De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

DE SMID VAN GRIJSDORP

5 minuten leestijd

DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
15)
Zij zag de zorg wel in zijn gezicht, zij merkte het aan hem, telkens weer en in alles wat hij deed om haar te helpen. Hoe dikwerf kwam hij dan met 't een, dan met 't ander om haar te verrassen en te verkwikken. Bedoelde hij hare laatste dagen zoo aangenaam mogelijk te maken?
„Ligt gij nu goed, An, of zal ik je wat hoogerop leggen? Wil je nog niet een paar druiven?"
„Neen, vader, 't is goed zoo. Waar heeft dominé van morgen over gepreekt?"
„Over de laatste verzen van Psalm 84. Ik heb aan jou gedacht en de dominé zeker ook; in zijn gebed kon ik het wel mer­ken, 't was wat voor je; voor ons allen wel, maar och ....."
„Hoe zijn die woorden, vader?"
„Want God de Heere is een zon en schild; Hij zal genade en eere geven; Hij zal het goede niet onthouden die in oprechtheid wandelen", en dan het laatste: „Welzalig Heer, die op U bouwt en zich geheel aan U vertrouwt"; gij kent het wel kind".
„Ja, vader". En in stilte zei zij het berijmde vers op.
„Zelfs niet in den dood, vader, wat zei hij daarvan?"
„Dat staat niet in den tekst, zei dominé, maar in de berijming, toch was het zeer waar en vol troost. In leven en sterven zal God het goede geven aan Zijne kinderen; „genade en eere", maar dan moeten zij ook in oprechtheid voor Hem leven. Daar komt het op aan, maar .......... daar mankeert het nu juist aan, An, tenminste .........." de smid zuchtte en zweeg.
Anna zag hem aan en alsof zij niet verder durfde vragen, zei zij: „Toen ik nog naar de kerk kon gaan, vader, kort voor ik zoo ziek werd, heeft dominé ook gepreekt over die oprechtheid. „Oprecht als de duiven" moesten wij zijn, zoo had Jezus ge­ zegd; weet gij het nog, vader, gij houdt ook zooveel van duiven? Ik heb het onthouden en vooral dat wij toen zongen uit Psalm 68 van de duiven tusschen steenen, duiven die zwart waren en toch met goud en zilver op haar vederen; en dat de zon er op scheen. Dat zullen wel andere duiven zijn als wij hebben, vader; ik heb ze zoo nooit gezien. Maar ik vond het zoo mooi, 't was een beeld, zei de dominé, van de geloovigen in hun lijden, en wat God dan voor hen is. Als ik daar aan denk, dan is 't mij goed, wat er ook geschiedt, al moet ik ook sterven".
„Maar An, spreek daar toch niet van, lieve!"
„Ja wel, vader, waarom niet? En ge zegt dat de dominé er over preekte en het zoo goed voor mij was? "
,,Nee kind, zoo bedoelde ik het niet".
„Maar ik hoorde het zoo wel, vader. „Het goede niet onthouden; zelfs niet in den dood" ; en als die steenen dood en graf zijn, en ik eens als een duif met goud en zilver op de vederen door Gods liefde werd beschenen! O, hoe heerlijk zou dat zijn, vader!
Maar, 't is waar vader, wij leven niet in oprechtheid voor Hem. Ik tenminste niet, nee, nee; hoe dikwerf ben ik onoprecht, nu nog; en vroeger ? 'k Heb moeder wel bedrogen en u ook wel, vader, en mij zelf, en God willen bedriegen, als ik daaraan denk, o, vader, wat moet er dan van mij worden!?"
Zeelman hoorde met ontroering die zelfaanklacht van zijn kind en wist niet wat hij zou zeggen om haar te bemoedigen; toch beproefde hij het door te zeggen: „Dominé wees er op An, dat zij oprecht zijn, die op Hem vertrouwen, die zich met al hunne zonden en zorgen aan Hem overgeven, met heel hun hart, die zooals zij zijn tot Hem de toevlucht nemen door het geloof in Christus; en dat doet gij toch ook, lieve, niet waar?"
„Ja, vader, soms wel, en dan is alles vrede, maar het duurt meestal zoo kort. Toch moeten wij oprecht zijn, vader, daar gaat niets van af, oprecht voor God, oprecht voor elkander en voor de menschen. Zijt gij dat, vader? "
Zij kreeg geen antwoord. De smid was door die vraag diep getroffen. Hij schrok er van, 't werd hem te veel, hij kon geen woord uitbrengen. Met gebogen hoofd zat hij neder en tranen kwamen in zijn oogen.
O, zij wist niet, hoe zij hem had geraakt, hem op een proef gesteld, of liever God hem door Anna een vraag voorlegde  waarop hij geen antwoord durfde geven. Het was hem alsof hij vluchten moest, wegvluchten voor zijn kind, neen voor Zijn God en dat deed hij toch niet.
Anna zag hem met eenige verbazing aan, zij begreep niet waarom vader zoo bewogen was alsof zij hem pijn had gedaan. Zij legde het verkeerd uit en begon daarom na een poos over iets anders.
„Heeft vader met van Leeuwen nog gesproken; hoe gaat het met Riek?
„Nee, An, ik heb er ook niet om gedacht om er naar te vragen, je weet er immers alles nu van?"
De smid was op verzoek van Anna naar van Leeuwen geweest. Tante Geertje kon niet bij haar komen en toch zou ze zoo gaarne weten, hoe het in Den Haag was. Nu, Zeelman had haar overgebracht, wat hij in het tuinhuis hoorde. Dat Hein's vrouw zeer ziek was, maar er toch hoop was op herstel. Het zou nog wel gaan.
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's