van Simon van Cyrene ligt veel dat waard is door ons te worden opgemerkt. Ds. Schilder wijst er op in zijn „Bijbelsch Dagboek": Goud, Wierook, Myrrhe, blz. 63. En naar aanleiding van wat hij daar schrijft, willen we een opmerking maken.
Simon van Cyrene staat in de lijdensgeschiedenis zoo plotseling voor ons. Wie was hij? Waar kwam hij vandaan? Was 't een Jood, een Jodengenoot, een Moorman? Had hij zich van het paaschfeest niets aangetrokken en ging hij daarom landwerk doen op een tijdstip, waarop alle nette Joden paaschlammeren slachtten of meeliepen om den Nazarener te kruisigen? Of kwam hij juist daarvoor terug van het werk, zoodat hij door den stoet, die naar Golgotha trok, vertraagd werd en opgehouden in het vervullen van zijn paaschplicht? We weten er weinig of niets van.
Maar wat wij wél weten is dit, dat de aardsche machten Simon van Cyrene in een oogenblik kruisdrager maken. Ze dwongen hem. Soldatengeweld requireerde eenvoudig den man, die daar aankomt, Jezus te volgen, dragende Zijn kruis. Men wilde geen fatsoenlijken Jood met dit vernederende werk belasten; maar tegenover een vreemdeling trad men brutaal-eischend op en in een oogenblik loopt Simon van Cyrene achter Jezus aan, dragende Zijn kruis buiten de poort.
Zoo kan de Overheid veel doen. Heidenen zijn christen gemaakt. Roomschen zijn gedwongen Protestant te worden, ze moesten hun kinderen in de Gereformeerde Kerk laten doopen, hun huwelijk in de Gereformeerde Kerk laten inzegenen. Protestanten zijn gedwongen hun geloof af te zweren of anders werden ze onthalsd. De Overheid kan dwingen. En zoo wordt Simon van Cyrene gedwongen Jezus achteraan te loopen, dragende Zijn kruis.
Maar maakt de Overheid, maakt soldatengeweld iemand een discipel van Jezus, een kruisdrager achter Christus aan? Maakt de Overheid de leden van Christus' Kerk?
We lezen van Simon van Cyrene, dat hij met zijn zonen den Heere heeft beleden. Heeft soldatengeweld dit gedaan? Heeft de Overheid dit bewerkt door haar dwingend gezag? Neen, als de Overheid er alleen aan te pas gekomen was, had Simon van Cyrene met zijn kinderen den Heere Jezus gevloekt heel z'n leven door, voor de schande hem aangedaan. Dan had Jezus ook d i e vervloekingen en scheldingen nog moeten dragen! Maar de Heiland is er in Zijn liefde tusschen gekomen en Hij, de groote Gevangene, heeft Simon van Cyrene gevangen genomen, hem, tegemoet komend in liefde, om door Zijn Geest zijn hart in te nemen voor altijd.
De liefde van Christus, dragend de zonde Zijns volks, overwint Simon van Cyrene in liefde. Hij, Zich gevend voor zondaren, neemt ook dezen zondaar mee op den weg des levens. En Simon van Cyrene met zijne kinderen mogen later getuigen: wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad! En omdat de liefde Gods in Christus in hunne harten was uitgestort door den Heiligen Geest, is er liefde bij hen tot God en Zijn dienst, heel hun leven door. Wondere liefde op den weg naar Golgotha, wondere, trekkende liefde van Slons Borg voor een arm zondaarsvolk! Niet de dwingende macht van de Overheid, de liefdemacht van Christus maakt zondaren tot Gods kinderen! Laat de Overheid dat verstaan. Laat de Kerk dat verstaan.
Een schrikkeljaar.
Hierover schrijft ds. K. Schilder in zijn Dagboek en wijst op de mysteriën die daaraan verbonden zijn. We willen het hier even navertellen.
Er is iets geheimzinnigs in dezen dag — zoo schrijft ds. S. Het is een concessie van de wetenschap; zij moet eerlijk bekennen, dat al onze kalenderwijsheid niet in staat is een jaar zóó in te deelen, dat onze berekening precies klopt met de werkelijkheid, die daar is in de wenteling van de hemellichamen. Er blijft bij het rekensommetje, dat onze jaarindeeling heeft opgebouwd, een rest, waarmee we niet goed raad weten en die we zoo eens in de vier jaar trachten weg te werken, om weer in het gelijk te krijgen „de ordinantiën des hemels" en onze jaarindeeling. Daar ligt iets geheimzinnigs in. De wiskunde is een secure wetenschap van verzekerde menschen; en toch werkt ook zij met een getal, waarvan de juiste grootte niet is aan te geven. Zoo moge ook de weg der hemellichamen nog zoo regelmatig zijn, zoo mag de gang des hemels ook nog zoo secuur zijn, het is nog niet gelukt, Gods wagens boven 't luchtig zwerk, hoog boven ons sterfelijk hoofd, bij te houden. De wenteling van de wielen van Gods wagen der tijden lacht souverein om onze dappere wiskundige formules. God zelf heeft de hemellichten gezet tot vaste tijdmeters; zij beheerschen begin en eind en duur van onze zonnejaren. Maar met al onze wijsheid hebben wij het toch nog niet zóóver gebracht, dat wij vrijmoedig „ja" zouden kunnen antwoorden, als God ons de vraag van Job voorlegde: Kent gij de ordinantiën des hemels?
Tot de schepping en tot de ordinantiën des hemels (Job 38 vers 33) moeten we maar telkens teruggebracht worden, om, nietig en klein, stil te worden voor God. In de schepping — God voert Job ook terug tot dit grootsche werk — ligt uitgesproken de wijsheid Gods en de volstrekte afhankelijkheid van het schepsel tegenover zijn Maker. Dan kan God ons overstelpen met een reeks van vragen, waarop wij niet kunnen antwoorden, dan: God is groot en wij begrijpen Hem niet. Wij willen telkens God narekenen en zelfs corrigeeren in Zijn zedelijke wereldorde, in al Zijn doen en laten.
Dwazen die we zijn!
In de natuurlijke wereldorde kunnen we God nog niet eens narekenen. We kunnen de ordinantiën des hemels, de baan der hemellichamen niet secuur becijferen. Hoe zouden we God dan verstaan, waar Hij, de vrijmachtige, bekleed is met souvereine majesteit en een ontoegankelijk licht bewoont? Het narekenen, het corrigeeren van Gods daden deed Asaf in duisternis wandelen. Het kwam er later uit, uit een bedroefd hart, met beschaamd aangezicht: „o God, wat was ik een domoor, zonder verstand; een dier gelijk was ik tegenover U!" — om dan, van God geleerd en tot Hem bekeerd, te zeggen: „naar Uw raad zult Gij mij leiden en daarna mij in heerlijkheid opnemen"!
De Vereeniging tot Christelijke verzorging van krankzinnigen in Nederland.
Wij zijn op het terrein van het werk van barmhartigheid voor samenwerking met allen die staan op den grondslag van Gods Woord naar de opvatting van de drie Formulieren van Eenigheid, zijnde de Ned. Geloofsbelijdenis, de Catechismus en de Vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten. Voor hartelijke samenwerking om saam des te meer te kunnen doen in den geest van Christus, naar Gods Woord, voor ellendigen, die zoo zeer de hulp van de belijders van den Christus Gods van noode hebben.
Daarom houden wij er niet van de Kerkmuren tot een onoverkomelijke moeilijkheid te maken. 't Gaat er maar om, dat allen mogen leven uit de Gereformeerde beginselen en dus éénzelfde doel en streven kennen: Gods eer en des naasten heil, elkander vinden en helpen en bijstaan. Dan heeft de Heere gezegd: Mijne genade is u genoeg, Mijne kracht wordt in uwe zwakheid volbracht. Dat allen, die uit één en hetzelfde beginsel leven mogen, elkaar maar meer mochten zoeken en vinden!
Dat mannen uit het midden van onze hervormde Kerk hartelijk samenwerken met broeders en zusters uit de Gereformeerde Kerken, heeft onze hartelijke instemming. Mannen als prof. Visscher (denk aan zijn +++d aan het Sanatorium te Zeist, enz.), ds. GOoslinga (Sonnevanck), ds. Batelaan en de heer Fliehe (Vereeniging tot christelijke verzorging van krankzinnigen, enz.) hebben recht op onzen dank; ds. Prins in het werk van „Effatha" enz. enz.
Hoe of men ons bij dit werk ook beschimpt, vooral van de zijde der Confessioneelen (zie hun geschrijf in de Geref. Kerk, Herv. Zondagsblad van Friesland, enz.), laten ons toch van dit werk niet aftrekken. Als anderen dan liever hartelijk samenwerken met de ethischen, dat moeten zij weten; dat laten we voor de liefhebbers! Bij ons gaat het beginsel bovenal en die de Gereformeerde Waarheid hebben zoeken elkaar! Haat zaaien in dezen is niet uit Christus.
Maar juist omdat we voor hartelijke samenwerking zijn, en voor nog méér samenwerking zijn, waarbij we gaarne een eerebetoon brengen aan onze broeders en zusters in het midden van de Gereformeerde Kerken, die niet om eer of roem, maar om Gods wil, zoo heel veel reeds hebben gelen zoo heel veel reeds hebben gedaan en geofferd(en nóg offeren), willen we ook zooveel mogelijk waken, dat er nu bij die samenwerking geen knuppel in het hoenderhok wordt geworpen, door de Kerk er betrekken, waar 't niet noodig is.
Daarom schreven we onlangs een klein stukje over een motie, die in de Vereeniging voor christelijke verzorging van Krankzinnigen in Nederland, is binnen gebracht in het Bestuur, rakende de kwestie Geelkerken en de beslissing van de Synode van Assen. Het komt ons voor, dat men dat niet had moeten doen, maar zich in het midden van deze inter-kerkelijke Vereeniging, die om de muren van meer dan één Kerk heen gegrnond is, eenvoudig moet houden aan de inhoud van de Statuten: De Heilige Schrift, en de opvatting van de Drie Formulieren van Eenigheid. Met beslissingen van Assen hebben we in het midden van deze Vereeniging nets te maken, net zoo min als met Den Haag of Apeldoorn (Chr. Geref. enz.)
Zo schijnt er zoo iets gebeurd te zijn, dat het Bestuur der Vereeniging over deze kwestie Geelkerken—Assen gesproken heeft en tenslotte in een soort motie heeft uitgesproken en deze beslissing doorgezonden te hebben naar de verschillende stichtingen, het personeel, enz. Het komt ons voor, dat het Bestuur dat niet had moeten doen, juist omdat de Vereeniging ging n i e t kerkelijk is en ook niet-kerkelijk moet blijven.
Dat wij hierover schrijven, is dus volstrekt niet, dat wij onze menschen van dezen arbeid willen terughouden. Het tegendeel is waar. Wij wilden wel, dat de Gereformeerd Hervormden zich veel meeropgaven voor al zulk soort werk, uit liefde tot het Gereformeerd beginsel en daarmee hun naaste te dienen naar Gods Woord. Nog eens, door al het gestook voornamelijk van de hoog-kerkelijke Confessioneelen, die blijkbaar makkelijker met de Ethischen amenwerken dan met de Gereformeerden (denk maar aan de sympathie voor Landelijk Volksonderwijs en de antipathie tegen het Chr. Nationaal Schoolonderwijs, „een School met den Bijbel", den +++++aad enz.), laten we ons toch niet van deze dingen afbrengen. Men kan gerust moeite sparen; 't is den Moriaan gewasschen.
Hoewel, nu moeten we ook oppassen, de schijn des kwaads te vermijden en het specifiek kerkelijke hier buiten houden. Nu doelden we op 't besluit van het bestuur der Vereeniging, dezen zomer gedaan waarin „instemming betuigd werd met de confessioneele beslissing van de Generale Synode te Assen in het geding Geelkerken, betreffende artt. 4 en 5 der Gereformeerde belijdenis". Waarbij dan volgt "dientengevolge is op de Stichting en Vereeniging in geen opzicht en op generlei wijze propaganda voor de z.g.n. opvattingen van dr. Geelkerken toegestaan.
We zouden zeggen: men moet op de +++en instemming betuigen met den Statuten der Vereeniging: Gods Woord en de opvatting van de drie Formulieren der Enigheid en daarmee uit. Dan niet bemoeien met kerkelijke aangelegenheden, noch wat de Hervormde, noch wat Chr. Gereformeerde Kerk betreft, noch wat de Gereformeerde Kerken aangaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's