SCHRIFTVERKLARING
Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. 1 Timotheüs 6 vers 12.
1 Timotheüs.
85
O p e n b a r e b e l ij d e n i s e n i n n e r l ij k e s t r ij d. Bovenstaande tekst heeft ons aanleiding gegeven de zaak der „aanneming en bevestiging", waartoe velen zich in dezen tijd weder voorbereiden, eens onder de oogen te zien. Het is zoo jammer dat velen in het midden der gemeente niet weten wat zij doen, als zij openbare belijdenis des geloofs afleggen. Ja, er zijn menschen die spreken van een groot kwaad dat de jeugdigen doen als zij „zich laten aannemen". Anderen zijn wat toegefelijker en willen het dan liever een „noodzakelijk kwaad" noemen. En deze opvattingen wonen helaas vaak van geslacht tot geslacht in het midden der gemeente.
'k Meen dat de oorzaak hiervan is dat men het sacrament van den Heiligen Doop en hetgeen daarmede beteekend en verzegeld wordt, totaal laat liggen. Niet dat men nalaat de kleine kinderen te doopen. Zeker, die doop geschiedt wel met groote plechtigheid. Ook worden de ouders terdege vermaand. Maar toch laat men verder den Doop rusten. Er wordt eenvoudig geen rekening mede gehouden. Dit groote verzuim móét zich wreken. Zoo worden dan jonge menschen aangenomen en bevestigd, terwijl men geheel en al vergeet dat het verbond der genade de grondslag is waarop de Kerk rust.
Het formulier van den doop zegt het toch! 't Wordt plechtig voorgelezen. Waarom houdt men er zich dan niet aan? „Als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom ons van alle goed verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keeren wil. En, als wij in den naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van alle onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding inlijvende, alzoo, dat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden. En als wij gedoopt worden in den naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, n.l. de afwassching onzer zonden en de dagelijksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden".
Deze drievoudige herhaling laat aan duidelijkheid niets te wenschen over en stelt de groote beteekenis van het genadeverbond in het licht.
Welnu, dan geldt dit van diezelfde jonge menschen, die door de ouders als kleine kinderen ten doop gehouden waren en die nu tot onderscheid van jaren gekomen zijn. En er is geen enkele reden om het hun nu te verzwijgen dat zij in het genadeverbond zijn opgenomen, en als lidmaten van de gemeente van Jezus Christus eens den doop ontvangen hebben. Gij moogt nu niet gaan filosofeeren met uw verstand, over tegenstrijdigheden, of over het gevaar dat die jonge menschen van de leer van het verbond een valschen grond voor hunne zaligheid zouden maken. Zijn de ouders, is de leeraar voor dit laatste bevreesd, en drijft die vrees hen, zoodat zij in hun woning, in de catechisatiekamer, op den kansel van die verbondsgedachte zwijgen, dan mag met recht gevraagd worden: waarom wordt het doopsformulier dan nog voorgelezen? Ja, nog sterker, waarom doopt men dan? Laat toch niemand vergeten dat de ouders gehouden zijn hunne kinderen in het opwassen hiervan breeder te onderwijzen. „Hiervan", d.w.z. van de verbondsgedachte. En als zij beloven dat zij hun kinderen zullen onderwijzen of doen onderwijzen in de voorzegde leer, dan beteekent dit niet dat zij slechts de verschijningen van den Heere Jezus uit het hoofd weten of dat zij kunnen zeggen wie de twaalf zonen van Jacob zijn, maar dan is daaronder wel degelijk begrepen de leer van het verbond der genade en de Kerk des Heeren. En dit laatste dan niet als eene bijzaak, maar als eene zaak waarmede die jonge menschen het eerst in aanraking zijn gebracht, met zulk een gedurigen aandrang dat zij er ernstig over gaan nadenken, er mee worstelen, en het hun ook eene zaak des gebeds worde.
'k Wenschte wel dat het formulier van den Heiligen Doop, dat terecht een juweeltje onder de formulieren genoemd is, tot grondslag en uitgangspunt genomen werd, ook van het catechetisch onderwijs.
Immers de verbondsgedachte wordt door genoemd formulier niet eenzijdig op de spits gedreven, maar helder ontwikkeld, vooral als daarin gezegd wordt: „Overmits in alle verbonden twee deelen begrepen zijn, zoo worden wij ook weder van God door den doop vermaand en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid enz." Natuurlijk gaat ons formulier ons niet voor in een taal van doode lijdelijkheid. Dat toonen de aangehaalde woorden zonneklaar. Van „vermaning en verplichting" wordt hier gesproken. M.a.w. de mensch, op wien de heerlijke verbondsbeloften van den Drieëenigen God rusten, is geroepen die beloften te aanvaarden en gehoorzaamheid des geloofs te betoonen. Niet dat de mensch dit nu door eigen natuurkrachten kan doen. Weg met die remonstrantsche, vrije-wilsleer! Het is God, die in ons werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen. En als de Heere Zelf de toepassende genade niet schenkt, staat de mensch machteloos om „het tweede deel" van het verbond te volbrengen. Maar dit neemt de groote verantwoordelijkheid niet weg van hen die in het verbond zijn opgenomen en als lidmaten der gemeente gedoopt zijn. Als deze „vermaning en verplichting tot eene nieuwe gehoorzaamheid" niet een deel van het genadeverbond ware, dan zou het treurige verschijnsel niet te verklaren zijn dat zoo menigeen die in het genadeverbond is opgenomen en met de rijke beloften daarvan begiftigd is, toch in de zonde opgroeit, het pad der wereld verkiest boven den dienst van den Heere en voor eeuwig verloren gaat. Er is eene door niets en niemand weg te nemen en weg te redeneeren verantwoordelijkheid aan de zijde der gedoopte kinderen der gemeente. Een verplichting tot de gehoorzaamheid des geloofs, waarop nooit te veel gewezen kan worden in het onderwijzen, doen en helpen onderwijzen in de voorzegde leer, ook tot voorbereiding van het afleggen der openbare belijdenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's