De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

8 minuten leestijd

De financieele band tusschen Staat en Kerk (13)
In de geschiedenis wortelt het heden. Dat mogen we ons telkens wel weer voor oogen stellen bij de kwestie van de financieele verhouding van Staat en Kerk. En dan is telkens een historisch onderzoek naar de herkomst en het karakter der kerkelijke- en geestelijke goederen noodzakelijk. Waar komen die geestelijke goederen — de kerkelijke goederen — de pastoriegoederen — de kosteriegoederen enz., vandaan? Veelal uit den Roomschen tijd.
En dan waren de geestelijke goederen zelfstandige stichtingen of fundaties en als zoodanig volstrekt onafhankelijk van het bestuur der Kerk. Want ja, ze werden straks wel voor vroom gebruik (ad pios usus, voor vrome doeleinden) gebruikt", maar,  al was de  b e s t e m m i n g  der goederen voor de Kerk, daarom was het  e i g e n d o m  van de goederen niet bij de Kerk. De goederen werden gesticht (gefundeerd) ten behoeve van het kerkgebouw, de pastorie, de kosterie enz., maar daarmee waren ze nog geen eigendom van de plaatselijke gemeente.
De Gereformeerde Overheid had het daar heen moeten sturen, dat die goederen waren gegeven in bezit en eigendom aan de Kerk, ten gebruike voor de Kerk. Dan had de bestemming voor de Kerk geweest en de eigendom, wat naar de rechtsbegrippen van de 16de eeuw volkomen rationeel ware geweest, omdat de Overheid de voedsterheer van de Kerk zich voelde en er maar één Kerk, één publiek erkende Kerk was in die dagen, n.l. de Gereformeerde Kerk.
Maar het is nu eenmaal zoo niet gegaan en daar zitten we dus mee. De stichtingen, de fundaties der kerkelijke goederen waren dus zelve eigenaressen en niemand anders. De kerkelijke goederen, de pastorie-, de kosteriegoederen en zoovele andere meer, vormden eigen vermogenscomplexen, waarvan de goederen de objecten of voorwerpen waren en de stichtingen zelve de subjecten of onderwerpen. De stichting had de goederen als haar eigendom. Maar natuurlijk hadden die stichtingen, die zelve de goederen in eigendom hadden, behoefte aan beheerders. Er moesten toch personen zijn, om hare rechten uit te oefenen, hare belangen te behartigen, kortom haar te beheeren.
Inplaats dat dit nu door de Gereformeerde Overheid (?) naar de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht aan de gemeente, aan den Kerkeraad, is gekomen, is het juist altijd met opzet anders geregeld en wel zóó, dat de z.g.n. „Kerkfabriek" — de kerkelijke goederen in engeren zin — door  K e r k m e e s t e r s  werden bestuurd en beheerd, onder toezicht óf van de geheele parochie óf van de geburen der parochie óf van andere autoriteiten,  m a a r  z o n d e r  e e n i g e  i n m e n g i n g  v a n  d e n  K e r k e r a a d  a l s  z o o d a n i g  en steeds onder de Overheid als opperkerkmeester.
Dat was een voortvloeiïng uit de feiten en vindt volgens de juristen hare verklaring in het Canonieke recht. Want onder dat recht oefende de geestelijke Overheid het oppertoezicht ook over de kerkelijke en geestelijke goederen uit, maar — zoo redeneerde men — toen die geestelijke Overheid bij de Kerkhervorming wegviel, trad de wereldlijke Overheid in haar plaats. De Overheid was het, die te beslissen kreeg, dat de Gereformeerde religie de ware Christelijke was en dat de geestelijke en kerkelijke goederen stichtingen met bepaalde vrome bestemming zouden zijn en dus aan den godsdienst toegewijd; maar daarbij liet de Overheid het zitten en beschikte niet, dat de geestelijke en kerkelijke goederen in eigendom van de Gereformeerde Kerk kwamen. De Overheid hield alles in handen en hield als „christelijke Overheid" een zeer diep ingrijpend toezicht op het beheer en gebruik der verschillende goederen. (Zie mr. H. de Bie, Algem. Regl. op het beheer, enz., 2de dr. Inleiding pag. 3). Zoo bleven de geestelijke goederen eigen stichtingen, ook nadat de geestelijke Kantoren waren gesticht (geestelijk Kantoor van Delft 1577). De Staat onteigende niet, om den eigendom der goederen aan de Staten te brengen; neen, de verschillende stichtingen werden tot ééne stichting dan vereenigd met dezelfde bestemming en het Kantoor voorzag — met stevige subsidie van Overheidswege — in de predikantstractementen en ook wel in andere kerkelijke uitgaven.
De goederen waren dus voor het groote meerendeel stichtingen „ad pios usus", beheerd door Kerkmeesters,  l o s van de bestuursorganen en onder toezicht der wereldlijke Overheid, ja, niet alleen onder toezicht, maar dikwijls geheel onder beheer van de Overheid.
Tusschen 1796 en 1816, is er veel gebeurd. Aanvankelijk wilde men, na de verwerping van de gedachte eener heerschende of bevoorrechte Kerk, radicaal te werk gaan en al hare goederen vervallen verklaren en ten algemeenen nutte (onderwijs, armverzorging) bestemmen, maar ook hier werd „de pap niet zoo heet gegeten, als zij werd opgediend". De volksstemming van Augustus 1797 verwierp het eerste ontwerp der Staatsregeling. Minder verreikende bepalingen werden in de additioneele artikelen der Staatsregeling 1798 opgenomen. Slechts de goederen, tot dien tijd door de geestelijke Kantoren geadministreerd, werden nationaal verklaard, onder verplichting voor den Staat, om de tractementen te blijven uitkeeren. (Mr. H. de Bie, blz. 4). Ook de particuliere eigendommen werden geëerbiedigd, maar de groote massa der kerken en pastorieën der voormaals heerschende Kerk werden ter beschikking gesteld van het plaatselijk bewind, om daarover tusschen de Kerkgenootschappen eenig vergelijk te treffen. Ze moesten verdeeld worden en was dit niet mogelijk, dan moest in iedere plaats het Kerkgenootschap met het grootste aantal leden de voorkeur hebben en de overige Kerkgenootschappen kregen dan een uitkeering in geld en deden daartegenover afstand van al hunne aanspraken op die goederen. En aldus bepaalde het artikel: „De alzoo genaaste Kerken en pastorieën blijven ten allen tijde onder de bezitting, beheering en het speciaal onderhoud der Kerkgemeenten, aan welke dezelven, volgens het hier voorgaand onderling contract, zijn toegewezen". (Additioneel artikel 6, 4de lid).
De kerkelijke goederen werden als aanhangsels der kerkgebouwen, de pastoriegoederen als aanhangsels der pastorieën op dezelfde wijze behandeld.
Die onderlinge schikkingen — zegt mr. de Bie blz. 5 — hebben op zeer vele plaatsen heel wat voeten in de aarde gehad; de Hervormden deden slechts noode afstand van het hun toekomende. In 1801 was de afwikkeling nog lang niet gereed en toen kwam de nieuwe Staatsregeling die bepaalde: „Ieder Kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit van hetgeen met den aanvang dezer eeuw door hetzelve werd bezeten". (Artikel 13). Het woord Kerkgenootschap heeft hier de beteekenis van plaatselijke gemeente, want van een „algemeen genootschap" was toen nog geen sprake en de regeling had ten doel 't bestaande te consolideeren.
Intusschen waren hier en daar nog schikkingen getroffen als bedoeld door de Staats regeling 1798, o.a. op meerdere plaatsen in Overijssel, waar verscheidene kerkgebouwen door den Koning aan de Hervormden onttrokken en ter beschikking van den Roomsch Katholieken eeredienst werden gesteld. De politieke gebeurtenissen van 1810 en 1811 maakten het onmogelijk om daarmee voort te gaan. Ook werden kerken en kerkegoederen die nog sedert 1798 in handen der burgerlijke Overheid waren gebleven aan de kerkelijke gemeenten overgedragen; zelfs pastorieën, die door opbouw of aankoop uit de plaatselijke kas aan steden of dorpen toebehoorden (mr. de Bie, blz. 5).
De tijd der inlijving bij het Fransche Keizerrijk bracht geen verandering en aldus vond het herboren Vaderland van 1813 de kerkelijke goederen onder het beheer der plaatselijke gemeenten, maar — zoo zegt mr. H. de Bie blz. 6 — het toezicht, dat onder de Republiek de  w e r e l d l ij k e  Overheid had uitgeoefend, was sinds 1705 weggevallen. „Hierin school uiteraard" — zoo redeneert mr. de Bie — „een ernstig gevaar en Koning Willem I greep in". Zoo komt dan de tweede periode, die van 1816—1869, den tijd van het „g e c e n t r a l i s e e r d e  Staatstoezicht"
Het bekende Koninklijk Besluit van 7 Januari 1816, No. 1, gaf der Nederlandsche Hervormde Kerk voor haar bestuur eene organisatie; en in de jaren 1819 — 1823 volgden de ,,Provinciale Reglementen op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van den Eeredienst bij de Hervormde gemeenten in Nederland". (Men zie voor deze reglementen de uitgave van mr. E. A. Jordens met Aanteekeningen, te Arnhem, bij Is. An. Nijhoff & Zoon, 1859).
Mr. de Bie — dien we hier nog steeds aan 't woord laten om de dingen eens van verschillende kanten te hooren — zegt heel leuk: „Waar het onze bedoeling is een overzicht van de geschiedenis te geven voor p r a c t i s c h gebruik, verdiepen wij ons niet in de vraag omtrent de bevoegdheid des Konings tot deze regeling en, evenals het bestuursreglement door de gemeenten aanvaard en nageleefd en op dien grond reeds bij meerdere rechterlijke gewijsden verbindend verklaard".
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's